Globaal bekeken
In het boek Picturalia, dat dezer dagen verscheen (een fotoreportage uit het leven van K. Schilder, zie aankondigingen), staat in de 'Inleiding' van de hand van dr. W.G. de Vries een gedicht uit het voormalige weekblad 'De Ster' van een zekere 'Nugator', dat aan Schilder werd toegestuurd door ds. J. Smalik uit Hillegom op 26 maart 1923. Hier volgt het, zonder commentaar:
K.S.,
Zie, hier toon ik u een man, die Kerrekbodes redigeert,
Maar die onze menschen zeker niet op duffigheid tracteert.
ledere week opnieuw bazuint hij, met zijn jeugdig stemgeluid
En hij jaagt de malligheden onvervaard ter deure uit.
Weg den preektoon, weg de termen, weg de tale Kanaäns.
Weg godsdienstige geheimtaal: spreekt toch duidelijk Nederlandsch.
Weg het 'och, mocht het toch nog eens komen te gebeuren staan'.
Zie toch niet wat dierb're woorden voor het zuiv're kenmerk aan.
Kijkt, zoo spreekt hij naar het hart van ieder, die de waarheid mint,
En wiens geest zich, als zijn lichaam, in de 20e eeuw bevindt.
Want ook op den preekstoel, zegt hij, kinderen van dezen tijd:
Waarom moet dáár alles anders, kwasi-ouderwetsch gezeid?
Waarom heet dáár kunstbewerking, wat men operatie noemt?
Waarom wordt 't volle leven dáár zoo deftiglijk verbloemd?
En zoo speurt hij, op en om ons erf, naar onwaarachtigheid.
En naar alles wat in 't duister woekert en het zonlicht mijdt.
't Is een militante geest, die uit zijn woorden tot u spreekt,
En die niet zoetsappigheden, maar de naakte waarheid spreekt.
Maar uit liefde tot de Waarheid schrijft zijn pen het snedig woord.
Daarom: schildert gij wel fel soms, Schilder, schilder hoopvol voort.
Uit hetzelfde boek twee melancholieke gedichtjes, overgenomen uit de almanakken van het studentencorps FQJ in de jaren 1910-1913:
• HERFST
Nu komt weer over mij de droeve najaarsstemming,
Nu schreit mijn ziel weer zacht van stille stervensmart,
Nu strijdt, wijl 't sterven moet, maar nog niet kan, mijn hart,
En voelt toch drukken reeds de kille doodsbeklemming.
• DES EENZAMEN SNIK
Aan Piet Paaltjes
De ruwe philisters,
Die lachen zoo luid;
Al sterft ook de vreugde,
Ze schaat'ren het uit.
De ruwe philisters
Die lachen zoo luid;
Maar ik schrei, gansch eenzaam,
Mijn weemoed uit.
In de Kroniek van Ter Herkenning (tijdschrift voor joden en christenen) troffen we het volgende stukje, getiteld 'Monument Apeldoornsche Bosch':
'Op 23 april jl. heeft prinses Juliana het monument onthuld dat herinnert aan de deportatie van ongeveer 1500 patiënten en personeelsleden van de joodse psychiatrische inrichting Het Apeldoornsche Bosch. De joodse psychiatrische inrichting 'Het Apeldoornsche Bosch' was één van de objecten van de 'Vereeniging Centraal Israëlitisch Krankzinnigengesticht in Nederland'. In 1909 werd de inrichting geopend. Vlak voor de oorlog was er een opname-capaciteit van ongeveer 1000 patiënten. Ook was er een afdeling voor moeilijk opvoedbare en geestelijk gestoorde joodse kinderen: Het Peadogogium Achisomog.
In april 1942 moesten alle niet-joodse werknemers, bijna de helft van het personeelsbestand, worden ontslagen. Het personeelstekort werd ruimschoots gedekt door het aanbod van joodse arbeidskrachten, voornamelijk afkomstig uit Amsterdam. Zij meenden in Apeldoorn veiliger te zijn.
In januari 1943 achtten de Duitse autoriteiten – in het kader van de Endlösungspolitiek – de tijd daar, Het Apeldoornsche Bosch waar zich op dat moment de grootste concentratie joodse verpleegden bevond, te ontruimen. De aktie stond onder leiding van Hauptsturmführer Ferdinand Aus der Fünten. Bijna 1200 patiënten, waaronder ook de kinderen van het Paedagogium Achisomog werden in de nacht van 21 op 22 januari 1943 met vrachtauto's naar het station in Apeldoorn gebracht. Ze werden in goederenwagons geladen. Vijftig personeelsleden moesten mee met dit transport, dat als eindbestemming Auschwitz had.
Het overgebleven personeel werd naar Westerbork vervoerd. De meesten van hen werden vrijwel direkt doorgezonden spreekt naar de vernietigingskampen in het oosten. Ongeveer 14 mensen kwamen uit de kampen terug. Van het gevluchte en ondergedoken personeel hebben ongeveer 75 mensen de oorlog overleefd.
