De eeuwige straf
Er zijn verschillende redenen om ons in dit artikel te wagen aan een bespreking van H.J. Verwoerds visie op de straf van de goddelozen.
In de eerste plaats is het eerlijk tegenover Verwoerd. Hij wordt wel veel weersproken, maar niet weerlegd. Eerlijke, zakelijke en Schriftuurlijke kritiek ontbreekt veelal.
Vervolgens is het nodig om Verwoerd te bespreken omdat hij de kerkelijke leiders en de predikanten voortdurend beticht van bedrog. Voorgangers in onze tijd zijn te vergelijken met de rijke man. Zij zijn uit op geld en eer en zij laten de oprechte (Verwoerd) buiten de kerkelijke poort lijden. Theologen zouden een deel van de Schrift verdraaien. In het bijzonder zou de leer van de eeuwige straf een rooms overblijfsel zijn binnen het protestantisme. De Reformatie was wel goed, maar ging niet ver genoeg. Zij kwam niet toe aan de leer van de (eeuwige) toekomst.
Er is nog een derde reden: Verwoerd beweert zelf met zoveel woorden dat zijn leer over de eeuwige straf onmiddellijk samenhangt met zijn toekomstleer. Met andere woorden: als we zijn leer van de eeuwige straf weerspreken is daarmee ook een belangrijke hoeksteen van het gebouw van zijn toekomstleer uit de voegen losgemaakt, zodat dit gebouw wankelt.
Last, but not least voel ik mij gedrongen om eerlijk op Verwoerd in te gaan, omdat er mensen zijn die hem geloven. Ik geloof dat zijn leer uiteindelijk een zielsmisleidende leer is. Het allerergste is wel dat hij aan Christus en Zijn verzoeningswerk tekort doet. De eer van Christus wordt aangetast en dan mogen wij niet zwijgen.
Vernietiging?
Verwoerd leeft dat de ongelovigen uiteindelijk vernietigd worden. De eeuwige straf bestaat dus niet in het eeuwig lijden in de hel, maar in het niet meer bestaan. We noemen deze leer van de vernietiging van de ziel annihilationisme.
Deze leer is allerminst nieuw. Buiten het christendom komt deze opvatting voor. Reeds in de Stoa leerden velen dat alles in de wereldbrand om zou komen. Ook in de Nirvana-leer van het Boeddhisme komt dit terug; de zaligheid bestaat hierin dat de persoonlijkheid en het bewustzijn wordt afgelegd.
Ook binnen het christendom is deze gedachte niet nieuw. In vele vormen komen we haar tegen. Zo is er de puur materialistische stroming geweest, die het bestaan van de ziel los van het lichaam ontkende. Hierbij moeten we denken aan mensen als Feuerbach, Spinoza, Schelling en Hegel. Binnen alle opvattingen over de annihilatie zouden we dit de stroming van de leer van de pure sterfelijkheid kunnen noemen; er is geen leven na dit leven.
Bij de Socinianen in de zestiende eeuw komen we weer een andere variant van het annihilationisme tegen. Zij stellen dat de ziel van nature sterfelijk is, maar als een genadegift van God de onsterfelijkheid verkrijgt. Op deze lijn ligt ook de opvatting van de Jehova-getuigen en de beweging rondom 'de echte waarheid'. Hierbij zouden we kunnen spreken van de conditionele onsterfelijkheid: de genade van God is nodig om onsterfelijkheid te verkrijgen.
Dan is er nog een derde stroming aan te wijzen. Deze komen we aan het begin van de vierde eeuw voor het eerst tegen in de persoon van de Afrikaanse apologeet Arnobius. Volgens hem zouden de goddelozen trapsgewijs in de Gehenna (Grieks woord voor hel) vernietigd worden. Hiermee zijn we ook aangeland bij de visie van Verwoerd. Hij stelt niet dat de ziel op zichzelf niet onsterfelijk is, maar dat de ziel van de goddelozen als straf sterfelijk is en door het oordeel daadwerkelijk vernietigd wordt. Verwoerd ontkent dus het eeuwig lijden. Dood legt hij uit als niet meer bestaan, zonder er oog voor te hebben dat het vooral ziet op het niet-bestaan-in-betrekking-tot (vgl. Luk. 15 : 32). Het valt op dat hij zich in zijn geschrift ook positief uitlaat over Origines, die in 553 als ketter veroordeeld werd. Origines leerde de wederherstelling van alle dingen. Hij geloofde dat zelfs de duivelen opnieuw in Gods gunst aangenomen zouden worden. Zover gaat Verwoerd niet.
