Bestuur verdringt beheer
Gaat de Nederlandse Hervormde Kerk breken met haar verleden terzake van het kerkvoogdelijk beheer?
Bijgaand treft men een helaas wat uitvoerig artikel aan, dat ingaat op de huidige synodale voorstellen tot reorganisatie van het kerkvoogdelijk beheer. Over deze voorstellen moeten de classicale vergaderingen binnenkort advies uitbrengen. Met het oog op deze procedure heeft het hoofdbestuur een commissie ingesteld, die het rapport 'Bestuur en beheer' heeft opgesteld en dat een week geleden aan alle kerkeraden en kerkvoogdijen is toegezonden. In dit artikel geeft de voorzitter van de commissie een beknopte weergave van en toelichting op het rapport. De inhoud van het artikel komt voor persoonlijke rekening van de auteur; zijn mede-commissieleden hebben er vooraf geen kennis van kunnen nemen.
1. Een eeuwenlang slepende kwestie
Wie enigermate op de hoogte is met de geschiedenis van de Reformatie en onze Nederlandse Hervormde Kerk, weet dat zich rondom het beheer van de kerkelijke goederen en financiën soms heftige tonelen hebben afgespeeld. Vóór 1795 — het einde van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden — is dit beheer in hoofdzaak een gewestelijke en plaatselijke aangelegenheid met alle onderlinge verschillen van dien. Doordat er vanaf de Reformatie in de Lage Landen bij de zee tal van betrekkingen bestonden tussen kerk en staat, had vóór de Franse Overheersing de gewestelijke of plaatselijke overheid een stem in het kapittel bij het kerkelijk beheer. Naarmate er sprake is van het ontstaan van een hechtere staatkundige eenheid, krijgt de bemoeienis van de wereldlijke overheden heel geleidelijk een meer uniform karakter. Ondertussen weet het gereformeerde kerkrecht zich te consolideren. Echter, op het moment dat de centralistisch ingestelde Franse overheersers ons land in hun greep krijgen, wordt de kerk geconfronteerd met éénzijdige, revolutionaire maatregelen van de overheid. De band tussen kerk en staat werd ten principale doorgesneden. Dat betekende echter (nog) niet dat de kerk bevoegd geacht werd om haar eigen, interne aangelegenheden te regelen. Dit kwam al spoedig nadat onze natie haar souvereiniteit herwonnen had (1813) tot uitdrukking in het beruchte Koninklijk Besluit van 7 januari 1816, het Algemeen Reglement. De koning bleef opperkerkvoogd tot 1852 en in zekere zin zelfs tot 1870, toen het Algemeen Reglement op het Beheer van kracht werd.
Men zou kunnen stellen, dat vanaf dat ogenblik de staat het beheer van de kerkelijke goederen en financiën aan de kerk laat. Behoudens de afwikkeling van de erfenis uit de staatskerk-periode kon de kerk nu zèlf haar zaken regelen. De strijd tussen kerk en staat was ten einde.
De kerk had nu weliswaar de handen vrij om vorm te geven aan de volgens haar eigen inzichten meest gewenste inrichting van het beheer der materiële aangelegenheden. We weten echter dat het tot op de dag van vandaag niet gelukt is om dat beheer op uniforme wijze in te richten.
2. Wat is er aan de hand?
Waarom dit uitstapje in de geschiedenis van wat is gaan heten de 'beheerskwestie' in de Ned. Herv. Kerk? Kerkvoogden en ouderlingen-kerkvoogd zal het niet zijn ontgaan, dat op het ogenblik een procedure in de kerk gaande is, die erop is gericht, nieuwe regels tot stand te brengen, die zullen gelden voor het kerkvoogdelijk beheer. Als één van de voornaamste doelstellingen valt aan te merken het streven om tot één kerkordelijke regeling voor dat beheer te komen (al is er méér aan de hand, waarover hieronder nader). Zoals men weet, is het in de geschiedenis van onze kerk niet gelukt, ondanks de mogelijkheid daartoe sinds 1870, om een uniforme beheersregeling tot gelding te brengen. Ook niet, toen de huidige kerkorde — die van 1951 — tot stand kwam, integendeel zelfs. Vanaf 1951 kennen we drie vormen van beheer. Deze situatie valt alleen vanuit de historie te verklaren.
