De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nogmaals: Waarom geen Loofhuttenfeest in de kerk?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nogmaals: Waarom geen Loofhuttenfeest in de kerk?

9 minuten leestijd

In Kerk en Israël (orgaan van de Raad voor de Verhouding van Kerk en Israël) stelde dr. H. Vreekamp (secretaris van de Raad) de vraag 'Waarom in de kerk geen Loofhuttenfeest?', dit als een bijdrage ter voorbereiding op de Israëlzondag op 7 oktober a.s. Dr. C.A. Tukker te Epe reageerde hierop in een artikel, dat hij inzond ter plaatsing in ons blad. Desgevraagd ging dr. H. Vreekamp daarop in in een bijdrage, waarin hij weergeeft wat hij in zijn artikel in Kerk en Israël bedoelde. De beide stukken zijn bijgaand geplaatst als een open gedachtenwisseling. Red.

Spontaan kwam collega Tukker naar me toe: hij had enige zorgen over de inhoud van het materiaal voor de komende Israël-zondag. Spontaan ook werden de kolommen in De Waarheidsvriend opengesteld voor woord en wederwoord. Een veelbelovend begin van de gevraagde bezinning rond de — met opzet wat uitdagend verwoorde — vraag: Waarom geen Loofhuttenfeest in de kerk?

De vraag
De vraag kwam op naar aanleiding van de voorbereiding voor de Israël-zondag op 7 oktober aanstaande. Sinds 1949 kent de Hervormde Kerk de eerste zondag in oktober als een bijzondere dag van gebed voor Israël. Waarom de eerste zondag van oktober? Omdat rond die tijd het joodse volk de grote feesten van het najaar viert: Nieuwjaar, Grote Verzoendag, Loofhuttenfeest en Vreugde om de Tora. Dit jaar valt de Israël-zondag tijdens de vierde dag van het Loofhuttenfeest.
En daarom ligt de vraag voor de hand. Waarom kennen we in de kerk wel christelijke vertalingen van de joodse pelgrimsfeesten van het voorjaar, Pasen (Pesach) en Pinksteren (Sjawoeot), maar niet van dat van het najaar, Loofhuttenfeest (Soekot)? Tijdens Soekot woont Israël zeven dagen lang in hutten, zoals eenmaal in de woestijn in tenten. Wanneer de laatste vruchten-oogst bìnnen is, wordt Israël naar búiten geroepen. Om een week lang te wonen onder een dak van bladeren. Om te gedenken: we zijn nog altijd onderweg. Zoals eenmaal in de woestijn.
Soekot is een joods feest. En christenen volgen uiteraard niet zomaar de joodse kalender. Maar luisterend naar de joodse uitleg van de betekenis van Soekot bleef een vraag doorklinken. Wanneer Loofhuttenfeest het enige van de joodse feesten is, waarbij de volken uitdrukkelijk zijn uitgenodigd mee te vieren, hoort de kerk daarin dan ook een uitnodiging tot haar gericht? En zo schreef ik in Kerk en Israël:2-s1) 'We moesten ons als kerk uit de volken op de Israël-zondag maar eens diep bezinnen op het slot van de profetie van Zacharia. Deze profeet zag namelijk hoe op een dag de overgebleven volken van alle kanten in beweging zullen komen op weg naar Jeruzalem. Om daar elk jaar met Israël het Loofhuttenfeest mee te vieren'. Op het oog hebben we dan het machtige slot van Zacharia's profetie: hoofdstuk 14, en daarin met name de verzen 16-19.
De vraag 'Waarom in de kerk geen Loofhuttenfeest?' wil dus vooral prikkelen tot onderzoek van Zacharia 14 in de christelijke gemeente. Hoe leggen we in de kanteling van onze tijden profetieën als deze uit, die het gezicht levend houden op de toekomst van Israël? Anders gezegd: hoe gaan we de toekomst van de kerk tegemoet in verband met de toekomst van Israël? Die vraag is in onze dagen gesteld als nooit eerder in de kerkgeschiedenis. Want de kerk ontmoet Israël na de Grote Nacht, die in onze eeuw in Europa viel over het joodse volk. Maar ook: na de terugkeer voor een deel van Israël uit de oorden van ballingschap naar het land van belofte.
Zo komen we de aloude vragen van het laatste bijbelboek, van het duizend-jarige rijk en van de toekomst van Israël, opnieuw tegen. En dat is goed. We kunnen ze niet ontwijken in onze gemeenten. We mogen dat eenvoudig niet.