Voorzichtigheid
We willen nu een aantal argumenten, die Verwoerd in zijn brochure 'de straf over de goddelozen' aanvoert, nader uiteenzetten en onderzoeken. Laten we met voorzichtigheid en ernst over dit onderwerp nadenken.
Verwoerd vindt een eerste onderbouwing van zijn opvatting in de vergelijking van het Oude en Nieuwe Testament. Hij stelt dat het Oude Testament slechts vaag spreekt over het leven na dit leven. Zowel goddelozen als godzaligen kwamen in de 'hades' (in de Statenvertaling vertaald met 'graf of 'hel'). Er wordt in het Oude Testament niet gesproken over het lijden daar. Het lijkt alsof het sterven als zodanig reeds een straf is, omdat de mens God niet meer kan loven. Het Oude Testament spreekt niet duidelijk over straf en lijden na dit leven. Met deze constatering van Verwoerd kunnen we meegaan. Echter niet met de conclusie, die hij daaraan verbindt.
Verwoerd laat het Oude Testament heersen over het Nieuwe Testament. Hij verklaart de nog vage gegevens van het Oude Testament niet met de duidelijke leer van het Nieuwe Testament. Hiermee ontkent hij de voortgang in de openbaring. In het Oude Testament is deze voortgang er reeds. Het wordt steeds duidelijker Wie Christus zal zijn. In het Nieuwe Testament zijn veel zaken veel helderder gezien dan in het Oude Testament. Denk slechts aan de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen. Paulus kreeg hierin licht als geen ander. Denk aan de leer van de goede werken, waarin Jakobus veel licht mocht ontvangen. De leer aangaande de eeuwige toekomst heeft de Heere Jezus het helderst onthuld. Wel een aanwijzing van welk belang Hij dit achtte!
We komen op een tweede punt. Verwoerd stelt dat het oordeel naar lichaam en ziel in de hel ('gehenna') ten tijde van de omwandeling van de Heere Jezus helemaal niet de bijklank had van een altijddurend oordeel. Volgens Verwoerd dachten de joden hierbij aan de totale vernietiging, zoals in het dal van de zoon van Hinnom (vandaar 'gehinnom' of 'gehenna') de lijken verbrand werden.
Dit is onjuist. Dit blijkt uit geschriften van joodse rabbi's uit de tijd vlak voor Christus. Shammai en Hillel stellen dat het woord 'gehenna' ook betrekking heeft op eenaltijddurend lijden. Dus: als de Heere Jezus dit woord 'gehenna' gebruikt, dachten de hoorders uit die tijd niet aan een vernietiging! In dit verband zij nog vermeld dat ook in de eerste eeuw de synagoge de eeuwigheid van het straflijden leerde.
Een derde argument van Verwoerd vinden we in zijn uitleg van het woord 'onuitblusselijk'. In Markus 9 : 43 wordt gesproken over de hel, als een onuitblusselijk vuur. Verwoerd merkt op dat dit woord allerminst hoeft te betekenen 'altijddurend'. Het kan ook duiden op de kracht van het vuur. Het vuur is zo krachtig, dat het onblusbaar is. Verwoerd heeft gelijk. Op zichzelf genomen zou Mark. 9 : 43 deze betekenis kunnen hebben. Echter niet in het verband van de tekst. In Mark. 9 : 44/ 46 wordt dit uitgelegd. Daar staat dat 'het vuur niet uitgeblust wordt'. Dit kan niet anders betekenen dan dat het vuur onvergankelijk en onuitputtelijk is.
Een vierde argument van Verwoerd komt wel tot de kern van zijn leer. Het is de spil waar alles om draait. Het gaat over de uitdrukking 'in alle eeuwigheid'. In Openbaring 20 : 10 staat: 'en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid'. Letterlijk vertaald zou dit ook kunnen luiden 'eeuw der eeuwen' of 'bedeling der bedelingen'. Verwoerd vertaalt het dan ook zo. Naar zijn mening moet de eeuw der eeuwen nog komen. Hij bedoelt hiermee de meest belangrijke periode in de wereldgeschiedenis, de tijd van het duizendjarig rijk.
