Goedharts prediking was veelzijdig
Doorleefd onderwijs (2)
Bevinding
Hoewel hij het woord 'bevinding' vrijwel nooit in zijn prediking gebruikte, was zijn prediking doortrokken van de geloofsbevinding der Schriften. Hij hield er ook eenmaal een bijbellezing over n.a.v. Psalm 46 vers 2 'Hij is krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheden'. Met klem wijst hij op de noodzaak van de bevinding. 'Voor wie op ernstige wijze zijn godsdienstige leven inricht, staat het door alle tijden heen vast: buiten een inwendige ervaring kunnen wij niet! Bevinding is noodzakelijk. Als de Bijbel ons oproept tot bekering en geloof, vereist dat een orgaan in de mens, dat de waarheid erkent. We hebben behoefte aan het getuigenis van de Heilige Geest in ons hart, waardoor, zoals Luther zegt, men innerlijk bevindt, dat de Schrift de waarheid is... Daarom mogen wij dankbaar zijn voor de reaktie, die in het kerkelijk leven telkens weer tegenover vormendienst en versteende orthodoxie, opgeroepen heeft tot beleving van de aanvaarde waarheid. Wij hebben hierin te zien een werk van Gods Geest, die de kerk niet aan verstandelijke geloofsaanvaarding overgeeft en doet te gronde gaan... Maar des te verontrustender is het, dat de echte bevinding in onze dagen zo schaars geworden is. Juist daar, waar men zich beroemt de zuivere leer te hebben, dreigt het gevaar dat de bevinding, misschien met de mond hoog geroemd, op de achtergrond raakt. Het gemis aan echte bevinding wil men in vele kringen heden ten dage wegwerken door aan het woord bevinding een andere inhoud te geven... Echte bevinding is de ervaring van de levende God in Christus'. Ondanks de grote waarde en de noodzaak van de bevinding wees hij ook op de gevaren. 'Het gebeurt zo licht, dat men gaat steunen op zijn innerlijke ervaring. In plaats van in nood op de Heere te leunen, ontleent men zijn vastigheid aan het vroeger ervarene. Ook komt het voor, dat iemand het bijzondere van zijn eigen ervaring gaat roemen. Men komt niet uitgepraat over eigen zieletoestanden, terwijl de lof van de Koning der Kerk ternauwernood meer wordt gehoord. Het is alsof de bruid alleen maar oog heeft voor de geschenken van de Bruidegom, maar Zijn Persoon en liefde uit het oog verloren heeft.'
Het gaat niet om het woord 'bevinding'. Dat wordt vaak te pas en te onpas gebezigd. Het gaat om de zaak van de geloofsbevinding in het persoonlijke leven en in de prediking van het Woord. Dan kunnen we spreken over een doorleefde prediking d.i. een prediking waarin je merkt dat de prediker innerlijk kent wat gekend moet worden op weg naar de eeuwigheid: de liefde Gods, de verlossing in Christus en de leiding van de Heilige Geest.
Veelzijdig
Je zou zijn prediking kunnen omschrijven als een veelzijdige prediking van het eenzijdige werk van God. Er werden geen platgetreden paden bewandeld. Zelfs al werd er jaren achtereen over zondag 7 van de Heidelberger gepreekt, dan nog was elke preek anders. Opvallend was ook, dat in doopdiensten altijd over een facet van de doop werd gepreekt; bij voorbereidingspreken voor het Heilig Avondmaal ging het ook over de voorbereiding op het Heilig Avondmaal, zowel in afmanende als in opwekkende zin. Hoewel zijn prediking niet overheerst werd door de dogmatiek, kwam hij bij gelegenheid sterk op voor de dogmata van de kerk. Zo b.v. in een Pinksterpreek over de Heilige Geest n.a.v. Handelingen 2 : 4a, waarin de Persoon van de Heilige Geest werd belicht vanuit de Schrift tegenover de dwalingen van Arius en van de Jehovagetuigen. In diezelfde preek ging het echter ook over de verhouding van de Heilige Geest tot onze geest en de betekenis van de Heilige Geest voor het werk der zending. In een hemelvaartspreek over Johannes 14 : 2 gaat het over Zijn vertrek naar de hemel als Koning, Zijn arbeid in de hemel als Priester en Zijn spreken over de hemel als Profeet. In dat laatste verband heeft hij het over het plaatsbereiden door Jezus in de hemel, maar ook over het persoonlijke voorbereiden op de zaligheid!
Het persoonlijke element ontbrak eigenlijk nooit. Veel nadruk werd altijd gelegd op persoonlijke bekering en persoonlijk geloof, maar ook op de vruchten daarvan in het leven van alle dag. Leer en leven gaan altijd samen.