Als er geen kink in de kabel komt — zoals al zo dikwijls is gebeurd — en de synodevoorstellen, zoals ze er nu liggen, in bindende besluiten zouden worden omgezet, zal de situatie van drie onderscheiden vormen van beheer (en toezicht daarop) op 1 januari 1996 een einde nemen. Dat zou een historisch moment zijn. Maar zo ver is het nog lang niet, — en dan duiden wij niet alleen op de tijdsspanne tussen nu en 1996.
3. Een rapport van de Gereformeerde Bond
De Gereformeerde Bond heeft zich door de jaren heen beziggehouden met de bestuurs- en beheerskwestie. Verwezen zij naar de brochure die na het van kracht worden van de huidige kerkorde is verschenen: 'Financieel beheer' (1976). Toen het Samen op Weg-proces zodanig was gevorderd, dat beide kerken zich in 'staat van hereniging' verklaarden (1986), werd een studie gepubliceerd, waarin de vragen en problemen rondom een beoogde fusie van beide kerken aan de orde werden gesteld: 'Kerk en goed' (1987).
Toen in de loop van 1988 duidelijk werd dat, geheel los van het Samen op Weg-proces als zodanig, de Hervormde Kerk tot een nieuwe regeling van het eigen financiële beheer wenste te komen, vond het hoofdbestuur daarin reden om eind 1988 een commissie in te stellen, die het hoofdbestuur van advies zou moeten dienen. Het advies zou tevens moeten dienen om degenen die in de classicale vergaderingen zouden moeten considereren over de synode-voorstellen, van dienst te zijn.
De commissie bestond uit — in alfabetische volgorde: J. van Asselt, K.A. Gort, ondergetekende, M. Holleman en J. van Vugt. In juli van dit jaar kon de commissie, na een vijftal vergaderingen in 1989 en 1990, haar arbeid afronden en haar rapport aan het hoofdbestuur aanbieden. In zijn vergadering van 23 augustus besloot het hoofdbestuur het rapport, inclusief de aanbevelingen voor zijn verantwoording te nemen en het rapport ter beschikking te stellen van allen die zich bij de bestuuren beheerskwestie betrokken weten.
Het hoofdbestuur meent dat de conclusies en aanbevelingen sporen met de bij eerdere aangelegenheden ingenomen positie in de grondvragen betreffende de kwestie bestuur en beheer.
Korte voorgeschiedenis
Laten wij eerst bezien hoe de situatie van het ogenblik is en wat daaraan is voorafgegaan. De weergave van de voorgeschiedenis blijft uiteraard beperkt tot wat met het heden in rechtstreeks verband staat.
Op 7 december 1981 werd door het moderamen van de generale synode een uit negen leden bestaande werkgroep ingesteld, die tot taak kreeg een herbezinning op de ordinanties 16 (financiën) en 18 (toezicht) op gang te brengen. De werkgroep kende behalve hervormde leden tenminste ook één lid behorende tot de Gereformeerde kerken in Nederland. In 1983 werd een tussenrapport uitgebracht, dat echter niet gepubliceerd werd. In juni 1986 bood de werkgroep haar eindrapport aan. Het Gereformeerde lid had zijn werkzaamheden voortijdig beëindigd. Twee leden boden een minderheidsrapport aan, terwijl een derde lid zich volledig distantieerde van de resultaten, waartoe de werkgroep was gekomen.
