Uit de pers
Zoeken en vinden
Wie enigszins op de hoogte is van wat er verschenen is de laatste maanden op de theologische markt, kan weten dat bovenstaand opschrift de titel is van de laatste pennevrucht van prof. dr. G.C. Berkouwer. In het Woord Vooraf schrijft dr. Berkouwer: 'Het gaat in dit boek niet om een opsomming van eigen persoonlijke gevoelens, maar om de vele anderen die ik — vaak met dankbaarheid en bewondering – trachtte te volgen op hun zoektochten, waarop zij ook — voorzichtig en bescheiden — iets wilden vertellen van die "vindenstijd" waarvan we lezen in Psalm 32'.
Tot nu toe kreeg dit boek de meeste aandacht in de vrijgemaakt Gereformeerde pers, terwijl nu ook dr. W. Aalders in Ecclesia er aandacht aan besteedt. Dat eerstgenoemden zo direct inhaakten op Berkouwers boek is wel te verstaan vanuit de gemeenschappelijke geschiedenis die 'synodalen' en 'vrijgemaakten' voor 1944 met elkaar hebben gehad. Nog verklaarbaarder wordt de belangstelling omdat Berkouwer één van de sleutelfiguren is geweest rond de schorsing van o.a. prof. dr. L Schilder. En had Berkouwer in een IKON-TV programma 'De Nazaten' niet opgeroepen te komen tot een schuldigverklaring van de zijde van de Gereformeerde Kerken (syn.) over o.a. de schorsing van prof. Schilder? In 'De Reformatie' eerder dit jaar schreef prof. J. Kamphuis een zeer bewogen en waardige bespreking over Berkouwers nieuwste boek. In het vrijgemaakt Gereformeerde kerkblad voor het Noorden stond onlangs een bespreking te lezen van de hand van prof. J. Kamphuis' zoon, prof. drs. B. Kamphuis, overgenomen uit het G.O.V.-blad Klare Klanken. Drs. B. Kamphuis gaat daarbij in op de achtergronden van het theologisch denken van Berkouwer. Eigenlijk kun je stellen dat daarin tegelijk aspecten worden aangegeven van ontwikkelingen in Berkouwers kerken, ontwikkelingen waarin hij ook zelf een centrale rol heeft gespeeld. Het komt er kort gezegd op neer dat niet de Openbaring Gods die van buiten tot ons komt beslissend gezag heeft zonder meer. De zogeheten ervaring van de mens (dat is heel wat anders dan de bevinding van het geloof die immers door de openbaring wordt opgeroepen) is medebepalend voor de weg die het geloof moet gaan. Zoeken en vinden. Waar ligt het criterium bij deze zoektocht? Daar gaat prof. drs. B. Kamphuis dan nader op in.
'De bespreking van dit boek wil ik inzetten bij de titel ervan. "Zoeken en vinden": dat duidt erop dat Berkouwer geprobeerd heeft z'n weg te vinden als theoloog, als mens. Hij is op "zoektocht" geweest. Berkouwer gebruikt die uitdrukking als hij over Schillebeeckx schrijft in hoofdstuk VII op p. 176. Dat hoofdstuk draagt dezelfde titel als het boek in zijn geheel en vervult er dus kennelijk een centrale functie in. Berkouwer spreekt in dat verband over "het feit dat in de ontmoeting met het leven, zowel in de wetenschap als in de praktijk van het leven, allerlei feiten aan het licht komen waardoor men in een crisis kan geraken t.a.v. de traditie van het christelijk geloof" (150). Wetenschappelijke ontdekkingen (denk alleen maar aan de geologie en de paleontologie), maar ook gebeurtenissen uit de praktijk van het leven (lijden en dood, gebeden die niet verhoord lijken te worden) kunnen een mens doen zoeken naar andere antwoorden dan de traditie gaf. Immers, er is een afkeer gegroeid "tegen alle autoritaire druk om te geloven en te blijven in de vertrouwde sfeer van de traditie, zonder innerlijke en existentiële overtuiging, die tot ontspanning en tot vrijheid leidt" (184). Dus zal een mens moeten zoeken naar die bevrijding gevende overtuiging.
