Lijden om en strijden voor de Naam van de Meester
K. Schilder (3)
Een hele reeks geschriften heeft Schilder op zijn naam staan. We noemen er slechts enkele. Nog in Vlaardingen geeft hij een door hem gehouden rede in druk uit getiteld 'Wat is de hel?' Uit zijn Delftse tijd stamt 'Licht in de rook'. Ook noemen we uit deze periode 'De openbaring van Johannes en het sociale leven'. In 1929 verschijnt een bundel verzamelde opstellen onder de titel 'Tusschen "Ja" en "Neen"'. Schilder zegt daar in zijn woord vooraf dat de Calvinistische belijder een zware strijd heeft te voeren. Tegen de heersende opvattingen en invloeden in wil hij trouw zijn aan het Woord van God en aan het historisch Calvinisme. Uiteraard moet hier ook vermeld worden zijn driedelige werk 'Christus in Zijn lijden' uit 1930. De tweede druk heeft hij bewerkt op zijn onderduikadres in Sliedrecht. In 1935 verscheen van zijn hand 'Wat is de hemel?' Zijn laatste grote werk was een commentaar op de Heidelberger Catechismus. Het bleef onvoltooid.
Vanzelfsprekend moet ook gewezen worden op zijn persarbeid in het blad De Reformatie. Hij juichte de verschijning ervan toe (dat was in het jaar 1920). Jarenlang heeft hij de kolommen van dit 'weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven' gevuld en zijn polemieken gevoerd in de rubrieken Persschouw en Kerkelijk leven.
Woord en belijdenis
Van Schilder kan niet gezegd worden dat hij krampachtig conservatief was. Integendeel. Maar hij wist zich wel gebonden aan de Schrift en de belijdenis der kerk. Het ging hem erom dat bij de roep om 'nieuwbouw' of 'uitbouw' die in zijn dagen klonk, men die bouw liet rusten op het fundament van het Woord. Om aan dat Woord genoeg te hebben. Ook aangaande de kwesties van de dag. Bij alles wat hij sprak en schreef, ging Schilder uit van de volkomen betrouwbaarheid van de Heilige Schrift. Hij spreekt herhaaldelijk van een 'geloofsvooroordeel, waarin op gezag aanvaard wordt wat God openbaarde'.
Dat bleek toen de kwestie-Geelkerken in het brandpunt van de belangstelling stond. Dat cirkelde om de uitleg van de eerste drie hoofdstukken van de Bijbel. De opvattingen van dr. Geelkerken werden op de synode van Assen in 1926 afgewezen.
Schilder stelde zich achter de uitspraak van die synode. Volgens hem voerden de opvattingen van Geelkerken af van het gereformeerde denken. Schilder gaat uit van de Bijbelse leer aangaande de schepping en gelooft aan de historiciteit van het paradijs. Immers de Bijbel zelf spreekt daarvan als van een historische werkelijkheid. Datzelfde geldt ook ten aanzien van de zondeval. Wie dat ontkent zet alles op losse schroeven.
In dit verband moet opnieuw de naam genoemd worden van de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968). Diens invloed nam sterk toe, ook in Nederland.
Scherp is zijn oppositie tegen het leerbegrip van een altijd voortdurende 'schepping' Gods. Dat heeft tot gevolg dat de tijdelijke wereld, dat de menselijke geschiedenis geen 'ruimte' heeft voor het herscheppende werk van God. In dat geval blijft de werkelijke wedergeboorte en de wezenlijke verlossing altijd maar weer toekomend. In die gedachtengang is er ook geen plaats voor de opstanding van Christus als historische gebeurtenis 'die op een bepaalde kalenderdag en daarop alleen is geschied; o nee, ze is een "oerwonder"'
Wat zijn de gevolgen? Men kent niet meer uit de geschreven wet zijn ellende, maar poneert een zekere, zogenaamde ellende op grond van een filosofische constructie, die te kwader uur als 'theologie' werd aangediend. En wie de leer van de ellende ontwricht, moet ook het goud van de verlossing devalueren. Samenvattend kan Schilder betogen, dat wie in de scheppingsleer mistast die heeft èn in de leer der ellende èn die der verlossing de schriftuurlijke diepgang verhinderd, voorgoed! Consequent en met vaste overtuiging bestreed Schilder de gedachten van Barth (die hij eenmaal heeft ontmoet ten huize van prof. Eekhof te Oegstgeest). Eerst als predikant, later als hoogleraar. In zijn proefschrift heeft Schilder aangetoond hoezeer de theologie van Barth afwijkt van die van Calvijn. Ook in veel artikelen bestreed Schilder het gedachtengoed van Barth. Onder meer via de Hervormde theologen Haitjema, Miskotte en Noordmans.
Dat betrof dan niet alleen het gezag van de Heilige Schrift, maar ook de gereformeerde confessie. Die moest het in dat kamp ook ontgelden. Men brengt het in de Barthiaanse theologie niet verder dan tot respect voor de belijdenis als een document uit het verleden. Het is een respect bij voorbaat, niet eerst met het oog op de inhoud van dogma en belijdenis. Het dogma als zodanig verdient dat, ook het ketterse dogma. Niet voor een bepaalde belijdenis-inhoud, maar voor een bepaalde manier, hoedanigheid van het belijden wordt respect gevraagd. Alles komt er volgens Schilder echter maar op aan of men ter zake van de inhoud de grondlijnen van de gereformeerde belijdenis vasthoudt.