Dat deze herbezinning niet louter als een Hervormde aangelegenheid werd gezien, blijkt behalve uit de samenstelling van de werkgroep ook uit haar opdracht, die vijf punten omvatte. Het derde punt hield in: 'het overwegen welke aanpassingen in de bestuurs- en beheersvormen nodig of wenselijk zouden zijn in verband met de ontwikkelingen in het kader van het Samen op Weg en het meer op elkaar afgestemd worden van de organisatievormen van de Hervormde Kerk en die van de Gereformeerde Kerken'.
Wie het rapport van de werkgroep leest en kennis neemt van de kerkordewijzigingen die men voorstelt, kan tot geen andere conclusie komen, dan dat men het hervormde model van de scheiding van bestuur en beheer (kerkeraad-kerkvoogdij) wilde vervangen door het gereformeerde model van de integratie van bestuur en beheer (alléén kerkeraad bevoegd en verantwoordelijk). Deze keuze bracht uiteraard een aantal voorstellen tot wijziging van de kerkorde op verschillende punten mee.
Intussen was in diverse Samen op Weg-gemeenten de actuele behoefte ontstaan aan een concrete, algemeen geldende regeling voor het financiële beheer. In de zogenaamde 'Schets 1986' voor de herenigde kerk was een voorstel opgenomen. Echter, beide kerken konden het in die dagen niet eens worden. De beheersregeling vormde een dermate moeilijk punt, dat het één en andermaal van de agenda van de combi-synode moest verdwijnen. Pas in november 1989 werd een compromis in het kader van de zogenaamde 'Tussenorde' bereikt.
Het rapport van de 'Werkgroep 16-18' werd in 1988 in de synode behandeld, waarna de Commissie kerkordelijke aangelegenheden (KOA) de opdracht kreeg om de voorstellen van de 'Werkgroep' om te zetten in concept-voorstellen tot wijziging van de kerkorde. De KOA kreeg tevens de opdracht om nieuwe overgangsbepalingen te ontwerpen en daarbij uit te gaan van een overgangstermijn van vier jaar. In maart van dit jaar vond in de synode de behandeling van de voorstellen in eerste lezing plaats. De voorstellen werden vrijwel unaniem aanvaard; slechts vier synodeleden stemden tegen. Thans zijn de classes aan de beurt om de synode te adviseren over de genomen besluiten. Daarna volgt een behandeling ter synode in tweede lezing — mogelijk in maart 1992 — met een dubbele bezetting.
5. Rapport 'Bestuur en beheer'
Het rapport bestaat uit de volgende onderdelen: (1) Een globale historische schets van de ontwikkeling van de verschillende vormen van bestuur en beheer sinds de 16e eeuw; (2) een overzicht, dat inzicht verschaft in de thans voorkomende vormen van beheer in de Nederlandse Hervormde Kerk; (3) een overzicht en bespreking van de voornaamste voorstellen die tot de synodebesluiten van maart jl. hebben geleid. (Hierbij zij nog aangetekend dat in het rapport herhaaldelijk aandacht wordt besteed aan de voorstellen van het Algemeen College van Toezicht, het hoogste beheersorgaan voor de onder 'oud toezicht' vallende gemeenten, tot herziening van het Algemeen Reglement van 1870. De voorstellen kunnen geacht worden voort te komen uit onvrede met de resultaten van de 'Werkgroep 16-18'). (4) Conclusies en aanbevelingen, waarin verwerkt is een aantal voorstellen van de commissie tot amendering (wijziging) van de synodebesluiten.
Het rapport kent uiteraard een samenvatting plus een onverkorte weergave van de aanbevelingen en amendementen, zulks in het bijzonder ten gerieve van degenen, die aan de classicale beraadslagingen en vervolgens aan het beraad in de synode in tweede lezing zullen deelnemen. Tenslotte gaat het eigenlijke rapport vergezeld van een vijftal bijlagen: (1) de door de KOA geformuleerde voorstellen, zoals deze in de synode zijn behandeld; (2) het concept tot herziening van het Algemeen Reglement; (3) en (4) de voorstellen van de 'Werkgroep '16-18' (5) een overzicht van de beheersstructuur in de Gereformeerde Kerken. Deze bijlagen vergemakkelijken het lezen van het rapport, in het bijzonder voor degenen die zich meer dan alleen oppervlakkig in de materie moeten of willen verdiepen en niet alle oudere stukken binnen handbereik hebben.