Historisch Museum Marialust in Apeldoorn stelde vorig jaar een expositie over de inrichting samen. De tentoonstelling maakte veel emoties los. De publiciteit rond de expositie heeft tot gevolg gehad dat veel mensen zich afvroegen, waarom er geen monument is dat herinnert aan de deportatie. Beeldend kunstenaar Ralph Prins uit Den Haag heeft het monument ontworpen. Hij maakte onder meer het Nationaal Monument Westerbork.'
De Nederlandse Patiënten Vereniging (NPV) hield een peiling onder haar leden over 'orgaantransplantatie'. Hier volgt het resultaat:
'Geprikt'
De peiling werd telefonisch gehouden. In de provincies waar de NPV een grotere vertegenwoordiging had zijn wat meer leden 'geprikt' dan in provincies waar dit niet het geval was.
De verdeling was als volgt: 5 deelnemers uit Friesland, Drenthe, Utrecht, Noord-Holland, Noord-Brabant; 10 deelnemers uit Zeeland, Overijssel; 15 deelnemers uit Gelderland, Zuid-Holland. In totaal zijn aan tachtig leden vier vragen voorgelegd. Aan de peiling deden 28 mannen en 52 vrouwen mee. Zij vertegenwoordigden met elkaar tien kerkgenootschappen.
De leeftijdsopbouw was als volgt: 18 tot 25 jaar: 9 leden, 11,25% van de ondervraagden; 25 tot 40 jaar: 21 leden, 26,25% van de ondervraagden; 40 tot 65 jaar: 35 leden, 43,75% van de ondervraagden; ouder dan 65 jaar: 15 leden, 18,75% van de ondervraagden.
Enquête
Vraag 1:
Bent u voor of tegen transplantatie van donor-organen en -weefsels?
Van de tachtig deelnemers waren er 62 (77,5%) voor en 18 (22,5%) tegen.
Omgerekend naar geslacht waren van de 28 mannen 22 (79%) voor en 6 (21%) tegen. Van de 52 ondervraagde vrouwen waren 34 (64,5%) voor en 18 (35,5%) tegen transplantatie.
Gekeken naar de leeftijdsopbouw zien de antwoorden er zo uit:
– van de 9 deelnemers van 18 tot 25 jaar waren 8 (89%) voor en was 1 (11%) tegen transplantatie.
– van de 21 deelnemers van 25 tot 40 jaar waren (15 (71%) voor en 6 (29%) tegen.
– van de 35 deelnemers van 40 tot 65 jaar waren 29 (83%) voor en 6 (17%) tegen.
– van de 15 deelnemers van 65 jaar en ouder waren 10 (67%) voor en 5 (33%) tegen.
De geënquêteerden kwamen uit tien verschillende kerkelijke richtingen. Maar in verband met de representativiteit worden hier alleen de kerkgenootschappen genoemd waarvan tien of meer leden aan deze enquête meededen.
– Van de deelnemers waren 16 Gereformeerd (vrijgemaakt). Veertien (87,5%) van hen waren voor transplantatie, twee (12,5%) waren tegen.
– Van de deelnemers waren 29 lid van de Gereformeerde Gemeente. Tweeëntwintig (76%) van hen waren voor, 7 (24%) waren tegen.
– Van de deelnemers waren 10 Nederlands Hervormd (G.G.). Acht (80%) waren voor en twee (20%) waren tegen.
– Van de deelnemers waren 10 lid van de Christelijk Gereformeerde kerk. Acht (80%) van hen waren voor en twee (20%) waren tegen transplantatie.
Vraag 1a:
Als u tegen transplantatie van donor-organen bent, wat is dan daarvan de reden?
Alle tegenstanders gaven aan dat het Bijbels niet verantwoord is om donor-organen te transplanteren.
Vraag 2:
Als u tegen het beschikbaar stellen van organen bent, betekent dat dan dat u in voorkomende gevallen ook geen organen wilt ontvangen?
Alle tegenstanders wilden in voorkomende gevallen ook niet geholpen worden door middel van donor-organen.
Vraag 3:
Maakt u uitzonderingen bij het beschikbaar stellen van organen?
Van de ondervraagden vonden 50 (62,5%) dat een aantal organen niet voor transplantatie in aanmerking komen. Organen die hierbij genoemd werden zijn hart, hersenen en geslachtsorganen. En 30 deelnemers (37,5%) vonden dat alle organen in aanmerking komen.
Vraag 4:
Bent u voor of tegen het afstaan en ontvangen van bloed?
Van de geënquêteerden zeiden 77 (96%) voor te zijn en 3 (4%) waren tegen.
Aan de uitslagen van deze peiling zijn geen conclusies verbonden. De peiling is alleen bedoeld om de lezer over de verschillende meningen in de achterban te informeren.
