De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wie kent Uw toorn?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie kent Uw toorn?

12 minuten leestijd

(Openingswoord collegejaar Theologische Hogeschool Gereformeerde Bond 1990-'91)

Onder deze titel verscheen van de hand van de vrijgemaakt gereformeerde oudtestamenticus professor Ohmann uit Kampen een publicatie, klein van formaat, rijk aan inhoud.2-sl) Hij behandelt daarin de toorn van God in het Oude Testament. Dit boekje biedt ons meer dan alleen maar een bespreking van dit bijbelse kernwoord. Je zou kunnen zeggen: het is een theologie van het Oude Testament in zakformaat, toegespitst op het begrip van de toorn van God.
Het is een titel, die je aanspreekt. Dat kan ook niet anders, want het is een woord uit de Schrift: Psalm 90, het gebed van Mozes, de man Gods. Daar horen wij hem zeggen:
Wie kent de sterkte van Uw toorn
en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?
Het is geen vraag áán God. God ondervraag je niet. Het is een vraag die je stellen moet vóór God en zo naar je toekomst. Een vraag waarop je reageren moet. Wie is die 'wie'? Ben ik dat? Ken ik Gods toorn? Weet ik dan wel wat ik zeg? Of is het juiste antwoord: Jezus? Want Hij alleen heeft de beker van Gods toorn leeggedronken tot de laatste druppel toe.

Gods toorn van nabij, niet over mij
Indrukwekkend is het beeld dat Ohmann van de toorn van God schetst. Toch is er iets in dit boek dat mij niet bevredigt. Misschien kan ik dat het best zo formuleren: ik zie hier Gods toorn van nabij, niet over mij. Neem nu de beschrijving die Ohmann geeft van de verbondssluiting op de Sinaï in Exodus 19. In de verzen 10 tot 13 staat dat mensen en dieren op een bepaalde afstand van de heilige berg moeten blijven. En nu citeer ik: 'Opmerkelijk: een God Die Zijn volk waarschuwt met het oog op de omgang die dat volk met Hem zal hebben; dus met het oog op Zichzelf. Het is gevaarlijk in de nabijheid van zo'n God te toeven. Het is echter mogelijk. Mits men zich aan de gestelde regels houdt en binnen de perken blijft. We raken hier aan het diepe en wonderlijke geheim van de verbondsomgang. Het volk stuift niet in alle richtingen uiteen. Dat doen de vijanden wanneer de Heere opstaat tot de strijd. Dan zijn het Zijn haters die wijd en zijd vluchten. Israël blijft staan waar het is; op gepaste afstand in de nabijheid. Zo mag een volk bij zijn God verkeren. Dan zal, dat mag het vertrouwen, zijn God niet in toorn ontbranden. Maar indien het aan de "veiligheidsvoorschriften" zich niet stoort, zal de toorn ontbranden. Op die basis zal weldra, na voorlezing van het "verbondsboek" het verbond worden gesloten' (68). Dit is 'toorn van God als omlijsting van de verzoening', de titel van het hoofdstuk waaraan het citaat is ontleend. De verzoening is in dit boek een gegeven. Ohmann zal ook zeggen: de verzoening is door Gòd gegeven. Maar de noodzaak van de verzoening komt niet expliciet aan de orde. Waarom moet het volk — en in het ver­lengde van deze vraag — waarom moet ik met God worden verzoend? Als ik het goed zie functioneert bij Ohmann de voorstelling van de toorn van God eigenlijk alleen in het 'stuk' van de dankbaarheid. Nog een citaat uit hetzelfde hoofdstuk: 'In de wet worden de wegen gewezen, die wij zullen moeten betreden. De wegen die de Heere welbehagelijk zijn. En men kan zelf de gevolgtrekking maken die nu voor de hand ligt: wie in die wegen niet gaat, tegen hem ontbrandt Zijn toorn" (69). Hij verwijst daarbij ook naar vraag 114 van de Heidelbergse Catechismus (een vraag uit het derde 'stuk'!): Kunt gij dit alles volkomen houden? Antwoord: nee. Waarom laat God ons dan zo scherp de Tien Geboden prediken? Antwoord: Israël moet zijn zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen. En daar blijft het dan bij. 't Is een feit dat je helaas constateren moet, geen prediking die je op de knieën brengt voor God, je zeggen doet: Heere, ontferm U over mij, en je uitdrijft tot Hem Die de weg van de verzoening heeft geopend door het bloed te geven op het altaar. De drie stukken van de Catechismus zijn niet van elkaar te scheiden. Zij geven in hun onderlinge verbondenheid ook een zuivere afspiegeling van het geloofsleven in het Oude Testament. En daarmee is dan bedoeld: het legitieme geloofsleven dat de Heere Zijn volk leert. Het gaat in de dagelijkse bekering en vernieuwing van het leven niet slechts om een voortdurend corrigeren van de gelovigen, want niemand is volmaakt. Evenmin is de verwijzing naar de toorn van God een schot voor de boeg voor het geval Israël afwijkt van de in de Wet aangegeven koers. In de dagelijkse bekering van hart en leven zit héél de bekering van het kind van God opgesloten. De zonde met Bathseba bepaalt David bij de erfzonde. Dit was — hoe schokkend ook — geen op zichzelf staand incident, maar een symptoom. Het vroeg om een diepgaand onderzoek. Toen moest de onderste steen boven komen:
't Is niet alleen dit kwaad dat roept om straf,
neen, ik ben in ongerechtigheid geboren.
In Psalm 90 vinden wij hetzelfde. Mozes spreekt over onze dagen en onze jaren, de dagen onzer jaren. Dat is ons leven als wij ons geplaatst zien voor het aangezicht van God. Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Hij daagt ons voor Zijn troon. Hij houdt gericht over ons. Weer komt de onderste steen boven. Want hij stelt onze ongerechtigheden voor Zich en onze heimelijke zonden in het licht van Zijn aanschijn. Zij kwalificeren ons leven. Elke zonde die ik doe ontmaskert mij opnieuw als zondaar. Daarom komt Gods toorn over mij.

