De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Drie maanden na de Open Brief. Welke vernieuwing bedoelen we?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Drie maanden na de Open Brief. Welke vernieuwing bedoelen we?

15 minuten leestijd

Na verschillende besprekingen in het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond kwam het het dagelijks bestuur gewenst voor dat ondergetekende nog een nabeschouwing zou wijden aan datgene wat de afgelopen tijd aan de orde is geweest. Ook bijgaand artikel wil een bijdrage zijn voor het gesprek onder ons over wezenlijke zaken.

Niemand behoeft dunkt me nog enige informatie omtrent de Open Brief, die negen hervormd gereformeerden (goeddeels predikanten) in de week vóór Pinksteren — al weer drie maanden geleden — zonden aan hervormd gereformeerde kerkeraden. De brief voerde een pleidooi voor vernieuwing, die ook in hervormd gereformeerde gemeenten broodnodig was en keerde zich met name tegen conservatisme in kerkeraden en gemeenten.
De opstellers van de brief hebben evenwel dunkt me niet kunnen vermoeden hoeveel stof deze brief zou doen opwaaien, maar ook hoeveel verwarring erdoor zou worden gesticht in eigen gelederen. Effecten kan men nu eenmaal moeilijk van te voren inschatten. Maar het kan niet worden ontkend, dat de briefschrijvers in bepaalde gevallen het tegengestelde opriepen van wat ze in feite bedoelden.

Op een rij
Ik zet allereerst even op een rij wat er na de verschijning van de Open Brief zoal is geschied. Uiteraard maken de dagbladen zich direct meester van een dergelijk stuk. Het riskante daarbij is altijd dat dan vertékeningen optreden, omdat krantenberichten samenvattingen, selecties zijn. De één pakt dan dit en de ander weer wat anders, al naar gelang eigen voorkeuren van de journalisten. Zij kunnen zorgvuldig opgestelde stukken nu eenmaal 'maken en breken'. Naar mijn overtuiging hebben het Reformatorisch Dagblad en het Nederlands Dagblad globaal genomen ruim en evenwichtig aandacht gegeven aan de zaak, die ter tafel lag. Het Dagblad Trouw heeft de zaak echter volstrekt scheef getrokken. Direct na verschijning van de Open Brief heeft men twee van de ondertekenaars (ds. C.G. Geluk en drs. H. de Leede) breed geïnterviewd — volgens het R.D. hebben zij in een vraaggesprek met déze krant niet bewilligd —, waarbij mijns inziens de bedoeling van de brief eerder werd versluierd dan verduidelijkt. Náást dit interview werd in enkele regels het uitvoerige artikel, dat door schrijver dezes in De Waarheidsvriend (14 juni) werd geplaatst, gesimplificeerd weergegeven. Van dit artikel werd namelijk slechts gemeld, dat ondergetekende van mening was dat de Open Brief niet diep genoeg spitte. Over de inhoudelijke kant van het betreffende artikel werd verder met geen woord gerept. Gevolg van één en ander was, dat kerkelijke scribenten de caricatuur, die hierdoor ontstond, completeerden. In correspondenties bleek dat men in de oordeelsvorming alleen was afgegaan op wat Trouw had doorgegeven.


