De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

K. Schilder: een strijdbaar en origineel theoloog (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

K. Schilder: een strijdbaar en origineel theoloog (2)

Binnen de gereformeerde gezindte

10 minuten leestijd

We laten nu de verdere implicaties ter synode rusten. Aanvechtbaar zal blijven dat zij, zonder dat er uit de kerken om was gevraagd, de 'leergeschillen' aan de orde stelde. Schilder heeft niet opgehouden daarop te hameren. Het werd het begin van de breuk in 1944. Maar wat ons hevig interesseert is de vraag: hoe kwam het, dat de Gereformeerde Kerken die na Assen (1926) een zeker evenwicht hervonden hadden, tien jaar later met zulke ingrijpende kwesties werden geconfronteerd? En een andere belangrijke vraag: waar ligt het verband tussen al die verschillende leerpunten die aan de orde kwamen? Is er een verband? Waar ligt b.v. het verband tussen een kwestie als de onsterflijkheid van de ziel en de pluriformiteit der kerk, die beide aan het deputaatschap ter bestudering werden opgedragen?
Nogmaals: wat was de gemeenschappelijke achtergrond? Van je critici kun je soms veel leren. Dat is m.i. hier ook het geval. Ik noemde eerder prof. Haitjema als één van de woordvoerders van de Nederlandse Barthianen en bestrijders van het Kuyperiaanse leersysteem. Hij heeft ons de dienst bewezen zijn bestrijding van Kuyper neer te leggen in een artikel in 1931 in het Barthiaanse tijdschrift 'Zwischen den Zeiten' onder de titel 'Abraham Kuyper und die Theologie des holländischen Neucalvinismus'. Hij besprak daarin de volgende punten: 1. Het Schriftgeloof; 2. de scheppingsgedachte en daaraan verbonden de leer van de algemene genade; 3. de predestinatieleer en 4. het kerkbegrip. Wat ons vooral interesseert is dat Haitjema al deze punten in verband bracht met Kuypers visie op de verhouding van Woord en Geest. Bij Kuyper gaat de wedergeboorte door de Geest vooraf aan het Woord. Het Woord verliest daardoor zijn dynamisch, het geloof en de wedergeboorte werkend karakter maar komt statisch naast het werk van de Geest.
We zagen boven hoe Schilder zich met alle kracht verzette tegen de jonge Barth met zijn paradoxenleer. Hij kwam daartegenover op voor de betrouwbaarheid en de duidelijkheid, de klaarblijkelijkheid van het Woord Gods zoals dat in de Schrift tot ons komt. Zodoende kreeg het Woord bij Schilder een veel dynamischer kracht dan het tot nu toe in de gereformeerde theologie bij Kuyper en zijn leerlingen had gehad. Het bracht hem ook tot een krachtig opkomen voor de eenheid van Oud en Nieuw Testament en de daaraan verbonden voortgang van de geschiedenis der openbaring. De Geest werkt door het Woord. Schilder stelde daarom in zijn grote herdenkingsrede van de Afscheiding in 1934 tegenover Barths existentialisme het geloofsgehoor van de gereformeerde theologie.

Confrontatie met Kuyper
Zodoende kwam ook Schilder tot confrontatie met Kuypers theologie en begon hij in de jaren dertig daar kritiek op te oefenen. Hij werd daarbij gesteund door de eerder genoemde gangmakers van de wijsbegeerte der wetsidee. Er ontstond dan ook na de synode van '36 een intensieve samenwerking tussen Schilder en Vollenhoven. Ze waren beiden in het deputaatschap voor de 'leergeschillen' benoemd en raakten beiden door procedurekwesties verwikkeld in conflicten met hun mededeputaten.
In 1942 deed tenslotte de generale synode van Sneek/Utrecht een aantal leeruitspraken. Ze bond daar de ambtsdragers aan. De classicale vergaderingen moesten zich vergewissen of de candidaten tot de heilige dienst ermee instemden. Hoe noodlottig deze besluitvorming werd, niet alleen voor Schilder, maar ook voor de Gereformeerde Kerken in Nederland, heeft prof. G.C. Berkouwer in zijn boek 'Zoeken en vinden' onlangs nog getoond. Schilder kon zich onmogelijk conformeren aan de uitspraak, dat het zaad des verbonds is 'te houden voor wedergeboren totdat het tegendeel blijkt'. De consequenties die deze leerformule had voor prediking en sacramentsbediening, vooral van de doop, kon hij niet voor zijn rekening nemen. Het gevolg was dat hij in de zomer van 1944 werd afgezet. Op de grandeur in de jaren dertig volgde de tragiek van de jaren veertig met alle gevolgen van dien.
Zijn Schilder en zijn theologie nog actueel? Heeft het zin voor gereformeerden binnen en buiten de Hervormde Kerk, voor 'synodalen' en 'vrijgemaakten' in dit honderdste geboortejaar, dit 'Schilderjaar', zich opnieuw in hem te verdiepen? Heeft hij voor ons een boodschap? Ik meen van wel en daarom heb ik ook graag het verzoek van de redactie over hem in 'De Waarheidsvriend' te schrijven, aanvaard.