Wat geeft nu het houvast bij die zoektocht? Hoe kun je voorkomen dat je verdwaalt? Daarover staat een zeer onthullende uitspraak op p. 428, het slot van het boek. Berkouwer spreekt dan over de duizeling die iemand kan overvallen als hij hoort over de "ontdekkingen" van de wetenschap, bv. over de miljoenen jaren die de geschiedenis van onze aarde geduurd zou hebben. Hij vervolgt dan: "... in een duizeling grijpen we naar een houvast. Men kan zulk een houvast constitueren in een oude of nieuwe theorie over de toch ook maar beperkte en feilbare wetenschap of in een theorie over de Schrift, die door de Schrift zelf wordt weerlegd. Het houvast is alleen gelegen in het begaan van een weg in eerlijkheid en authenticiteit in het geloven èn zonder vrees..." Houvast heb je volgens Berkouwer dus niet als je je van de ontdekkingen van de wetenschap afmaakt door die te relativeren, bv. door te zeggen dat het toch alleen maar hypothesen zijn. Houvast heb je ook niet door je vast te klampen "aan een theorie over de Schrift, die door de Schrift zelf wordt weerlegd". Ik zal er wel niet ver naast zijn als ik veronderstel dat Berkouwer daarmee de leer van de verbale inspiratie van de Schrift op het oog heeft. Houvast heb je alleen "in het begaan van een weg in eerlijkheid en authenticiteit in het geloven".
Is dat niet vreemd? Kan het houvast bij een zoektocht liggen in het begaan van een weg? Is dat niet zoiets als je aan jezelf vastklampen? Is dat niet de zekerste manier om te verdwalen? Of bedoelt Berkouwer misschien dat je houvast hebt als je de weg gaat die God je wijst, de weg van Gods geboden, de weg van het evangelie? Maar dan kun je toch niet zeggen dat je houvast ligt in het begáán van een weg?
Ik denk niet dat hier sprake is van een verschrijving. Hier wordt integendeel juist de achtergrond van zijn huidig theologisch denken openbaar. Willen we vinden, dan zullen we moeten zoeken. Het gaat om het vinden: "De zin van het zoeken (valt) alleen in de gerichtheid op het vinden ... te verstaan" (428). Maar gevonden wordt alleen daar waar gezocht wordt. Of anders gezegd, in een vandaag zeer geliefde terminologie: "Het van beneden wordt het van boven in zijn diepe zin verstaan" (209). Of, weer anders gezegd, de openbaring is altijd betrokken op de menselijke ervaring en kan alleen daarin landen. Zo kan Berkouwer spreken over "de ontdekking hoezeer het evangelie op de menselijke ervaring betrokken is en in geen enkel opzicht daar buiten om gaat" (413). Daarmee zitten we midden in de problematiek van de hedendaagse theologie, die voortdurend vraagt naar de ervaring, waarmee de openbaring zou moeten corresponderen (dat is iets anders dan de ervaring die door de openbaring wordt opgeroepen!).'
Zoeken en gevonden hebben
Drs. B. Kamphuis gaat nog verder in op de Schriftopvatting die in de visie van Berkouwer zo'n duidelijke rol speelt. Geen van bovenaf komend gezag, maar veelmeer een gezag dat zich via beneden realiseert.
'Het is duidelijk dat deze visie van Berkouwer onmiddellijk samenhangt met zijn kijk op het Schriftgezag. De leer van de verbale inspiratie legt ons een dwingend gezag van de letter van de Schrift op: dat is toch veel te autoritair! Vandaar dan ook dat Berkouwer nogmaals duidelijk maakt dat de Gereformeerde Kerken in Assen-1926 tegenover Geelkerken de verkeerde weg gekozen hebben. Vandaar ook dat hij alle betuigingen van zekerheid wantrouwt. We zijn "voorbij de vanzelfsprekendheid" (vgl. het woord vooraf, p. 9). Met name zijn eigen leermeester Hepp moet het daarbij ontgelden. Bij hem was het "zoeken en vinden" kennelijk overgegaan in een "zoeken en gevonden hebben" (vgl. p. 136), en daarmee zijn we weer in de heteronomie beland. Want het zoeken is wel gericht op het vinden, maar de zoektocht gaat toch altijd door, juist omdat ons houvast ligt in het begaan van die weg in eerlijkheid en authenticiteit.