In het Reformatorisch Dagblad werd intussen uit de mond van de voorzitter van de Gereformeerde Bond opgetekend, dat het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond het artikel van ondergetekende een adequaat antwoord achtte. Dat is juist. Op de vergadering van het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond, waar uitvoerig over de Open Brief werd gesproken, is dat duidelijk verwoord. Daarom had het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond geen behoefte aan een publieke verklaring over één en ander. Dat zou overigens net zo zwaarwegend zijn geweest als de (gelaakte) vorm van een Open Brief.
Als ik verder in alle eerlijkheid, objectief weergeef hoe gereageerd is op mijn artikel, geplaatst onder de titel 'Zorg om de overdracht', dan schets ik het volgende beeld. Men duide het mij niet euvel als ik hier neerschrijf, dat ik een ongekend grote stroom aan instemmende reacties op mijn artikel ontving. Er kwamen ook enkele kritische brieven. Er waren ook enkele bittere reacties. Het artikel van mijn hand zou — zo meenden sommigen — het gesprek over de kwestie, waarom het de briefschrijvers ging, in de kerkeraden hebben geblokkeerd. Welnu, dat is het laatste wat mijn bedoeling was. Men kan dat ook niet uit het betreffende artikel opmaken. Daarvoor is ook duidelijk genoeg 'het gelijk' van aspecten van de Open Brief onderstreept en tot bespreking opgeroepen. Ik wil daar nog wel aan toevoegen dat ik stromend water prefereer boven stilstaand water, omdat stilstaand water nu eenmaal tenslotte een modderpoel wordt. Dingen zijn nu uitgesproken en in discussie. Dat er ingrijpende verschillen onder ons aan de dag treden wast het water van de zee niet weg.
Wat ik erover geschreven heb, heb ik in overtuiging des harten geschreven. Daarvan neem ik geen woord terug en daaraan heb ik weinig toe te voegen. De zaken, waarom het ons als hervormd-gereformeerden, in de eigen traditie waarin we staan, zal hebben te gaan, dienen hoognodig (op)nièuw doordacht te worden. Dat ds. C. van de Bergh in het blad Kerk (een nieuw blad 'met informatie uit kerk en wereld') ten aanzien van de Open Brief de uitdrukking 'erg eenzijdig, onrijp en ondoor dacht' heeft gebezigd, slaat meer op de gebezigde methóde van een Open Brief en de wijze, waarop het geheel is gepresenteerd, dan dat hij de bedoeling zou hebben om doordenking van de inhoud van zaken, die onder ons in het geding zijn, te blokkeren. Ook een dergelijke uitdrukking ging intussen al een eigen leven leiden in de pers. Het zou bijvoorbeeld ds. L. de Liefde sieren als hij in Woord en Dienst terugkwam op misplaatste opmerkingen in een artikel, dat hij nu schreef, na mijns inziens oppervlakkige kennisname van wat is gezegd en geschreven.

Kerkelijke pers
Tenslotte zij ter inleiding nog opgemerkt, dat in de kerkelijke pers van de vrijgemaakt gereformeerden, met name in De Reformatie, uitvoerig aandacht is gegeven aan de zaak, die onder ons aan de orde is. Prof. dr. C. Trimp en prof. J. Kamphuis gingen er uitvoerig op in. Zij zelf herkenden in elementen van de Open Brief ook hun zaak, namelijk als het ging om de gevolgen van de secularisatie voor het gemeentelijke leven. Ze plaatsten intussen kritische kanttekeningen bij de brief, vooral met betrekking tot (hoe kan het ook anders) de kerkelijke kwestie. Evenwel spraken zij de teleurstelling uit, dat onzerzijds kennelijk een eerlijk gesprek uit de weg werd gegaan. Zij plaatsen zich aan de kant van de briefschrijvers, waar die zich keerden tegen conservatisme in kerkeraden — door ons als eenzijdige kritiek getypeerd — maar spraken dan wèl ook, tenminste prof. Kamphuis deed dat, over het 'grote conservatisme' onder ons. Kamphuis bedoelt daarmee, dat hervormd gereformeerden in een kerk blijven die hij 'niet-te-reformeren' noemt: 'zou een niet-te-reformeren kerkelijk instituut geen wijd open deur zijn voor secularisatie?'. Zolang dat grote conservatisme onkritisch wordt geaccepteerd, zal de strijd tegen 'klein conservatisme', aldus Kamphuis, weinig wezenlijk resultaat hebben. Het ontgaat mij dan hoe bij nìèt-aanvaarden van dat 'groot conservatisme' de secularisatie op zich toch een open deur kan hebben bij kennelijk ook de vrijgemaakt gereformeerden.
Maar goed, prof. Kamphuis plaatst zich met de briefschrijvers aan de kant van diegenen, die protesteren tegen 'een taalgebruik dat archaïsch zou móéten zijn ("tale Kanaans!"), omdat het tot de gedragscode behoort van het vrome volk' (typering van Kamphuis zelf).

Ik denk dat ik tot hier voldoende, hoewel globaal, heb weergegeven enkele wezenlijke elementen, die na de Open Brief aan de orde zijn geweest. Drie maanden na de Open Brief wil ik nog een poging wagen te verwoorden waaròm de Open Brief mijns inziens in eigen kring eerder verwarringstichtend dan opbouwend heeft gewerkt.