Werkverbond en genadeverbond
De dienst van de verzoening in de tabernakel en naderhand in de tempel had slechts een geringe actieradius. Ze had alleen geldingskracht voor niet met opzet gedane zonden. De verzoening van Israels schuld vereist méér: en middelaar. Dat was een boven-menselijke opdracht. Dat heeft Mozes, de middelaar van het oude verbond, geweten. Na de zonde met het gouden kalf doet hij voorspraak voor Israël: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben. Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, dat Gij geschreven hebt. Exodus 32 : 31b en 32. Het aanbod van Mozes om de schuld van het volk te vereffenen door zelf zijn leven te geven, kan God niet accepteren. In heel het Oude Testament is er slechts Eén Die daartoe bij machte is: de lijdende Knecht des Heeren uit Jesaja 53. Hij stelt Zijn leven tot een schuldoffer. Dàt neemt God aan.
Het verbond van God met Israël berust op Zijn genade. Mozes zegt: De Heere heeft geen lust tot u gehad noch u verkoren om uw veelheid boven alle andere volken, want gij waart het kleinste van alle volken. Maar omdat de Heere u liefhad en opdat Hij hield de eed die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de Heere u met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte, Deuteronomium 7 : 7v. Daarom blijft het zondebesef niet steken in het berouw over de fouten die men maakt in het dagelijks leven, hoe frustrerend ze ook zijn voor het geloof. Het reikt dieper. Het raakt de wortels van ons bestaan. Het is zo existentieel dat op bepaalde momenten alleen nog shockerende beelden deze gevoelens tot uitdrukking kunnen brengen. David in Psalm 38:
Er is niets geheels in mijn vlees vanwege Uw gramschap,
er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonde.
Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd,
als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
Mijn etterbuilen stinken,
zij zijn vervuild vanwege mijn dwaasheid...
Wat zien wij nu? Dogmatisch geformuleerd moet de toorn van God niet alleen ter sprake komen bij het verbond der genade, maar ook bij de verbreking van het werkverbond. In dàt perspectief leert de apostel Paulus ons in Romeinen 5 het Oude Testament lezen. Tegenover de zonde van de eerste mens Adam stelt hij de gerechtigheid van de tweede Adam, onze Heere Jezus Christus.

