De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers

10 minuten leestijd

Jan Zwart en K. Schilder
In 'De Reformatie' van 23 en 30 juni schrijft J. Smelik een tweetal lezenswaardige artikelen onder de titel 'Een dienstmaagd van het evangelie', enkele gedachten omtrent kerkmuziek. Hij begint zijn eerste artikel met een citaat van K. Schilder.

' "In ons Calvinistisch Nederland kunnen we bijna van elken organist zeggen: hij is een goede organist. Want bijna ieder speelt voor weinig geld of voor niets en verdraagt veel kritiek ook van totaal onbevoegden. Organisten, die volhouden, zijn daarom wanneer zij althans niet zichzelven weiden daarboven, bijna zonder uitzondering beste vriendelijke menschen. Maar niet van elken organist in Nederland kan men op zijn diploma zetten: hij is een goed (zonder e) organist; hij verstaat de kunst."
Deze woorden schreef prof. dr. K. Schilder in 1923. Schilder constateerde dat het orgelspel in kerkelijk Nederland op een zeer laag pitje stond. Het artikel bevat daarom een pleidooi voor het ontwikkelen van een zogenaamde orgelfilosofie: "Want alleen het filosoferen over het wezen van orgelspel en van muziek en van eeredienst kan ons over de nog bestaande orgelmisère heen helpen. Want daar is nog veel misère. Misère bij de spelers. Misère bij de hoorders of (want niet iedereen hóórt bij het orgel) bij de bijwoners, die de klanken passief zich over 't hoofd laten rollen. Er is bij de spelers nog te veel orgelmisère en te weinig goede orgelfilosofie".
Nu kun je naar aanleiding van zo'n citaat gaan roepen dat er na ruim zestig jaar nog niets verbeterd is. Mijns inziens is dat maar ten dele waar. Vermoedelijk zal het niveau waarop het orgel in het algemeen bespeeld wordt, omhoog zijn gegaan. Er is de laatste decennia sowieso een toename van vakorganisten te bespeuren en ook het aantal amateurorganisten, dat zich zeer verdienstelijk van hun taak kwijt, lijkt mij toegenomen. Er kan vaker gezegd worden: hij of zij is een goede en een goed organist.
We hebben echter nog steeds geen orgelfilosofie of een goed gefundeerde visie op (kerk)muziek. Natuurlijk zijn er voldoende filosofietjes in omloop en heeft bijna iedereen wel een mening over het orgelspel en zingen in de erediensten. Maar een algemeen aanvaarde, principiële visie is er nog niet. Dit zou wel eens voor een deel de af en toe voorkomende heftige en emotionele veldslagen rond de orgelbank kunnen verklaren, waarbij kerkeraden en vakmusici elkaar soms wantrouwen of organisten uit pure jaloezie elkaar het leven zuur maken. Verschijnselen waar we zo snel mogelijk van af moeten want we hebben waarachtig wel wat beters te doen, onder andere: zorgen voor een goede en fundamentele basis voor een hedendaagse kerkmuziek-praktijk. Daarbij denk ik niet in de eerste plaats aan allerlei "veranderingen" die al dan niet wenselijk of noodzakelijk zijn, maar aan de reeds bestaande kerkmuzikale vormen: gemeentezang en orgelspel.
Beide vormen zijn door ons geaccepteerd en zo vanzelfsprekend dat we ons zelden afvragen of het eigenlijk wel legitiem is dat we bijvoorbeeld het orgel gebruiken in de eredienst. En waarom zingen we?'

Wie aan de weg timmert heeft veel bekijks. Maar wie op toetsen (neen natuurlijk niet timmert, hoewel!) drukt, kerkorganist is, wordt soms ook ongeoorloofd kritisch bejegend of smakeloos verafgood. Er zijn de nodige 'organistenkwesties' geweest in tal van gemeenten. Soms buitengewoon onverkwikkelijk en lastig op te lossen.
J. Smelik geeft aan hoe vandaag onze smaak bedorven kan worden. Hij schrijft:

'In deze maatschappij wordt onze luisterervaring (smaak) voortdurend geïnfiltreerd door commerciële entertainmentmuziek en muziek die geproduceerd of gebruikt wordt als wegwerpartikel om de mens oppervlakkig te vermaken. Het gevaar is niet denkbeeldig dat kerkmuziek door ons benaderd wordt als te consumeren entertainmentmuziek met een bijbelse boodschap. De kerk dient zich stevig te wapenen tegen de consumptieve "wegwerpmuziek" van deze tijd! Want we leven niet om te consumeren en daarvoor komen we zeker niet naar de eredienst. We hebben als rentmeesters Gods schepping te beheren en dat "ad majorem Dei gloriam". Daar zal het doel, wezen en de functies van muziek die in de eredienst klinkt, door bepaald moeten worden.'