Actueel
Ik noem vier punten waardoor zijn theologisch werk voor ons nog actueel is. Drie ervan werden reeds in de onderwerpen die in 1936 'leergeschillen' werden genoemd, aan de orde gesteld. In de eerste plaats de leer aangaande het genadeverbond. Daarover schreef de Zuidafrikaan dr. S.A. Strauss een goed gedocumenteerde dissertatie 'Alles of niks' – K. Schilder oor die verbond' (1982). Strauss toont aan dat Schilders verbondsleer zich heeft ontwikkeld in nauwe samenhang met zijn kerkelijke strijd. Hij maakt duidelijk hoe bij Schilder Goddelijk initiatief en menselijke verantwoordelijkheid nauw verbonden zijn. Het verbond is monopleurisch (éénzijdig) in zijn ontstaan. God neemt het genadevolle initiatief tot de verbondssluiting. Het is dipleurisch (twéé-zijdig) in zijn bestaan. De mens wordt in Gods verbond opgenomen in zijn volle verantwoordelijkheid om Gods beloften te geloven en Gods eis van geloof en bekering te gehoorzamen. God richt het verbond op met de gelovigen en hun zaad, het is niet alleen met de uitverkorenen opgericht. Strauss laat ook zien dat Schilders verbondsleer zich ontplooide in de strijd te­gen de synodale verbondsleer, waarin verkiezing en verbond samenvallen. In zijn verbondsleer staat Schilder dicht bij J.G. Woelderink. Diens visie op de verkiezing wees hij echter af. De enige keer dat hij Woelderink noemt in zijn grote Commentaar op de Catechismus (IV, 93), oefent hij kritiek op diens verkiezingsleer.


Het tweede punt waarin Schilder o.i. actueel blijft is zijn opkomen voor de heilshistorische prediking. Dat leidde naast de strijd over verbond en doop tot een heftige discussie in de Gereformeerde Kerken over het dilemma: heilshistorische of exemplarische prediking. Vanaf 1920, in de eerste jaargang van 'De Reformatie', tot het eind van zijn leven heeft Schilder in 'zijn' blad Schriftoverdenkingen geschreven van hoog gehalte. 'Zijn leven is gevuld geweest met de aandacht voor de Schrift', schrijft Berkouwer (A.w. p. 327) en hij spreekt van 'de vaak frappante analyses die Schilder gaf van een bepaalde tekst (t.a.p.). Het belangrijkste monument dat hij op dit gebied achterliet is zijn driedelig 'Christus in Zijn lijden'. Wie dit boek bij teksten uit de lijdenslijd niet raadpleegt, doet zichzelf en de gemeente tekort. Het laat ons de voortgang van Christus' borgtochtelijk werk in zijn gang naar het kruis stap voor stap zien. Schilders lijdensoverwegingen dragen soms een mystiek karakter, al heeft hij zijn hele leven tegen mystiek gevochten. Bovendien kon hij bij een tekst uit het Oude Testament het Nieuwe boeiend laten meespreken en omgekeerd.