In een recent uitgegeven boek over de geschiedenis van de Hervormde gemeente van Kampen en Kampereiland ('Kerken in Kampen', uitgave Van den Berg, Kampen) troffen we het volgende over 'toverij' aan:
'Het geloof in toverij blijkt in Kampen erg hardnekkig te zijn geweest, want tweehonderd jaar later kon men in het Kamper Weekblad onder "Stadsnieuws" (3 juli 1837) het volgende lezen:
"Men verneemt met genoegen dat de betovering van het melkvee op zekere Kampereilander boerderij minder zwaar is geweest dan aanvankelijk verhaald werd en dat het gebrek aan melk en boter grotendeels het gevolg was van gemis aan goed voedsel. De twaalf boeren die de wacht hebben gehouden, zijn genoegzaam eenparig van oordeel, dat de twee ontdekte katten, een witte en een zwarte, alleen niet in staat waren dit kwaad te veroorzaken."
In 1868 scheen onder de boeren het geloof in toverij nog voor te komen, want in dat jaar was er in Brunnepe nog een boer die daarin geloofde, getuige de volgende mededeling:
"De boter wilde door de tropische hitte in juli 1868 niet karnen. Dus was hij van mening dat zijn koeien behekst waren. Hij ging in Zwartsluis naar een zgn. duivelbanner, die hem een smeerseltje gaf, wat natuurlijk niet hielp."
Het bijgeloof bestreden
Een groot bestrijder van het bijgeloof was de Amsterdamse predikant Balthasar Bekker, die in 1691 zijn boek publiceerde "De Betooverde Weereld, zijnde een grondig onderzoek van 't gemeen gevoelen aangaande de Geesten, derselver Aarten Vermogen, Bewind en Bedrijf, alsook 't gene de Menschen door derselver Kraght en Gemeenschap doen".
Zijn studie, gegrond op de filosofie van Descartes, heeft in ons land en daarbuiten het bijgeloof teruggedreven en inderdaad af en toe vermeende heksen van de brandstapel gered. Ook had dit boek tot gevolg dat krankzinnigen op de duur een betere behandeling kregen, doordat ze als ziek werden gezien en niet meer, zoals voorheen, als handlangers van de Satan Aanvankelijk was de kerk het met zijn werk niet eens en hield men vast aan dit "duivelengeloof". Op 7 augustus 1692 werd hij door de Provinciale Synode in Alkmaar als predikant afgezet, maar de Amsterdamse magistraat betaalde zijn salaris gewoon door en de predikantsplaats bleef onbezet.
In dit boek "De Betooverde Wereld" schrijft Balthasar Bekker een verhaal dat hij gehoord had over een "betoverde Kamper jongen" in 1685, waarvan we o.a. het volgende ontlenen:
"Het is op een decemberdag van het jaar 1685, dat verschillende mensen ondanks de koude noordoostenwind en sneeuwval zich op straat bevinden. Verscheidene groepjes mensen praten druk met elkaar. Het blijkt te gaan over een zoon van de meesterleidekker, die daags tevoren door een groentevrouw zou zijn behekst. Allerlei verhalen doen de ronde en de jongen beweert, dat hij steeds moet braken en dat er van alles uit zijn maag komt zoals naalden, spijkers, potscherven, haarvlechten, terwijl de dominee zou hebben gezegd dat er latijnse thema's uit zijn maag zijn gekomen. Men vindt dit een zeer ernstig geval en zo wordt het goed gevonden, dat de dominees er zondag over zullen preken en dat de domineesvrouw soep voor de jongen zal brengen en de buren verversingen en lekkernijen. Anders zou de jongen (dertien jaar) nog van honger omkomen. Daar luidt de schepenklok van het oude raadhuis, want zeker zullen schepenen en raad over dit geval vergaderen.
Voor het raadhuis staan soldaten en dienders. De keren van het gerecht zijn op het raadhuis aanwezig en hebben een oude vrouw, die verdacht wordt een heks te zijn, voor zich doen verschijnen. Zij wordt ondervraagd en nadat men de zaak nog eens heeft onderzocht, wordt zij onschuldig bevonden. Dit is niet naar de zin van het toegestroomde volk. Men eist bestraffing. Ter bescherming wordt zij nog voorlopig in het raadhuis vastgehouden, doch later wordt zij door de gewapende macht buiten de stad gebracht. Het volk had de ruiten van haar armoedige woning vernield, zodat de stedelijke overheid haar huisje moest laten bewaken. Zelfs in de omgeving van de stad bracht deze zaak verontrusting. De verdachte had een zuster in Wilsum wonen en deze vrouw, die part noch deel had aan een en ander, werd door haar dorpsgenoten geplaagd en gekweld.
De stedelijke overheid liet ook de jongen voor zich verschijnen, ondervroeg hem ernstig en liet hem daarna scherp bewaken. Maar nu kwam er niets meer uit de maag van de jongen. Hij bekende nu dat hij, om van het leren op school en het werken in de winkel af te zijn, zijn ouders had bedrogen en daarom de hele tovergeschiedenis maar had verzonnen. Zijn ouders werden van de uitslag van dit onderzoek op de hoogte gesteld en hen werd gelast de deugniet een flink pak slaag te geven."
Balthasar Bekker roemt hierna nog de houding van de Kamper magistraat, maar spreekt zijn afkeuring uit over de Kamper predikanten die het kwaad eerder hadden vergroot dan bestreden.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's