Goede muziek en de publieke smaak
Die twee blijken heel vaak niet samen op te gaan. Menig meningsverschil in gemeenten over het orgelspel is terug te voeren tot deze kwestie. J. Smelik schrijft daarover het volgende:

'Eén vraag naar aanleiding van het bovenstaande zal ongetwijfeld zijn of de geponeerde theorie in de praktijk niet zal leiden tot "elitaire" muziek(-beoefening) in de liturgie. De smaak van niet-muzikaal onderlegde kerkleden wil nog wel eens afwijken van de keuzen die deskundigen plegen te maken. In het verleden werd bijvoorbeeld door sommige kerkmusici nogal laatdunkend gedaan over de muziek van Jan Zwart terwijl opvallend veel kerkleden deze muziek juist bleken te prefereren. En ook iemand als professor K. Schilder, die heel goed wist wat artistiek verantwoord was en daar verschillende keren voor pleitte, heeft waardering gehad voor Zwarts orgelwerken.
Met opzet kies ik dit voorbeeld omdat we er veel van kunnen leren. In 1987 schreef ik twee artikelen in dit blad over Jan Zwart. Daarin heb ik geprobeerd aan te tonen dat professor Schilder Jan Zwart allereerst waardeerde omdat deze kerkmusicus niet vanuit een "ivoren toren" (elitair) op het kerkvolk neerzag. Jan Zwart wilde juist werken onder het kerkvolk en zowel de organisten als de "gewone kerkganger" dienstbaar zijn. Daarom noemde Schilder hem "profeet op de orgelbank". Zwart streefde naar een bloei van de Nederlandse, protestantse koraalkunst (à la Sweelinck), verbetering van het liturgisch orgelspel en hij vroeg de aandacht van het kerkvolk voor de kerkzang. Dat was zijn program.
De orgelwerken die Jan Zwart schreef, genoten waardering van professor Schilder. Dat betekende overigens niet dat hij de stijl van Zwart aangewezen heeft als de gewenste liturgische orgelstijl. De componist zelf heeft zijn werk niet met die intentie gepubliceerd en gespeeld. Het doel dat Jan Zwart met al zijn werkzaamheden voor ogen stond, is vooral na zijn dood door zowel zijn vereerders als zijn critici volledig uit het oog verloren. De gevolgen zijn bekend: het "gewone volk" ging zweren bij de orgelstijl en werken die Jan Zwart als "illustratie" bij zijn program bedoeld had. Terwijl sommige critici, nota bene in hun strijd voor verantwoord orgelspel (een doelstelling van Jan Zwart!), de componist en zijn werk door het slijk haalden. Het was een tragische vergissing van beide "partijen".
Van Jan Zwart en K. Schilder kan geleerd wor­den dat in de liturgie "elitaire" muziek(beoefening) en het "gewone volk" helemaal geen tegenstelling hoeven en zelfs mogen (principieel!) vormen. Concreet houdt dat in dat een organist een slecht kerk-organist is wanneer hij vanuit een soort ivoren toren meent te kunnen werken. Jan Zwart deed dat niet; hij probeerde de gemeente als het ware (liturgisch) muzikaal op te voeden. Zijn concert-programma's getuigen hiervan. Zwart speelde bekende orgelwerken, die volledig pasten in de luisterervaring van zijn publiek, maar ook modernere werken die destijds onbekend en daardoor onbemind waren.
Kortom: een goed organist zal niet alleen voldoende bekwaamheid moeten bezitten en liturgisch en artistiek goede keuzen kunnen maken, maar hij zal daarbij ook aandacht hebben voor pedagogische en pastorale aspecten. Een organist die bij zijn keuze van muziek rekening houdt met de luisterende gemeente, hoeft beslist niet te kiezen voor "slechte" of "mindere" muziek. Dat wil zeggen: goede muziek en muziek die "men" waardeert hoeven beslist geen tegenstelling te vormen.
Zo worden de Geneefse melodieën niet alleen vrij algemeen gewaardeerd ("publieke smaak") maar ze zijn eveneens van uitermate hoge kwaliteit. Het is mijns inziens dan ook een drogreden wanneer een organist 's zondags bijvoorbeeld de deun van Johannes de Heer voor Psalm 146 (Prijs de Heer met blijde galmen) gebruikt als argument dat "de mensen" het mooi vinden. Een goede bewerking van de Geneefse melodie zouden "de mensen" eveneens waarderen en in ieder geval niet bekritiseren.
Aan de andere kant mag mijns inziens van de gemeente verwacht worden dat zij open wil staan voor goede muziek die nog niet volledig in haar luisterervaring past. Want — zoals gezegd — onze smaak is in wezen niets anders dan "luisterervaring" die niet absoluut is maar wel degelijk kan veranderen. Een eerste vereiste is dat zowel de organisten als de andere kerkleden uitgaan van dezelfde principes, functies en doelstellingen van liturgische muziek. Het zal dan ook vanzelfsprekend zijn dat niet alle orgelmuziek kan functioneren in de gereformeerde liturgie. Er blijft een overvloed aan bruikbare orgelmuziek over en daarbinnen zullen persoonlijke voorkeuren uiteraard blijven bestaan. De één hoort nu eenmaal liever Mendelssohn dan bijvoorbeeld Sweelinck.'