Verschil in geloofsbeleving
Als altijd zijn ook hier leer en leven niet te scheiden. Er is in de gemeente een voortdurende wisselwerking tussen de prediking en de geloofsbeleving. Eventuele manco's in de prediking veroorzaken ook manco's in de geloofsbeleving. Zulke manco's roepen soms geweldige spanningen op en kunnen zelfs tot kerkscheuring leiden. Ze kunnen ook elkaar versterken en de geloofsgemeenschap een eigen kleur geven. Met als gevolg, dat de veelkleurigheid van de wijsheid van God dreigt te verbleken. Niet zonder schade voor jezelf èn voor je medechristenen.
Wat ons met Ohmann verbindt, is zijn bijbelgetrouwheid. Aan de vrijgemaakte Theologische Universiteit van Kampen wordt niet aan Schriftkritiek gedaan. Wij hier in Zeist willen dat evenmin. Daarom maken wij ook een dankbaar gebruik van publicaties van vrijgemaakte theologen. Maar op het punt van de geloofsbeleving blijkt dat anders te liggen. Als ik Ohmann goed heb begrepen, voelt hij dat zelf ook zo aan. Ergens heeft hij het over de 'zogenaamde zware kringen' (13). Ze zijn niet 'zwaar' om hun taalgebruik, maar dat 'zwaar' zijn uit zich in hun taalgebruik. Of Ohmann ook ons tot die 'kringen' rekent en welke maatstaf hij daarbij hanteert, weet ik niet. Het is ook niet ter zake. Wel constateer ik een zekere analogie in geloofsbeleving tussen vrijgemaakten en christenen die direct of indirect Barthiaans beïnvloed zijn. Het punt van overeenkomst is de vanzelfsprekendheid van het geloof dat de Heere Jezus je Heiland is en dat jij daarom een kind van God bent.
Barth verwerpt de leer van het werkverbond. Door zijn christomonisme vloeien de theologie (de leer aangaande God) en de christologie (de leer aangaande Christus) in elkaar over evenals trouwens ook de christologie en de pneumatologie (de leer aangaande de Heilige Geest). Daardoor komt de driedeling van het Apostolicum onder druk te staan. Wat blijft dan over van de eigenheid van het geloof in God de Vader en onze schepping, de eigenheid van het geloof in God de Zoon en onze verlossing en de eigenheid van het geloof in God de Heilige Geest en onze heiligmaking?
Bij de vrijgemaakt gereformeerden ligt dat duidelijk anders. Zij belijden evenals wij de historiciteit van Genesis 1-3. Ohmann wijdt daar ook een hoofdstuk aan (49-60). Maar Gods toorn is — zoals in de titel van dit hoofdstuk ook tot uitdrukking wordt gebracht — meer 'achtergrond der schepping' dan Zijn reactie op onze overtreding van Zijn heilige wet. Gods toorn van nabij maar niet over mij. Genesis 1-3 zonder het kader van Romeinen 5. Dan klinkt op dit punt althans niet meer het getuigenis van de Schrift door in al haar verbanden. Kom je dan nog wel tot een schuldbelijdenis als van David in Psalm 6?
O Heere, straf mij niet in Uw toorn
en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.
Wees mij genadig, Heere, want ik ben verzwakt,
genees mij, Heere, want mijn beenderen zijn verschrikt.
Ja, mijn ziel is zeer verschrikt, en Gij, Heere, hoe lang?
Om toch nog even dit woord te gebruiken: Moet het mij niet zwaar vallen, ja steeds zwaarder, dat ik door mijn zonde de Heere heb gekrenkt? Zou Anselmus tegen mij hetzelfde gezegd hebben als tegen Boso: Je hebt nog niet overwogen hoe groot de zwaarte van de zonde is.2-s2) Bij een onder-ontwikkeld zondebesef komt ook het Evangelie nog niet ten volle tot zijn recht als kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft. Dan wordt het geloof niet ervaren als een kwestie van leven of dood. Er is geen bidden en smeken: Geef mij Jezus of ik sterf. Er is niet het echte troosten zoals Olevianus het ons heeft geleerd in het Schatboeck: de ene waarheid stellen tegenover de andere. Ik ben niet van mijzelf maar van mijn trouwe Zaligmaker Jezus Christus. Dan is er nog niet het vluchten voor God naar God. Zonder diepte geen hoogte, zonder verootmoediging geen verwondering, zonder Kyrie geen Gloria. Er zit dan ook geen spanning in de prediking: Láát u met God verzoenen! Háást u om uws levens wil. Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof.

Bijbelse, gereformeerde spiritualiteit
Ons staat op onze opleiding voor ogen een bijbelse, gereformeerde spiritualiteit. Ds. Den Boer sprak daarover bij de opening van de vorige cursus.2-s3) Dan kunnen we niet heen om de vraag: Wie kent Uw toorn? Ken ik Uw toorn? Niet maar als een schot voor de boeg, maar omdat de pijlen van Uw Woord mij hebben getroffen tot in het diepst van mijn ziel... Heere, mag ik U kennen in Uw toorn èn in Uw genade?
Zie mij Heer', Wie elk moet duchten
tot U vluchten,
o mijn God, verlaat mij niet...
Het is goed aan het begin van de nieuwe cursus onze motivatie te testen. Wat bezielt ons? Waarom wil je kerkelijk werker worden, godsdienstleraar? Waarom wil je theologie studeren, doceren? Laat het lied van Jesaja uit hoofdstuk 12 ons persoon­lijk antwoord mogen zijn:
Ik dank U, HEERE,
dat Gij toornig op mij geweest zijt,
maar Uw toom is afgewend
en Gij troost mij.
Ziet, God is mijn Heil,
ik zal vertrouwen en niet vrezen,
want de Heere HEERE is mijn Sterkte en mijn Psalm
en Hij is mij tot Heil geworden.

s1) H.M. Ohmann, Wie kent Uw toorn? Het Oude Testament over de toorn van God, 195 p., geb., ƒ 25,50, uitgeverij Oosterbaan & Le Cointre, Goes 1988.
2) Anselmus, Cur Deus homo? (Waarom werd God mens?), 1, 21. De Latijnse tekst luidt: Nondum considerasti quanti ponderis sit peccatum.
3) C. den Boer, Het heilig onderricht der kerk, De Waarheidsvriend 77 (1989), 586v.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Wie kent Uw toorn?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's