De instemming
Met dankbaarheid noteer ik dat dr. Tukker op zijn minst vijf momenten van instemming noemt naar aanleiding van de opgeworpen vraag voor de Israël-zondag.
— Hij is blij met de Israël-zondag. Over die bekentenis wil ik niet zomaar heenlezen. Daar neem ik goede nota van. Ik hoop dat alle voorgangers zijn vreugde delen.
— Hij heeft een goed woord over voor de theoloog Karl Barth, die een nieuwe houding van de kerk ten aanzien van Israël heeft bevorderd door onder andere in zijn kerkelijke dogmatiek Israël te duiden als het enige Godsbewijs.
— Hij herinnert ons aan de Hervormde kerkorde, waarin de verhouding tot het joodse volk met het woord gesprek wordt benoemd. Om niet te vergeten in de plaatselijke gemeente. Aan háár is dit gesprek toevertrouwd.
— Hij heeft kritiek op de wijze van omgaan met de geschiedenis, zoals dat gebeurt in de boeken van dr. Hans Jansen over een christelijke theologie na Auschwitz, maar hij ontkent niet de aanwezigheid van het antisemitisme van de christelijke kerk.
— Hij is van mening dat de uitgesproken vraag naar de betekenis van Loofhuttenfeest voor de kerk een terechte vraag is. Om over na te denken.

De wedervraag
Maar dr. Tukker heeft ook zijn zorgen: die gelden vooral de wijze, waarop de vraag aan de orde is gesteld. Ook wil hij nadenken over de achtergronden van de vraag naar het Loofhuttenfeest. Met de manier waarop hij vervolgens zijn bezorgdheid uit, ben ik dan weer niet onverdeeld blij. De wijze, waarop dr. Schoon geïntroduceerd wordt als de auteur van een 'scheefgetrokken preekschets' over Mattheüs 21 : 33-46 — die de meeste lezers van De Waarheidsvriend hoogstwaarschijnlijk niet onder ogen krijgen — acht ik geen opmaat tot een verhelderend gesprek. De preek­schets voor de Israël-zondag is bestemd voor de studeerkamer van voorgangers, die er in eigen verantwoordelijkheid mee omgaan. Heeft collega Schoon trouwens iets miszegd, wanneer hij de aanwijzingen voor de prediking begint met: 'Het is van belang daar te beginnen waar de gemeente is. De anti-joodse uitleg van de gelijkenis heeft diepe sporen getrokken in de gemeente'?
Collega Tukker uit ook zijn verontrusting over dreigende grensoverschrijding van het gesprek met Israël. Hij doet dat met de hartekreet: Waar gaat dat heen? Zelf geeft hij overigens het antwoord. Naar Jeruzalem of naar verwarring. Precies, het is één van beide. Het goede antwoord moet natuurlijk zijn: naar Jeruzalem. Verwarring in de wereld is er genoeg. Naar Jeruzalem dus. Maar inderdaad: welk Jeruzalem is bedoeld? Vandaar de luisteroefening rond Zacharia 14, waar de naam van deze stad tot tienmaal toe klinkt.