Hoewel dat persoonlijke in leer en leven veel aandacht kreeg, ging dat toch niet ten koste van de bredere verbanden van het leven. Ook het maatschappelijke en politieke leven kwam — wanneer dat vanuit de tekst kon — aan de orde. Hij probeerde in zijn prediking iets mee te geven aan mensen, die staan en werken in deze wereld. Gods Woord heeft immers ook te maken met het 'gewone leven'.
De matheid van de kerk
Zowel in zijn prediking als in persoonlijke gesprekken kwamen zijn zorgen over de matheid en dorheid van de kerk nogal eens tot uitdrukking. Hij zag als één van de voornaamste oorzaken van het verval van de kerk het loslaten van de Heilige Schrift. Dat gebeurde niet alleen door de invloed van de moderne wetenschap, maar ook wel door een beroep op 'de ouden'. 'Toen het persoonlijk geloof in de kerk verzwakte kon het gezag van Gods Woord worden losgelaten. Zodra de rampzalige onderscheiding tussen wezen en welwezen van het geloof voerde tot het erkennen van een soort 'geloof zonder zekerheid en vertrouwen, moest daarop volgen een loslaten van het geschreven Woord Gods, dat zulk een onderscheiding niet leert.' Een ander ziekteverschijnsel van de kerk is, naar zijn oordeel, het gebrek aan het goed functioneren der sacramenten. Erger dan het gebrek aan tuchtoefening acht hij het gebrek aan een geloofshouding ten opzichte van het sacrament. In zijn boekje 'Vragen rondom het geloof' wijst hij vooral op het Heilig Avondmaal. 'In de voorbereidingsprediking gaan velen een andere weg dan die welke in het formulier wordt aangewezen. In plaats van geloof in een vergevend God om Christuswil wordt gevraagd een begeerte daarnaar. Zo gaat de kracht van het sacrament verloren. Het blijft niet een door Christus ingesteld middel tot versterking van het geloof, maar het wordt een middel om tot dat geloof te komen.'
Voorts wijst hij op de wereldgelijkvormigheid. Deze is er ook onder de gereformeerden. Het gedrag van velen verwereldlijkt. Als oorzaak zag hij het niet of niet recht beleven van de rechtvaardiging van de zondaar voor God uit louter genade. Waar dit miskend wordt of niet noodzakelijk wordt geacht, raakt men onherroepelijk de heiliging kwijt. Rechtvaardiging en heiliging zijn immers onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Ook gebrek aan enthousiasme (in God zijn) en gefundeerde kennis werden als oorzaken gezien van de matheid in de kerk.
Als enige weg tot genezing zag hij verootmoediging voor en terugkeer tot God. En waar de Schrift reeds is losgelaten een terugkeer tot de Schrift. Tot de Wet en tot de Getuigenis!
Dode traditie en levend geloof
Dr. Goedhart was een man van de traditie d.w.z. van het overgeleverde geloof. Een Calvinist in hart en nieren, met respekt schrijvend en sprekend over de mannen van de nadere reformatie, maar altijd hun uitspraken toetsend aan de Schrift. Daarom kon hij weleens zeggen: het was een godvruchtig man, maar daarin dwaalde hij toch!
Typisch Calvijns had hij echter een open oog voor het feit, dat de Kerk groter is dan alleen Nederland. Was dat toch altijd de zendingsman in hem? Later in Kenia heeft hij het zendingswerk aan het St. Paul's College in Kenia mogen ondersteunen met zijn theologische arbeid aldaar. In zijn brieven schreef hij mij daarover. Soms heel dankbaar dat hij iets van het geloof proefde in de harten van studenten, dan weer verontrust over onbijbelse voorstellingen die leefden. Man van de traditie — ook in de grote stad — herkenbaar als predikant, soms zoekend naar nieuwe vormen, maar altijd de wacht betrekkend bij het Goddelijke Woord. Het gezag van de Schrift ging hem boven alles. In 'De religie van het belijden' heeft hij ons een indrukwekkend getuigenis nagelaten over de Schrift. Ik citeer:
'Voor de intellectuele twijfel waarmee een kritisch-denkend christen soms wordt besprongen, kunnen intellectuele 'bewijzen' enigszins helpen. Maar voor de existentiële twijfel, die het innerlijke leven van de christen ontredderen kan, helpt niets anders dan de lierlevende invloed van de Heilige Geest. Die doet ons de stem van God opnieuw herkennen. Door de Heilige Geest gesterkt, roept de christen als hij de Bijbel leest, triomfantelijk uit: dit is de stem van God, die in het verleden tot mij sprak, mijn leven vernieuwde en mij onder Zijn kinderen plaatste. Een intellectuele "verdediging" van Gods Woord zal van weinig nut zijn voor de kerk. Dit geldt bovenal, wanneer dan zulk een "verdediging" de liefde ontbreekt, die uit de ontmoeting met God is geboren... Laat de predikanten liever prediken dat wie God heeft ontmoet. Zijn stem herkent in de Heilige Schrift...'