Predikant, overbelasting en studiezin
Via hetzelfde nummer van 'De Reformatie' stuitte ik op een aantal uitspraken van prof. dr. G. Heiting die hij maakt naar aanleiding van de de laatste tijd zo vaak vernomen klacht van predikanten dat ze overbelast zouden zijn. Dr. Heiting schrijft en we geven het zonder commentaar maar aan u door:

'Met die kwantitatieve overbelasting valt het voor mijn besef daarentegen nogal mee. Onder verwijzing naar de vele werkuren, ben ik geneigd hier enige relativering aan te brengen. Er is ook een aantal momenten in het werk, die tegenwicht bieden.
Predikant-zijn is een "vrij" beroep, met alle voor- en nadelen vandien. De nadelen zijn in de vorige artikelen uitvoerig aan de orde geweest. Er zijn ook voordelen.
Een van die voordelen is dat je zelf de tijd kunt indelen, op een aantal vaste verplichtingen na, zoals kerkeraadsvergaderingen, catechisaties, kerkdiensten en begrafenissen. Je kunt gemakkelijk eens vrij nemen overdag. Je kunt 's morgens je kinderen naar school brengen. Je bent overdag meer thuis dan veel anderen. Je hoeft niet te werken in slecht geventileerde kantoorruimten of lawaaierige fabriekshallen. Je zitje niet op te vreten in de ochtendspits. Je doet geestelijke arbeid, waar je ook zelf van genieten kunt. Omgaan met mensen gedurende een groot deel van de werktijd, biedt gezelligheid. Je bent niet uitgeleverd aan de hardheid van de zakenwereld, voortdurend opgejaagd om arbeidsprestaties te leveren en winstpercentages te verhogen. Je werkt in een sfeer waar de dingen "om niet" gebeuren en veel ruimte bestaat voor eigen creativiteit. Wat al deze dingen betreft kun je zeggen: Je hebt een mooi beroep.
Daarom vind ik het ook altijd moeilijk het werk van een predikant kwantitatief in werkuren uit te drukken. Het is geen baan, die je "hebt", maar een beroep dat je "bent". Men spreekt wel van "een zijnsberoep", zoals dat van burgemeester of dokter. Dat ben je 24 uur in een etmaal. Maar je kunt moeilijk alle uren dat je niet slaapt als werkuren noteren. Daarom valt eigenlijk geen onderscheid te maken tussen werk en vrije tijd. Vooral als je werkt met vrijwilligers, die zich eveneens voor de zaak inzetten, wat voor hen een vorm van vrijetijdsbesteding is. Dat mag voor de predikant dan ook een beetje gelden.
De grenzen van wat werk is, zijn moeilijk aan te geven. Als ik een preek of lezing voorbereid ga ik graag een eind fietsen of wandelen om mijn gedachten te ordenen en ruimte te scheppen voor invallen. Ben ik dan aan het werk? Wie mij midden op de dag in het bos tegenkomt zal daar anders over denken! In ieder geval heeft mijn werk op dat moment een zekere speelsheid, waar ik zelf ook beter van word. En verder is er tijd voor ruimte en bezinning. Dat lijkt me een kwestie van prioriteiten stellen. Ik wantrouw predikanten die zeggen, dat ze geen tijd voor studie hebben. Dan denk ik: Je hebt er ook geen zin in. Mijn ervaring, al dateert die alweer van wat jaren geleden, is anders. Van Pasen tot september had ik hiervoor veel tijd.'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de Pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's