Vernieuwing
De kwestie zit 'm, dunkt me, in de door de briefschrijvers bepleitte vernieuwing. Zèlfs en óók waar ze die vernieuwing hebben bepleit of verlangd vanuit de Heilige Geest heeft één en ander meer vragen opgeroepen dan beantwoord. Wie zou niet verlangen naar een wezenlijke vernieuwing door de Heilige Geest! Maar wèlke vernieuwing (hóé vernieuwing?) bedoelen we?


We leven in een tijd, waarin vemieuwing een modewoord is. Er kan geen nieuw kabinet aantreden of er zal 'nieuw beleid' worden gemaakt. Het gaat telkens weer om een nieuwe samenleving. In de jaren zestig heette dat permanente verandering, die door velen zelfs werd ingevuld als permanente revolutie. Onze moderne tijd is gekenmerkt door voortdurende drang naar verandering. Welnu, ook de kerken hebben daarvan de weerslag ondervonden. Ook in de kerken is telkens weer vernieuwing bepleit. Met name de Gereformeerde Kerken hebben voorop gelopen als het ging om vernieuwing in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Dat lag opgesloten in het dynamisch karakter, dat de Gereformeerde kerken eigen is. Wat dit betreft, is de Hervormde Kerk, als het erop aankomt, 'conservatiever' (ik bedoel dit niet in geestelijk positief opzicht maar gewoon als institutair lichaam). Maar intussen zijn de Gereformeerde Kerken als gereforméérde kerken aan de vernieuwing ten onder gegaan. Al vernieuwend hebben de Gereformeerde Kerken zich grosso modo ontdaan van hun confessionele bagage. In concreto: ze zijn met de belijdenis op gespannen voet komen te staan. Vernieuwing betekende een zódanige aanpassing aan de (vragen van de) moderne tijd, dat met het kind het badwater van de zestiende eeuwse belijdenisgeschriften, als niet meer terzake voor onze tijd, werd weggeworpen.

Niet ingevuld
Welnu, de schrijvers van de Open Brief hebben het begrip vernieuwing, waarvoor zij pleiten, niet wezenlijk ingevuld. Dat betekent dat ieder er een èìgen invulling aan gaat geven. Het is opmerkelijk, dat de Open Brief zo bijval kreeg vanuit — laat ik maar grosso modo zeggen — het midden van de Hervormde Kerk en vanuit de Gereformeerde Kerken (b.v. in Evangelisch Commentaar door prof. dr. K.A. Schippers). Eindelijk uit onverwachte (en 'onverdachte') hoek, namelijk die altijd zo conservatieve Gereformeerde Bond, een roep om vernieuwing. Die hebben we allemaal nodig zo heette het dan. Maar intussen hadden de sympathisanten dan zo hun eigen invulling van wat vernieuwing zou moeten zijn.


In 'eigen kring' werd de invulling ook snel, te snel soms, gemaakt. De opstellers zullen wel bedoelen liturgische vernieuwingen, vernieuwingen inzake wat onder ons vertrouwd is en deugdelijk is gebleken in het bewaren van de gemeenten bij het Woord Gods. Zij hebben dat intussen tegengesproken maar hebben niet ingevuld wat ze dan wèl onder vernieuwing verstaan, met name daar waar het conservatisme in onze kring moet worden bestreden.
Waar vernieuwing evenwel niet concreet wordt ingevuld, wordt al te gemakkelijk de herinnering wakker geroepen aan gestrande schepen elders, die voor ons bakens in zee moeten zijn.