Is hiermee aan het getuigenis van de Heilige Schrift recht gedaan? Berkouwer wil niet aan dat getuigenis voorbijgaan, ook in dit boek niet. Maar op dit fundamentele punt doet hij er toch beslissend aan tekort. Misschien kan ik dat het beste duidelijk maken met zijn opmerking over Thomas. Berkouwer spreekt daarover in verband met problemen in de leer over de persoon van Christus, de christologie. Daarbij moeten we, zo merkt hij terecht op, ons uitgangspunt nemen in het feit dat de gemeente naar de Schrift belijdt dat in Jezus van Nazareth de volheid van de Godheid lichamelijk woont (Kol. 2 : 9). Maar dan schrijft hij: "Dat over Hem spreken is niet begonnen met het geloven in een dogma... maar het begon met een weg van twijfel en geloven (Thomas), van ontdekkingen, verrassingen en ervaringen" (85). Daar is die weg weer, de weg van het zoeken om te vinden. Maar begon het daar werkelijk mee? Is de weg van Thomas ons ten voorbeeld gesteld? Was Thomas' twijfel voor hem de weg naar het geloof? Doorbrak de Heere niet juist met zijn verschijning aan Thomas die twijfel? Zegt de Heere dan niet bovendien: "Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven". Dat is toch wel heel iets anders dan dat in de weg van het "beneden" het "van boven" in zijn diepe zin wordt verstaan. Het is het erkennen van Gods openbaring, ook als die openbaring misschien wel haaks staat op al onze ervaringen, het is het laten beheersen van onze ervaringen door de openbaring en niet andersom, het is het zoeken vanuit het gevonden zijn door Gods openbaring en het daarom gevonden hèbben van zekerheid. Christus vond Paulus bij Damascus, terwijl Paulus op een weg was waarop hij alles deed, behalve Christus zoeken. Christus liet Paulus zijn openbaring van boven blindelings aanvaarden: Paulus werd er zelfs een tijdlang blind van! Pas daarna kwamen de ervaringen. Zijn houvast lag voortaan, net als van Thomas, niet in het begaan van een weg, maar in de openbaring van de Heere, die volstrekte zekerheid biedt.
Berkouwer heeft indertijd het Kuyperiaanse subjectivisme gemoderniseerd met behulp van zijn veelbesproken correlatiemotief. Kuyper meende bv. dat de doop een uitspraak deed over de subjectieve gesteldheid van de dopeling; Berkouwer, dat de doop in een onverbrekelijke correlatie, betrokkenheid, moest staan met het geloof van de dopeling. Dat correlatiedenken heeft zijn uitwerking gehad, tot in de relationele visie op de waarheid die in het rapport "God met ons" is uitgedragen. Nu heeft Berkouwer zelf dat correlatieve denken weer zodanig bij de tijd gebracht, dat het geheel past in het raam van de hedendaagse ervarings-theologie. In deze hele ontwikkeling is Berkouwer steeds verder van de gereformeerde confessie vervreemd. Dat is de trieste conclusie die uit dit indrukwekkende boek getrokken moet worden.'
Dr. Berkouwer besloot zijn studie 'Een halve eeuw theologie' (1974) ook al met wat hij noemde 'de correlatie tussen zoeken en vinden'. Alle theologie kent zijn beperktheid en zijn grenzen, zo stelde hij toen. Maar er kan een weg zichtbaar worden waarop het zoeken onweerstaanbaar wordt opgeroepen door een tot alle tijden uitgaand onuitputtelijk evangelie, aldus dr. Berkouwer. Is het evangelie dan niet zelf een weg daar het Jezus als de Weg aanwijst? De Schriften die van Jezus getuigen bevatten voor ons de weg. Voor altijd en voor alle tijden.
Dr. W. Aalders over Berkouwers boek
In 'Ecclesia', orgaan van de Stichting Vrienden van dr. H.F. Kohlbrugge, van 29 juni begint dr. W. Aalders een bespreking van dr. Berkouwers boek. Dr. Aalders acht het bespreken van dit boeiende boek een uitermate moeilijke zaak. Vooral omdat een belangrijk deel ervan gaat over episoden uit de recente geschiedenis van de Gereformeerde Kerken 'die een zeer dramatisch karakter hebben gehad, die diepe sporen hebben nagelaten, die gepaard zijn gegaan met veel kerkelijk en familiaal leed en dat de schrijver van dit boek er op een nadrukkelijke wijze partij in is geweest: als predikant, als synode-voorzitter, als hoogleraar'. Dr. Aalders acht dr. Berkouwer als het ware de personificatie van alles wat er zich de afgelopen jaren heeft afgespeeld in zijn kerken. In dit boek is iemand aan het woord die de verantwoordelijkheid heeft gedragen 'eerst voor de tuchtprocedures in de GK en daarna voor de steeds groter wordende verwijdering van het theologisch onderwijs aan de VU en van de Gereformeerde Confessie'.