Zacharia 14
Collega Tukker heeft in mijn opmerkingen bij Zacharia 14 'een paar exegetische slippertjes' ontdekt. Een drietal in zijn ogen.
— De volken gaan 'niet naar Jeruzalem om daar het Loofhuttenfeest te vieren, doch om de Koning, de Heere der heerscharen, te aanbidden'. De hier gemaakte tegenstelling begrijp ik eenvoudig niet. Ik lees namelijk niet éénmaal, maar tot driemaal (Zach. 14 : 16, 18, 19) over het vieren van het Loofhuttenfeest in Jeruzalem door de overgeblevenen van de volken.
— Het verband tussen het noemen van de Egyptenaren (Zach. 14 : 18) en de taal van Exodus kan ik herkennen. Ik heb dat ook niet ontkend, want ik ben er in mijn bijdrage in het geheel niet op ingegaan. Overigens zal het verwijzen naar de onmisbare gave van de regen hier een rol spelen. Tijdens Loofhuttenfeest werd en wordt gebeden om regen. Welnu, de volken die niet optrekken naar Jeruzalem zullen geen regen en dus geen leven en toekomst hebben. Maar Egypte is afhankelijk van de overstroming van de Nijl, en wordt om die reden onder de volken afzonderlijk vermeld. Zo wist al Calvijn.
— Ja, en dan staat er inderdaad niet met zoveel woorden dat de volken met Israël het Loofhuttenfeest zullen vieren. Maar is het denkbaar, dat de heidenvolken naar Jeruzalem gaan (vijfmaal lezen we in de tekst van Zacharia het woord voor 'optrekken') en dat ze, dáár aangekomen, Israël niet zullen aantreffen? Dat ze als heidenen onder elkaar zullen zijn, zonder Israël? Ze willen toch met het joodse volk gaan, omdat ze hebben gehoord dat God met dit volk is (Zach. 8 : 23)? Ze gaan danken met Israël. Inderdaad, het grote dankfeest voor de oogst. De lofprijzing, die — naar de kortste van de Psalmen — dan vanuit de volken met Israël wordt ingezet en gaande gehouden.
Nu heeft dr. Tukker gelijk wanneer hij opmerkt, dat 'de volken nog niet hetzelfde zijn als de geméénte uit de volken, die zich beroemt in de Naam van Jezus. Maar de kerk uit de heidenvolken zal toch de beweging herkennen, zoals Zacharia die schouwt: het optrekken naar Jeruzalem om daar de God van Israël te erkennen als Koning van heel de aarde? De oproep aan de volken de God van Israël te aanbidden wordt in de gemeente van Christus toch herkend als een appèl, dat haar raakt tot in het diepst van haar christelijke hoop?

De blijvende vraag
En dan is er de meest insnijdende vraag. Die van het slot van dr. Tukkers reaktie. Waarom viert Israël niet de feestdagen van Jezus de Messias? De omkering dus van de gestelde vraag.
Mijn antwoord is tweeledig, zonder volledig te zijn.
In de eerste plaats geldt hier in grenzeloze ontvankelijkheid een nieuw luisteren naar de worsteling van Paulus rond het 'waarom' ten aanzien van zijn volk Israël, dat het 'nee' zegt en leeft tegen Jezus als Messias. Hebben we het afwijzen door Israël van deze Gezalfde gepeild in de diepte, waarheen ons de apostel voert vanuit het geheim (Rom. 11 : 25) van Israël in en na het komen van Jezus de Messias?
Ten tweede: er is een feestdag van Jezus de Messias die Israël viert, jaar in jaar uit. En het joodse volk alléén viert die. Het is het feest, waarvan het Evangelie van Johannes ons zegt, dat Jezus het gevierd heeft in Jeruzalem: Loofhuttenfeest. Wanneer de gemeente genaderd is tot de lezing van Johannes 7 kan de vraag niet ontweken worden: hoe volgen we hier Jezus als het Licht der wereld?
Tenslotte — ik eindig met een vraag. Dr. Tukker heeft zich tot mijn diepe vreugde verklaard tegen het vergeestelijken van de teksten die een Oudtestamentisch 'tegoed' voor Israël bevatten. Hij past ervoor te gaan vergeestelijken. Maar — hij wil 'in de toekomsttaal van Zacharia niet het symbool (Loofhuttenfeest) laten lijden onder ons beperkt begrip van de werkelijkheid'. Wat mag daarmee bedoeld zijn?
Ik vraag me daarom af: hoe zou de predikant van de Sionskerk in Epe preken over de toekomst wan Jeruzalem volgens Zacharia 14? Wellicht kan hij ons een proeve bieden.

s1) Van het speciale Israël-zondag nummer van het blad 'Kerk en Israël' kunt u voor uitdeling in de gemeente gratis exemplaren aanvragen bij het bureau van de Hervormde Raad voor de verhouding van Kerk en Israël, De Horst 1, 3971 KR Driebergen, tel. 03438-17909.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Nogmaals: Waarom geen Loofhuttenfeest in de kerk?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's