Innerlijk
Al wat uit het geloof niet is, is zonde, zegt de Schrift. Al wat opkomt uit het onwedergeboren hart, uit het onbekeerde menselijke bestaan, mist de maat van de Schriften, is beneden de maat dus ook van de Geest. In mijn vorige artikel bezigde ik de uitdruklang — ik schreef het bewùst zo scherp neer — dat we in onze kring, in het polarisatieproces dat gaande is, enerzijds stikken in het wetticisme en anderzijds verdrinken in de zucht naar vernieuwing.
Beide houdingen kunnen voortkomen uit dat onbekeerde bestaan. Daarom, wanneer wij naar Schrift en belijdenis, het woord vernieuwing in de mond nemen, dan zal het hebben te gaan om wedergeboorte, geloof en bekering. Niet om een groeigeloof, dat al in de kiem in het menselijke hart aanwezig is, maar om een radicale vernieuwing van hart en leven. Het gaat om het afgesneden worden van onze natuurlijke wortel en het ingeënt worden in de wijnstok Christus.
Ik herinner mij haarscherp, dat ik in mijn jonge jaren voor het eerst de toogdag bezocht van de toen nog geheten Bond van Ned. Herv. jongelingsverenigingen en meisjesverenigingen op g.g. Ds. Jac. Vermaas, mijn latere, intussen nu betreurde vriend, was voorzitter. In een gloedvolle toespraak citeerde hij de Deense dominee Kaj Munk, die ooit zei dat de wereld, bij alle drang tot vernieuwing, vooral nodig heeft vernieuwde mensen. Dat lijkt een simpele, voor onze kring 'vanzelfsprekende' gedachte. Maar de geladenheid, waarmee het werd uitgesproken, maakte de kracht des Geestes voelbaar. Welnu, als we zo als hervormd gereformeerden, in de lijn van het voorgeslacht, vernieuwing naar Schrift en belijdenis invullen, dan gaat het om het Schriftuurlijk-bevindelijke geloofsleven. Waar dat gaat ontbreken, ontstaat de wettische verstarring of onrustige veranderingsdrang. We zien het kerkelijk en gemeentelijk leven teruglopen en grijpen naar alle middelen van (structurele en wellicht ook voortdurende) vernieuwing, die maar denkbaar zijn om het tij te keren. Dan zien we enerzijds vernieuwing in die zin, dat het liturgisch en in allerlei andere vormen allemaal moderner wordt, zonder dat het wezenlijk winst is voor de gemeente. We zien anderzijds ook vernieuwing in die zin, dat het wat de vormen betreft steeds ouderwetser, archaïscher wordt. Ook dàt is vernieuwing. Ook wat dit laatste betreft, zijn de laatste jaren sommige gemeenten onherkenbaar veranderd, zodat voorgangers, die in het verleden, midden onder ons staande, bepaalde gemeenten met ere hebben gediend, in de nadagen van hun ambt er niet meer geaccepteerd worden.


We moeten terug, samen terug naar de onderscheidenlijke prediking, waarin de rijkdom van de genade en de onuitsprekelijke goedheid Gods schitteren tegen de achtergrond van ons verloren bestaan en waarin het appèl tot geloof en bekering maar vervolgens ook het voortgeleid worden op de weg des geloofs door Woord en Geest aan de orde komen.
Polarisatie zou wel eens méér symbolisch kunnen zijn voor geesteloosheid dan we in ons hart willen toegeven. Geesteloosheid rechts of links of in het midden: geestelóósheid is geestelóósheid. Me dunkt, dat de Open Brief teveel heeft (aan)gewézen, en niet ontdekkend genoeg naar ons allen (samen) is geweest. En dàt terwijl vernieuwing niet echt werd geduid, misschien bij elk van de ondertekenaars ook wel een eigen gevoelswaarde had.
Vernieuwing door de Heilige Geest is niet te maken, niet te organiseren door brieven en getuigenissen. Daarmee zijn wèl theologische tendenzen aan te duiden en te bestrijden. Zo kunnen Open Brieven een functie hebben. Maar geestelijke vernieuwing komt van elders. Die is intussen ook niet te breken, niet te keren wanneer de Geest in harten van mensen levensvernieuwend, onwederstandelijk gaat werken. De Heilige Geest wil om zulke vernieuwing gebeden zijn. Wie zou niet vurig verlangen náár en bidden òm een geestelijke opwekking! Dat zou z'n uitwerking niet missen op het gehalte en de gestalte van de gemeente. Maar het geslacht van vandaag wordt niet op andere wijze innerlijk bearbeid door de Heilige Geest dan het voorgeslacht. En daarom is bewaring van wat ons door het voorgeslacht is overgeleverd, soms tot in onopgeefbare bewoordingen toe, geen dor conservatisme maar eerbied voor het werk Gods in de lijn der geslachten, waarin we ook vandaag mogen staan.