Een ongelovige benadering van de Heilige Schrift, zo kon hij zeggen, is dodelijk voor de kerk; het is bederven van het zaad waaruit zij geboren is.
Man van de traditie, maar wars van de dode traditie en dode vormendienst. Wie het bij het oude wilde houden, omdat het oud is, vond in hem een geducht tegenstander, evenals degenen die het nieuwe mooi vonden omdat het nieuw was. Het ging hem niet om oud of nieuw, maar om waarheid. Vorm zonder inhoud sterft, vorm met inhoud leeft. Het gaat om levend geloof, dan is de vorm van ondergeschikte betekenis. In dat geloof heeft hij geleefd, dat geloof heeft hij gepredikt en in dat geloof is hij gestorven. In dat geloof waren wij aan zijn prediking verbonden en enigszins ook aan zijn persoon.
Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord Gods hebben gesproken, en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst van hun wandel.
Doorleefd onderwijs... nu
Wij leven volgens velen in een tijd van Godsverduistering. Zulke tijden zijn er wel meer geweest. Maar misschien is het nu nog wel erger. Geen zicht op God. G. Boer schreef: 'De nood van ons en onze gemeenten is — dacht ik — niet het vooropstellen van het gevoel, maar — waar geen levend geloof is — de verglazing, de bevriezing, de dode orthodoxie. Zolang wij leven zonder God — al willen we orthodox zijn in het kwadraat — zoeken wij in ons klimaat eigen vormen van de dood. Daartegen helpt niet een verlegging van de accenten, al zal dat tijdelijk weleens nodig zijn, maar alleen de levende bediening van het Woord Gods.' (Op het scherp van de snede, 127).
Boer schreef dat voor en aan onze gemeenten, maar naar ik lees en hoor geldt deze nood de gehele kerk, ook de kerken van de afscheiding. Waar men deze situatie nog enigszins ernstig neemt, overheerst de klacht dat het Geesteswerk ontbreekt. Het constateren daarvan is echter niet genoeg. Evenmin trouwens de conclusie dat de Geest geweken is, waardoor heimelijk de schuld op Gods Geest gelegd wordt. We zullen het veel meer moeten zoeken in het bedroeven en uitblussen van de Geest. We zullen de oorzaak moeten zoeken in onszelf en in onze prediking. We kunnen ook door onze overigens rechtzinnige prediking de Geest blokkeren en tegenstaan. We kunnen Hem verhinderen te werken, omdat wij de mens — de vrome mens — prediken, omdat wij de mens overkleden in plaats van ontkleden, omdat wij de systematiek prediken in plaats van dat wij het Woord in haar eisen en beloften aan de harten der mensen leggen met bevel van geloof en bekering. Paulus vermaande onder tranen de gemeenten. Hij kende de schrik des Heeren en de liefde van Christus. Daardoor werd hij aangevuurd om de mensen te bewegen tot het geloof. Een prediker behoort een vriend te zijn van de Bruidegom om zielen te winnen voor Christus.
Als McCheyne enige tijd niet hoorde van vruchten op zijn prediking, boog hij zijn knieën en smeekte de werking van Gods Geest af. En niet òm, maar òp zijn gebed deed de Heere wonderen.
Wat wij nodig hebben is diepe afhankelijkheid van de Heere en Zijn Geest en opening van het Woord, want niet onze goede preken doen het maar de Geest door en met het Woord. Tot op de dag van vandaag. Ook nu nog worden jongeren en ouderen stilgezet op de weg van God vandaan, ook nu nog raken mensen verslagen in hun hart, ook nu nog rechtvaardigen mensen God en worden door Hem gerechtvaardigd, ook nu nog worden Gods kinderen in het geloof onderwezen.
Veni Creator Spiritus — Kom, Schepper Geest — doorwaai de predikers opdat zij doorleefd mogen getuigen van de enige Hoop in leven en in sterven. Doorwaai de gemeenten, opdat in het dal der doodsbeenderen leven kome.
Leven door de Geest naar het Woord. Dat geeft zicht in Christus op God. En daar krijgt Hij de eer van zijn eigen werk.
Al ons doen en laten, al ons ijveren, al ons organiseren helpt niets, als de Geest Gods niet in de raderen is.
Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, spreekt de Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's