De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Erasmus van Rotterdam (3)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Erasmus van Rotterdam (3)

7 minuten leestijd

Luther en de onvrije wil
Luther verweet Erasmus doorlopend in zijn hele betoog over 'de knechtelijke wil', dat Erasmus aan de vrijheid van de wil niet zo heel veel wilde toeschrijven, maar dat dit er eigenlijk wèl van kwam in de praktische uitwerking. Dit bracht Luther ertoe om precies de tegengestelde kant op te gaan: de mens heeft geen vrije wil, zelfs niet een beetje, maar zijn wil is geheel en al onvrij. De menselijke wil vergelijkt hij dan met een rijdier: 'Zo God erop zit, hij wil en gaat, waarheen God wil... Maar zo de satan daarop komt te zitten, hij wil en gaat waar de satan wil...'
Luther nam het Erasmus kwalijk, dat deze de 'praedestinatie-teksten' in Rom. 9 (Jakob en Ezau) ontkrachtte door te stellen, dat de profeten, waaruit Paulus hier citeert, eigenlijk iets anders bedoelen dan wat Paulus wil zeggen. Luther wenste ook in deze Schrift met Schrift te vergelijken, en wees deze 'Schriftkritiek' van Erasmus ten stelligste af
Niet het verstand, maar het geloof heeft 'vat' ook op deze Schriftplaatsen. 'Zo ik dan enigszins kon begrijpen, hoe deze God barmhartig en rechtvaardig is... zo was er geen geloof nodig. Maar terwijl het nu niet kan worden verstaan en begrepen, zo wordt daar plaats gemaakt om geloof te oefenen, terwijl zulks gepredikt en openbaar gemaakt wordt. Wanneer God doodt, zo wordt het geloof des levens in de dood beoefend.'
De goede werken behouden van begin tot eind het genade-karakter, als vruchten van het geloof. Op geen enkele wijze hebben zij een verdienstelijkheidskarakter.
Maar waar blijft dan de menselijke verantwoordelijkheid?!
In ieder geval niet daar, waar Erasmus haar meende te moeten localiseren en waar hij haar meende te moeten laten functioneren.
Erasmus had vele teksten uit Oude en Nieuwe Testament geciteerd, waar de mens wordt opgeroepen zich te bekeren, te bidden. God te zoeken, het Evangelie aan te nemen, tot Christus te gaan... enz.
Welnu, zei Erasmus, dan moet de mens daartoe ook enigermate in staat zijn, anders zou dit appèl tevergeefs zijn of God zou met de mens spotten. De verantwoordelijkheid van de mens krijgt nu — volgens Erasmus — hierin gestalte, dat hij op deze Bijbelse oproep ingaat, waarna Gods genade hem te hulp zou komen.
Luther verweet Erasmus, dat hij nu eigenlijk bij Pelagius was terechtgekomen. Had Erasmus dan niet óók gezegd, dat Gods genade toch eigenlijk voorafging aan de goede werken?!
En dan verwijt Luther Erasmus dat hij bij al deze 'appèl-teksten' Wet en Evangelie met elkaar vermengt en verwart.
Bij alle oproepen tot bekering, tot geloof, tot bidden, tot het kiezen en doen van het goede, is daar tegelijk de Wet, die de mens zijn onmacht en onwil en schuld en dood toont, en dan is daar ook het Evangelie, die de dode, schuldige, onwillige en onmachtige mens Christus en Zijn genade geeft. Daar wordt de verantwoordelijkheid van de mens geprofeteerd — profetisch uitgezegd — in het spanningsveld van dood en leven.
Wie hier en nu niet gelooft, moet wel een verworpene zijn!
Wie hier en nu gelooft, moet wel een verkorene zijn!
Erasmus verstond de praedestinatie-leer niet, en daarom poneerde hij de verantwoordelijkheid van de mens op een onbijbelse wijze: 'U blijft hier op aarde kruipen, en wilt alles met Uw vernuft en verstand beoordelen. Maar bedenk. Erasmus, dat het geen kinderlijke of menselijke dingen zijn, hetgeen dat God werkt; maar dat het Goddelijke zaken zijn, die des mensen vernuft en begrip te boven gaan.'
De leer van de genade wordt kruiselings geopenbaard, verstaan en beleefd: 'Zo doet God in Zijn werken, want als Hij ons levend wil maken, zo doodt Hij ons; als Hij ons wil rechtvaardigen, zo maakt Hij ons tot onrechtvaardigen, dat is: Hij doet ons onze onrechtvaardigheid zien en voelen. Als Hij ons ten hemel wil voeren, zo stoot Hij ons eerst in de hel...'
Luther verweet Erasmus, dat diens leer van de vrije wil, en navenante leer van de verantwoordelijkheid van de mens, terugvoerde naar de Wet, en in wezen wettisch bepaald was. En dan was het Evangelie weg!
Juist ter wille van het volle Evangelie leerde Luther de onvrijheid van de wil. En de Wet is er thans terwille van het Evangelie! Immers: 'God heeft de verootmoedigden, dat zijn degenen, die hun zonden bekennen en wanhopen aan hun eigen zaligheid, de genade beloofd. En nu kan niemand terecht verootmoedigd worden, tenzij dat hij zeker weet, dat zijn zaligheid geheel buiten zijn eigen kracht is en buiten zijn vermogen, raad, wil en werking, maar geheel hangt aan eens anders willekeur, raad, wil, en werking, namelijk aan die van God alleen. Want zo lang iemand zichzelf wijsmaakt, dat hij het minste tot zijn zaligheid kan doen, zo blijft hij vertrouwen op zichzelf en zijn eigen krachten, hij mistrouwt niet aan zijn eigen zaligheid te werken, daarom wordt hij voor God niet verootmoedigd, maar hij stelt zich zelf voor of hij hoopt ten minste door enige plaats, tijd of werk tot de zaligheid te komen. Maar hij, die niet twijfelt of het hangt alles aan de genade van God, deze twijfelt geheel aan zichzelf…
Om der uitverkorenen wil. Erasmus, moeten deze dingen gepredikt worden, opdat zij op deze wijze verootmoedigd en vernietigd zijnde, zalig zouden worden.'