5.1. Historie
De schets van de historie moge hier verder blijven rusten. Niet omdat ze zonder belang zou zijn, integendeel. De thans bestaande situatie hééft niet alleen een geschiedenis, maar is een belangrijk deel ook produkt van een geschiedenis met veel wederwaardigheden. Men kan zich onmogelijk losmaken van die geschiedenis. Bij alle plannenmakerij met het oog op de toekomst kan en mag de band met het verleden niet klakkeloos doorgesneden worden. Men moet niet doen alsof men met een schone lei of op een onbeschreven blad papier kan beginnen. Anderzijds mag het verleden ook geen knellende band worden. De instituties in de kerk van vandaag moeten beantwoorden aan de eisen die vandaag en morgen gesteld moeten worden aan hun functioneren ten behoeve van het welzijn der gemeente. Het bestaande is niet 'goed' omdat het oud is. Het oude moet bewijzen 'goed' te zijn en te werken, waarbij overigens aangetekend zij dat in een gemeenschap dikwijls uit meerdere goede vormen toch een keus gemaakt moet worden, eenvoudig omdat een (te) grote verscheidenheid problemen kan opleveren.
5.2. Bestaande toestand
Ook op het tweede onderdeel van het rapport — het overzicht van de bestaande beheersvormen in de Ned. Herv. Kerk — behoeft niet breedvoerig ingegaan te worden. Het heeft vooral informatieve waarde voor belangstellenden. Kerkvoogden zullen met deze materie bekend zijn, al zal het in vele gevallen zó zijn dat zij uit ervaring slechts van één vorm van beheer kennis dragen. Misschien zijn zij ermee gebaat dat zij ook inzicht verwerven in het functioneren van de andere vormen van beheer. Dan kunnen zij globaal vergelijken hoe groot de verschillen en overeenkomsten tussen deze èn de hun vertrouwde vorm van beheer werkelijk zijn. Van 'het andere' bestaat soms een beeld, dat niet met de werkelijkheid overeenstemt. En wat niet bekend en vertrouwd is, loopt al snel de kans alleen dáárom veroordeeld of althans afgewezen te worden.
5.3. Synodale voorstellen
Het derde onderdeel — het overzicht van de besluiten ter synode ten aanzien van de KOA-voorstellen — is uiteraard van groot belang. Het gaat om een aanzienlijk pakket uitgewerkte voorstellen, die in onderling verband moeten worden bezien en die bovendien beschouwd moeten worden tegen de achtergrond van de bestaande Kerkorde. Voor menigeen — begrijpelijk — geen eenvoudige zaak. Daarom heeft de commissie getracht 'leeshulp' te bieden door een samenvatting op hoofdpunten te geven van het rapport van de 'Werkgroep 16-18', de daaruit voortgevloeide zes KOA-voorstellen, alsmede van het concept voor de herziening van het oud toezicht-Reglement.
Omdat voor de verdere procedure vooral de KOA-voorstellen tot wijziging van de kerkorde van belang zijn, mogen deze op de meeste aandacht rekenen. Daarom is het goed de voornaamste wijzigingen op het punt van het beheer en toezicht hier wat breder weer te geven.
De synodale voorstellen leiden ertoe, dat in plaats van de bestaande drie beheersvormen er één voor de gehele kerk geldende vorm van kerkvoogdelijk beheer zal ontstaan. Men wil dat bereiken door de voorgestelde regeling de plaats te laten innemen van de bestaande regelingen, uiterlijk op 1 januari 1996.