Omslag
En de cultuuromslag dan? Die is er. Maar die is tegelijk onbenoembaar, niet concreet geestelijk te duiden. Wèl is duidelijk — en de Open Brief had dat, dunkt me, ook meer kunnen benadrukken — dat in de ontkerstening, de secularisatie, die aan deze cultuuromslag eigen is, en waarvan we ook binnen de kerken alle gevolgen ondergaan, ook een oordeel Gods ligt. Hebben we leren buigen onder die oordelen? Dat zal de rechte verootmoediging wekken.
eker, er zijn symptomen van die cultuuromslag. Mensen zijn 'mondig' vandaag, ook kerkmensen, ook de meest 'rechtse' en behoudende kerkmensen. Ieder maakt zelf wel uit wat hij wil, waar hij kerkt, wat hij waarheid acht. Daarom is het een bloeitijd voor 'groepen' buiten de kerken en in de kerken, tot schade van de gemeente.
Maar beter dan stil te staan bij de symptómen is het om de vraag te stellen waarom de prediking zo weinig — al is het oordeel daarover niet aan mij — kracht doet. Waarom is, zo zeggen oudere predikanten, het geestelijk karakter van kerkeraden, door de bank genomen, zo veel minder geworden? En zo het volk, zo de priester (niet omgekeerd). Waarom zuchten ouderen soms onder de geesteloosheid van wat zij ervaren als dode rechtzinnigheid, of die zich nu modern aandient of in een extra rechtzinnig jasje? Waarom is er op allerlei plaatsen een gespannen verhouding in kerkeraden en tussen kerkeraden en de predikanten?
We kunnen moeilijk zeggen dat er sprake is van geestelijke hoogconjunctuur. En ik weet dat ik dan de kring van de Gereformeerde Gezindte ruim kan trekken. Zou het kunnen zijn, dat we allen lijden aan de malaise van verminderd schuldbesef, dat vooral voor de jongere generatie kenmerkend heet te zijn maar vooral een gevolg is van de moderne mondigheidsgedachte? En zou het kunnen zijn dat we daardoor minder oog hebben voor het ontdekkende werk van de Heilige Geest — heel concreet ook in het aanwijzen van de zonde — en daarom de Geest tegenstaan of zelfs uitblussen?
Daarom is er alle reden voor de bede: Kom Schepper, Heilige Geest, doorwaai de hof van de gemeente, harten en levens vernieuwend. Er is geen sprake van geestelijke hoogconjunctuur wanneer geloof wordt voorondersteld en alleen maar tot de vrucht ervan wordt opgeroepen. Het is ook geen teken van geestelijke hoogconjunctuur wanneer alleen de onmogelijkheid wordt gepreekt en principieel afgedongen wordt op ontluikend geestelijk leven.
Maar waar de Geest vernieuwend werkt, zullen ook de vruchten worden gezien. Ook vruchten van liefde, eensgezindheid, verdraagzaamheid. Het is mij uit het verleden bekend hoe, heel concreet, dienaren des Woords, die geestelijk behoorlijk verschillend 'lagen' (want dat is er van meet af onder ons geweest), desalniettemin diepe gemeenschap des Geestes oefenden, omdat ze beseften dat de Heilige Geest niet ieder op dezelfde wijze leidt en niet bij ieder dezelfde snaren even krachtig bespeelt. Maar in gehoorzaamheid aan Schrift en belijdenis en in een leven uit de Heilige Geest was er gemeenschap. Dat missen we, ook onder predikanten, wellicht maar al te veel in onze tijd, in onze geseculariseerde samenleving, waar de kerken ook gevoelige klappen van oplopen.


Alle roepen om vernieuwing zal knutselen in de marge zijn, wanneer we niet komen tot de roep mt de diepte. 'Wie weet Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den Heere, uw God' (Joël 2 : 14). Dat zegt de profeet Joël nadat hij heeft opgeroepen tot bekering, tot het scheuren van het hart en niet van de klederen. Ik doe het niet om uwentwil maar om Mijns groten Naams wil, zegt de Heere verder in de Schrift. Het gaat uiteindelijk om de eer van Zijn Naam. Laten we het daarover meer hebben. En intussen elkaar verdragen ook in (geestelijke) zwakte. Wat niet in mindering behoeft te komen op eerlijkheid, openheid en scherpte wanneer het gaat om het elkaar bevragen en, als het moet, in liefde vermanen voor het forum van de Schriften en van de belijdenis der kerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Drie maanden na de Open Brief. Welke vernieuwing bedoelen we?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's