Erasmus of Luther

Erasmus òf Luther — vrije wil òf onvrije wil — wet òf evangelie — dood òf leven. Daartussen is geen verzoening mogelijk, want hier is in het Goddelijk geding: verzoening door voldoening door Christus alleen, door genade alleen, door geloof alleen. En niet door het redenerend verstand. Erasmus! maar door de Schriften alleen worden we hier wijs tot zaligheid. Bij Erasmus gaat dan ook de rechtvaardiging van de goddeloze teloor, en in feite gaat het bij hem om de rechtvaardiging van de vrome.
Erasmus heeft duidelijk van Luthers rechtvaardigingsleer een lijdelijkheidscaricatuur voor ogen gehad. Ten onrechte! Luther stelde de verantwoordelijkheid van de mens niet in de vrije wil, maar in de geopenbaarde wil van God tot zaligheid.
Maar Erasmus sprak toch ook over 'voorkomende genade'? — genade, die voorafging aan de goede werken, omdat deze genade de onvrije wil — vanuit de zondeval in Adam — eerst vrijmaakte?!
Jawel, maar deze 'voorkomende genade' was dan wel de Roomse sacramentele genade — een genade, die automatisch werkt via de sacramenten!
En daar is dan de adder onder het gras ofwel de oude slang uit het Paradijs — ook vandaag! — in een variant op: 'Is het ook, dat God gezegd heeft…?'
U bent gedoopt, en daarom moet u pleiten, bidden, zoeken, u bekeren, en dan zal God daarin meekomen, u tegemoetkomen! En niet te veel preken of spreken over de verkiezing, want dat geeft maar verwarring!
En daar is Erasmus dan opnieuw in levenden lijve!
'Bidt en u zal gegeven worden' — 'Zoekt en gij zult vinden' — ja! opdat we in onze dood en verlorenheid, schuld en opstandigheid, léven door het Evangelie alleen, door genade alleen, door geloof alleen!
En dan is daar Luther opnieuw, even actueel als destijds, in het krachtenveld van de profetie: 'Alzo spreekt de Heere…!'
En de 'lijdelijkheid' dan? Wel, die wordt niet opgeheven door een onbijbels gedachte en gebrachte menselijke verantwoordelijkheid, integendeel, die laat de 'lijdelijkheid' lijdelijk aan zich voorbijgaan. Maar de 'lijdelijkheid' wordt merkwaardig actief, wanneer ze gebracht wordt onder de hoogspanning van Woord en Geest. Dan kan de 'lijdelijkheid' nl. maar twee kanten uit: vóór of tégen Christus!
Luther ontving ten tijde van de Reformatie de gave der profetie opnieuw en nieuw. Daarvoor had Erasmus geen oog en geen hart. Erasmus wenste te filosoferen in plaats van te profeteren.
Als de gave der profetie stolt in een redenerende rechtzinnigheid en vervolgens in een filosoferende vrijzinnigheid, dan zijn we terug bij Erasmus. En Erasmus zoog de kerk van binnen uit leeg! Want de ene, heilige, katholieke (algemene), christelijke kerk, leeft bij de gratie van de profetie! Dat wil die kleine Erasmus — vlak voor die grote lege Laurenskerk in Rotterdam — eigenlijk maar zeggen. Al weet hij niet goed wat hij zegt, want bij nader toezien en inzien blijkt deze fijnbesneden humanist dan toch maar van klinkend metaal te zijn en daarmee aan het eind van zijn Latijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Erasmus van Rotterdam (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's