Volgens Verwoerd zullen dus de duivel en de zijnen tijdens deze bedeling gepijnigd worden. De 'gehenna' duurt deze tijd. Het vraagt 1000 jaar dat de goddelozen verdelgd worden.
Tegen deze benadering bestaan gewichtige bezwaren. Als de eeuw der eeuwen nog moet komen, hoe waarderen we dan het lijden en sterven van Christus? Vormt dit niet het hoogtepunt van de geschiedenis? De uitleg 'eeuw der eeuwen' is tot oneer van Christus en Zijn volbrachte werk!
In de Schrift wordt vele malen gesproken over de 'laatste der dagen'. Dit betekent dat er geen nieuwe bedeling meer aanbreekt! Tijdens de omwandeling van de Heere Jezus waren de laatste dagen (Hebr. 1 : 1). Tijdens de Pinksterdag kon er over de laatste der dagen gesproken worden (Hand. 2). Paulus zegt dat hij leeft in de einden der eeuwen (1 Kor. 10 : 11). Er hoeft niets meer te gebeuren. Alle heilsfeiten zijn vervuld. De wederkomst wacht slechts. Waar gesproken wordt over de toekomende eeuw heeft dit betrekking op het eeuwige leven, de hemel (Mark. 10 : 30).
Het is opmerkelijk, dat Verwoerd in verband met de uitleg van het woord 'eeuwigheid' niet spreekt over een tekst als Matth. 25 : 46: 'En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven'. Had hij dit wel gedaan, dan was hij erachter gekomen dat het woord 'eeuwigheid' weliswaar ook 'bedeling' kan betekenen, maar dat het bijvoeglijk naamwoord 'eeuwig' nooit deze betekenis heeft! Het woord 'eeuwig' duidt altijd op altijddurend. God is de eeuwige God! Die gelooft, heeft het eeuwige leven! Er is een eeuwige zaligheid (Hebr. 5 : 9), een eeuwige verlossing (Hebr. 9 : 12), een eeuwige erfenis (Hebr. 9 : 15). Of wil Verwoerd ook de eeuwige verkiezing loochenen (Ef. 3 : 11; 2 Tim. 1 : 9)?
Uiteindelijk tast Verwoerd met zijn uitleg van het woord 'eeuwigheid' en 'eeuwig' ook de volharding der heiligen en de altijddurendheid van de zaligheid aan! Hij ontneemt alle troost en hoop aan Gods kinderen! Zo eeuwig als het eeuwige leven is, zo eeuwig is de eeuwige pijn. Als het altijd duren van het straflijden geloochend wordt, moet ook het eeuwige karakter van de zaligheid ontkend worden. De heerlijkheid van God is in alle eeuwigheid (Gal. 1 : 5; Fil. 4 : 20; 1 Tim. 1 : 17; 2 Tim. 4 : 18; Hebr. 13 : 21; Openb. 1 : 6). Deze zaligheid is gelukkig niet beperkt tot een periode van 1000 jaar.
In 2 Petr. 1 : 11 lezen we dat het Koninkrijk van Christus eeuwig is. Terwijl we in Openb. 20 : 4 lezen, dat Christus duizend jaar als koning zal heersen. Uit deze gegevens concludeert Verwoerd dat Christus slechts 1000 jaar als Koning heerst en dat Zijn Koninkrijk slechts 1000 jaar zal bestaan.