Actueel is in de derde plaats wat Schilder schreef over de algemene genade. Het debat daarover is nog steeds niet geëindigd. Berkouwer heeft het in zijn boek in het hoofdstuk over 'Motieven en achtergronden van de theologie van K. Schilder' weer opnieuw gestimuleerd. Hij sloot zich daarin aan bij J. Douma, die in zijn dissertatie 'Algemene genade. Uiteenzetting, vergelijking en beoordeling van de opvattingen van A. Kuyper, K. Schilder en Calvijn' (1966) een onderzoek instelde naar de ontwikkeling van Schilders gedachten op dit punt. Hij toonde aan dat tussen 1932 en 1938 Schilder Kuypers gemene gratieleer begon te corrigeren en na 1938 tot een totale breuk daarmee kwam. De problematiek rond de algemene genade bleef Schilder tot het laatst van zijn leven bezighouden. Daarbij ging het confessioneel belijden aangaande verkiezing en verwerping een steeds belangrijker rol spelen. Terecht heeft Douma erop gewezen, dat Schilder ondanks eigen kritiek op het dilemma supra- of infralapsarisme, steeds meer supralapsarisch ging spreken (A.w. 298). De onlangs in Kampen gepromoveerde Koreaan H.M. Yoo probeert in zijn dissertatie 'Raad en Daad' daarop af te dingen, maar concludeert toch ook dat Schilder 'zich door de Schrift niet heeft laten corrigeren in de logische conclusie dat Gods haat zijn eigen objecten schept' (169). Ook Berkouwer oefent in zijn laatste boek op dit punt kritiek op Schilder. Wel moet daarbij worden bedacht dat Schilder, tegenover Barth, volhardend gevochten heeft voor het spreken over God met twee woorden: verkiezing èn verwerping, genade èn oordeel. Het ging hem, aldus Douma, om het zuiver houden van het woord genade. En wie, die de gereformeerde leer aangaande de predestinatie wil handhaven, zal niet toestemmen dat dit in de huidige situatie van de theologie van grote betekenis is? Douma is van oordeel dat met Schilder de discussie 'nog niet tot een afsluiting gekomen is' (355) maar een belangrijke bijdrage heeft Schilder zeker geleverd.


We komen tot het vierde punt, het laatste, van Schilders actualiteit. Dat is zijn voortdurende strijd tegen Kuypers leer aangaande de pluriformiteit van de kerk. Die hing samen met zijn worsteling om te komen tot de eenheid van de gereformeerde belijders. Hij wilde en mocht zich, schreef hij, niet neerleggen bij de verstarring van de na de Doleantie in Nederland gegroeide kerkelijke verdeeldheid. Het 'MOET' (met hoofdletters!), schreef hij, 'komen tot vereniging, en dat het zónde en een snijden in het hart der Reformatie is, de zaak te laten, hier in Nederland, zoals ze is'. Zijn kritische ecclesiologie om met Berkouwer te spreken, heeft hij misschien nergens duidelijker geformuleerd dan in 'De Reformatie' van oktober 1932. Hij schreef daar: 'Men mag de kenmerken der kerk... niet isoleren van de levende, presente, actuele, uit de hemel tot de aarde komende, dagelijks zich vernieuwende dynamische Daad (met een hoofdletter!) van den verhoogden Christus... Men moet niet tot het empirisch gegevene naderen met de vraag: passen mijn afgesloten kenmerkenlijsten hier 'nog', en zo ja, in welke meerdere of mindere mate? Men moet integendeel vragen: waarheen trekt de levende Christus?'
Tot het loskomen uit de verstarring van het kerkelijk vraagstuk heeft Schilder zelf een bijdrage proberen te leveren in zijn 'Ons aller moeder. Anno 1935'. Hij ging daarin diepgaand in op een hervormde herdenking van de Afscheiding in de Leidse Pieterskerk in 1934 die over de radio werd uitgezonden. Daarin riepen prominente confessionelen in de Hervormde Kerk de gereformeerden op weer te keren tot de 'moederkerk'. Het is het meest appellerende en bewogen geschrift, dat ooit uit zijn pen is gevloeid. Wie hem van dichtbij wil leren kennen, leze dit! Treffend is zijn oproep, in reactie op één der sprekers die naar Huber 1) verwees: 'Huber, Huber, de hele kudde moet de stal uit'. Hervormden èn gereformeerden moesten, vond hij, bereid zijn de bestaande instituten in de crisis te laten brengen, een oproep die ook vandaag nog actueel is.

Voorrecht
Het was mij een voorrecht mijn oud-leermeester voor de lezers van 'De Waarheidsvriend' in diens honderdste geboortejaar te mogen beschrijven. Ik zie hem opnieuw voor mij, zoals op die zondagmiddag in het oude kerkje in de Bagijnestraat in Utrecht. Een forse gestalte, een wat rauwe stem, een meeslepend verkondiger van het Woord Gods, een strijdbaar en origineel theoloog binnen de gereformeerde gezindte. Hij is deze herdenking ten volle waard!

1) Met Huber is vermoedelijk bedoeld: de Zwitser Max Huber, die een belangrijke rol speelde op de oecumenische conferentie te Oxford (1937). Er was ook een Samuël Huber in de Reformatietijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

K. Schilder: een strijdbaar en origineel theoloog (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 september 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's