We citeren het slot van Aalders' eerste artikel.
'Het opvallende van de wijze waarop Berkouwer over al die recente ontwikkelingen binnen de Gereformeerde Kerken schrijft, is dat hij zijn persoonlijke verantwoordelijkheid ook wel beseft en dat men hier en daar ook de indruk krijgt dat hij eronder gebukt gaat. Met name geldt dat de tucht- en afzettingsprocedure van K. Schilder. Maar toch is voor wie indertijd die kwestie van nabij als betrokkene of als buitenstaander heeft meebeleefd, de terugblik van Berkouwer teleurstellend. Wat hij erover schrijft is wel waar, maar zo weinig bewogen en geschokt. Het is of hij nauwelijks heeft beseft, hoe daardoor huwelijken, gezinnen, families gebroken zijn; nooit heeft beseft, wat het voor een ambtsdrager inhoudt om het tot een schisma in zijn gemeente te zien komen. En is dat misschien niet de grote fout van heel de kerkelijke en theologische ontwikkeling geweest in de dolerende kerken, dat die gekenmerkt is geweest door een hypertrofie (overontwikkeling) van het verstand en door een onderontwikkeld hart? Gereformeerden staan erom bekend, dat zij vanaf de knapenvereniging en jongelingsvereniging hebben geleerd om het woord te voeren, om mondig te zijn. Ze kunnen zich daarom in het kerkelijke, maatschappelijke en politieke leven terdege laten gelden. Maar waar het hun sinds de dagen van Kuyper en de Doleantie schromelijk aan ontbreekt is fijnheid van geest. "De eenvoudige gereformeerde vaders van vroeger hebben knappe zonen, knappe koppen voortgebracht" (J.C. Sikkel), die thuis zijn in politieke praktijken. Daarom is het er in kerkelijke conflicten zo harteloos, zo gevoelloos aan toegegaan. Ik kan niet aannemen dat zulks aan Berkouwer onbekend is, al heeft hij in de hitte van de strijd aan de veilige en triomferende kant gestaan. Maar er openlijk voor uitkomen dat men toen op een goddeloze manier met elkaar is omgegaan en over harten en zielen met klompen heeft heengelopen, het komt niet dan heel aarzelend, heel verhuld, heel terloops uit zijn pen. Zouden (om het eens oudtestamentisch te zeggen) zijn ogen ooit weleens van berouw en schuldgevoel met bittere tranen gevuld zijn? Heeft hij als theoloog van formaat niet ook een overontwikkeld verstand en daardoor een onvermogen om te voelen, wat mede onder zijn leiding een geestelijke schade en verwoesting binnen de gemeente is aangericht? De wijze waarop hij over al deze dramatische gebeurtenissen schrijft, roept daarover grote twijfel bij mij op. Ik durf dat zeggen, omdat ik over dit boek met een aantal vrienden zowel uit de Gereformeerde Kerken als uit de Vrijgemaakte Kerken gesprekken heb gevoerd en zij mij nog eens vertelden, hoe alles zich had afgespeeld en met wat een stortvloed van vrome, schijnheilige woorden predikanten, ouderlingen en diakenen werden geschorst en afgezet. De emotie erover was na zovele jaren nog duidelijk van hun gezichten af te lezen. Zou het niet vanzelfsprekend geweest zijn, dat in deze terugblik op zulk een smadelijke en smartelijke periode iets doorgeklonken had van schaamte over het feit dat in de Kerk zo iets mogelijk is geweest en van meegevoel met degenen die er het slachtoffer van zijn geweest? Echte smart verjaart niet. Echte schuld ook niet.
Woorden die niet mis te verstaan zijn. Dezer dagen nam ik in een verzorgingshuis in mijn gemeente afscheid van een aantal oudere gemeenteleden. Eén van hen zei: 'Gods zegen in uw nieuwe gemeente. Mijn grootvader zei indertijd toen in Kootwijk mede de Doleantie begon: Wat zal er over honderd jaar nog van over zijn? Het kon weleens voor een groot deel puur remonstrantisme zijn. Want het is een werk door de mens begonnen'. Het gaf me veel te denken. Ook na het bezig zijn met het boek 'Zoeken en vinden'. Ik schrijf dit met vingers tegelijk naar mezelf gericht. Want wie meent te staan... Een wonder toch dat er nog altijd een kerk in Nederland is!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's