De verschillen dienden zich ook aan met betrekking tot de kerk. Dat is voor Barth de plaats waar het Woord geschiedt. Voor Schilder echter is de kerk de plaats waar Christus vergaderend bezig is tot de jongste dag. Hij doet dat door Woord en Geest. Dit vergaderen geschiedt dagelijks in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Het is het dagelijks voorwerp van Christus' gebed en de dagelijkse verhoring van het gebed.
Hervormde Kerk
Voor wat betreft de Hervormde Kerk, reageerde Schilder in een serie artikelen op uitspraken gedaan in de Pieterskerk in Leiden, waar in 1934 een bijeenkomst was belegd door de Confessionele Vereniging in de Herv. Kerk. Later zijn die artikelen uitgegeven onder de titel 'Ons aller Moeder'. In genoemde bijeenkomst had de wekroep geklonken tot de 'gescheiden broeders' om terug te keren tot de ene kerk. Schilder vraagt zich in genoemde brochure af, waar in de Hervormde Kerk de eenheid, de ene avondmaalstafel is. De avondmaalstafel die toch altijd verbonden dient te zijn aan die kansel, waarop het Woord en de ene Naam wordt verkondigd. Schilder onderschrijft de roeping om de ware eenheid te zoeken. Maar om tot één avondmaalstafel te komen, dat kan alleen waar 'het Woord van de verkondiging erkend blijft in zijn eenheid, zijn gezag, zijn zuiverheid en dat op elke plaats, waar God Zich Zijn mensen saamgebracht heeft'.
De vraag wordt opgeworpen of mensen een kerk mogen verlaten. Anders gezegd, mochten Afscheiding en Doleantie de Hervormde Kerk de rug toekeren en zich afscheiden. Schilder gaat in op de vraag van Hervormde zijde steeds gesteld: Als God de Hervormde Kerk niet verlaten heeft, mogen mensen dit dan wel doen? 'Wie mag heengaan vandaar, waar God blijft? Hetgeen God verenigd houdt (het huwelijk tussen Hem en het instituut der Herv. Kerk), dat schelde de (gescheiden) mens niet'. Maar, zo vraagt Schilder zich dan af, hoe zit het dan met de trouw van de kerk zelf? Pleegt zij geen 'overspel' inzake de Schriftbeschouwing, belijdenis, theologische opleiding enz.? 'De scheidingsdaad is niet van God uitgegaan; daarom kan men met berouw tot Hem terugkeren. Maar Hij heeft van Zijn kant acte genomen van het feit, dat de bruid harerzijds ontrouw is geworden. En waar het verbond twee 'partijen' heeft en dus 'tweezijdig' is, daar kan de liefde niet 'van één kant blijven komen'. Ze moet niet van één kant komen voor het huwelijk, in het ontstaan van het verbond. Maar ze mag ook niet van één kant komen tijdens het huwelijk in het verbond'.
Schilders verwijt aan de Hervormde Kerk is, dat men teveel uitgaat van de gegevenheid van een bepaald instituut. Hijzelf legt veel meer de nadruk op 'het onafgebroken God dienen in het vrij en onafhankelijk institueren der kerk door het ambt der gelovigen'. Dan krijgt de kerk ook weer haar moeder-functie: het baren van kinderen. Schilder ziet de verlegenheid overwonnen door de concrete gehoorzaamheid. Gehoorzaamheid institueert. Waar de Heilige Geest door het geloof de liefde werken laat, bloeit vanzelf het wetsgetrouwe instituut op. 'Laten wij dus niet langer elkander troosten (of vliegen afvangen) met het armelijke gebaar dat toch geen wezenlijkheid heeft, van 'elkander-over-de-kerkmuren-heen-de-handen-reiken'. Doch laat ons liever vandaag en morgen, maar vooral vandaag, beginnen met ieder binnen eigen kerkmuren God, de Verbondsgod, de Heere de hand te reiken... En zodra ieder die God vreest, binnen de Gereformeerde Kerken en buiten haar, zijn God weer de hand geeft en weer gehoorzaam wordt, zullen wij de eenheid krijgen, waarnaar in 1834 gesnakt is'.
Tenslotte
Er zou nog veel meer over Schilder te zeggen en te schrijven zijn. Hopelijk gebeurt dat ook. Wij echter breken hier af. Niet na vastgesteld te hebben dat Schilder hoe dan ook een man was met grote liefde tot de Heilige Schrift en de belijdenis der kerk. Hij roemde in God en prees het onfeilbaar Woord. Hij stond voor de zuiverheid van de belijdenis. Al zal de toon van zijn polemiek niet altijd de juiste zijn geweest, onvermoeibaar heeft hij gestreden om de zaak. Als geen ander heeft hij front gemaakt tegen de theologie van Barth (hij heeft het ergens over de aartsketterijen van de dialektische theologie). En het is veelzeggend dat nadat Schilder door de Geref. Kerken was geschorst en afgezet er in die kerken een klimaat is ontstaan waarin uitgerekend deze theologie triomf op triomf heeft behaald.
Schilders lijden om en strijden voor de Naam van zijn Meester, werd bepaald door zijn verlangen het gereformeerde volk waaruit hij was voortgekomen en dat hij liefhad te bewaren bij het Woord en de belijdenis der kerk. Alleen al daarom zullen ook hervormd-gereformeerden er goed aan doen zich van zijn nalatenschap rekenschap te geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's