Een eerste bezwaar tegen deze benadering: en dergelijke paradox moet niet opgelost worden door het woord 'eeuwig' te beperken, en door Openbaringen als een brandglas van exegese voor andere teksten te gebruiken. Liever andersom.. Een tweede bezwaar: Verwoerd onderkent niet dat er op verschillende manieren over het Koninkrijk van Christus gesproken wordt. Overal waar hij het woord Koninkrijk tegenkomt, vertaalt hij dat met het 1000-jarige vrederijk op aarde. Er zijn verschillende betekenissen van het woord 'koninkrijk'. Een paar voorbeelden: a. In Matth. 8 : 12 lezen we dat de kinderen des Koninkrijks buitengeworpen worden in de buitenste duisternis, b. De uitdrukking 'Koninkrijk Gods' wordt ook wel gebezigd om het onderscheid tussen Oude en Nieuwe Verbond aan te geven (Matth. 11 : 11-13). c. Het Koninkrijk is er reeds in de harten van Gods kinderen; het komt niet in uiterlijk vertoon (Luk. 17 : 20-21). d. Terwijl ook de indruk kan ontstaan dat het Koninkrijk nog moet komen (Hand. 1 : 6-7). e. Vergelijken wij bijvoorbeeld Matth. 19 : 16, 23, 24 en Mark. 10 : 17, 21, 23-25 dan valt ons op dat de hemel ook wel het Koninkrijk Gods genoemd wordt. Het lijkt mij stug dat Verwoerd een 1000-jarig rijk de hemel zal willen noemen. Kinderen van God hebben in de eerste plaats een schat in de hemel. Zij zijn vreemdelingen op aarde. Zij bedenken de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn; ook niet die in een aards vrederijk zijn. Verwoerd houdt te weinig rekening met het geestelijk karakter van het heil (Ef. 1 : 3). Het is waar dat kinderen van God (Rutherford bijvoorbeeld) uit kunnen zien naar betere tijden voor de kerk op aarde; maar het diepste en sterkste verlangen is toch om eeuwig met Christus te mogen zijn. Daarom verlangt Paulus om ontbonden te zijn (Fil. 1 : 23).
Verwoerd denkt dat Christus nog Koning moet worden, namelijk in de eeuw der eeuwen. Hiermee wordt het Koningschap van Christus nu ondermijnd: 'Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde' (Matth. 28 : 20). In dit verlengde meent Verwoerd ook dat de heiligen pas in de eeuw der eeuwen koningen en priesters zijn die met Christus regeren. Petrus houdt ons anders voor: 'Gij zijt (...) een koninklijk priesterdom' (1 Petr. 2 : 9; vgl. ook Openb. 1 : 6). Christenen zijn nu reeds de zalving van Christus deelachtig (zondag 12 H.C.), en delen in Zijn koningschap. Ook hier geldt: laat de uitleg van Openbaring niet alle andere schriftgedeelten overheersen, maar verklaar duistere gedeelten door meer heldere teksten.
Wij komen bij een vijfde argument van Verwoerd, dat eigenlijk door heel zijn brochure heenloopt. Hij ontkent dat het eeuwig straflijden samen kan gaan met de liefde van God. Zonder een diep besef van onze zonde, zonder een levende indruk van Gods rechtvaardigheid is dit inderdaad onbegrijpelijk. Zolang wij de zondigheid van de zonde niet voelen, ergeren wij ons ook aan het kruis van Christus. Als wij het verdoemelijke karakter van de zonde niet hartelijk belijden, verstaan wij nooit waarom Gods eniggeboren Zoon de vervloekte dood moest ondergaan. Als de eeuwige straf voor ons onwerkelijk is, is ook Christus' lijden onwerkelijk voor ons. Behoefden wij niet van een eeuwig oordeel verlost te worden, het offer van Christus was hiervoor te duur.
We vermengden Gods rechtvaardigheid en Zijn goedheid. We denken dat dit tegengesteld is. Het tegendeel is het geval. Wat rechtvaardig is, is ook goed.
Als we het eeuwig lijden in de rampzaligheid niet kunnen rijmen met Gods goedheid, kunnen we dan wel een 1000-jarig lijden rijmen met Zijn goedheid? Kunnen we dan wel het lijden in deze wereld rijmen met Zijn goedheid?
Tenslotte
Eerlijk onderzoek van de Schrift leert ons een eindeloos ervaren straf. Welk een reden om ernst te maken met ons eeuwig behoud! Hoe noodzakelijk is het offer van Christus; niets minder dan het bloed van de eeuwige Zoon van God kan ons van de eeuwige dood verlossen. Hoe dierbaar is Christus; Hij schenkt het eeuwige zalige leven in Zijn gemeenschap!
Wouterswoude W. van Vlastuin
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's