Geen enkele van de bestaande regelingen zal ongewijzigd blijven. Er kunnen nog wel verschillen binnen de ene voorgestelde regeling voorkomen, maar deze kunnen slechts bestaan op één algemeen geldende regeling. Zo kunnen er ook in de 'aangepaste' gemeenten (nieuw, kerkordelijk toezicht) veranderingen optreden, bijvoorbeeld kunnen daar, anders dan nu, straks ook kerkvoogden die geen ambtsdrager (ouderling) zijn voorkomen, indien het plaatselijk reglement hierin voorziet. Ook voor deze gemeenten zullen de nieuwe regels met betrekking tot het toezicht, het beleidsplan, etc. gaan gelden.
De commissie heeft zich niet beziggehouden met theologische overwegingen aangaande de figuur van de kerkvoogdambtsdrager (ouderling). Daarover is uitgebreid gediscussieerd bij gelegenheid van de kerkorde van 1951. Eensgezindheid bestaat er op dit punt nog altijd niet. De commissie, bestaande uit niet-theologen, heeft zich beperkt tot de constatering dat gebleken is dat de ouderling-kerkvoogd over het algemeen goed heeft kunnen functioneren.
De verhoudingsgewijs grootste gevolgen zal de beoogde nieuwe regeling uiteraard hebben voor de oud toezicht- en vrij beheer-gemeenten. Daarmee komen wij dan op de verdere, inhoudelijke voorgestelde wijzigingen.
Hoofdzaak is wel, dat men de sinds de Reformatie bestaan hebbende (onder)scheiding tussen bestuur (kerkeraad) en beheer (kerkvoogdij) ongedaan wenst te maken. Men stelt de zogenaamde integratie van bestuur en beheer voor. Dit houdt in, dat de kerkeraad op het niveau van de plaatselijke gemeente de (enige) instantie is, die beslist over de stoffelijke aangelegenheden. Er blijft wel een college van kerkvoogden bestaan, maar de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid komt bij de kerkeraad te liggen. Voor zover de kerkvoogden eigen beslissings- en handelingsbevoegdheid behouden, zijn ze van de uitoefening daarvan verantwoording verschuldigd aan de kerkeraad. Het college van kerkvoogden blijft, net als nu, de gemeente in en buiten rechte vertegenwoordigen in alle vermogensrechtelijke zaken, voorzover niet van diakonale aard.
Voorzover daaraan in de toekomst nog behoefte bestaat, kunnen gemeenten in hun plaatselijk reglement bepalen, dat het college van kerkvoogden zich laat bijstaan door een college van notabelen, waarvan de bevoegdheden zich moeten bewegen binnen het raam van de kerkordelijke regeling van het beheer.
Nieuw is het voorschrift, dat de kerkeraad eenmaal per vijf jaar een zonodig jaarlijks hij te stellen beleidsplan moet vaststellen. Overleg met de kerkvoogden is daarbij geboden en zij kunnen, als zij zich ten ene male niet verenigen kunnen met de financiële paragraaf, bezwaar maken bij toezichthoudende colleges. Ook de begroting en rekening zouden in de voorstellen door de kerkeraad vastgesteld moeten worden. Ze worden opgesteld door de kerkvoogden en met hen dient ook overleg plaats te vinden, evenals trouwens met de diakenen.
Kwam hierboven reeds de wijziging ter sprake dat niet alle kerkvoogden ambtsdrager behoeven te zijn, — anders dus dan in nu aangepaste gemeenten — vermelding verdient echter dat de voorstellen willen dat de meerderheid van het college van kerkvoogden uit tot ouderling aangewezen kerkvoogden bestaat. Wat betreft het toezicht wordt een samenvoeging van verschillende toezichthoudende organen voorgesteld. Het toezicht zal — formeel — versoepeld worden; het zal het karakter van advies en begeleiding krijgen, hetgeen in een aantal, zo niet alle kerkprovincies reeds praktijk is.
Verdere details laten wij hier rusten; men leze de voorstellen zelve.
5.4 Commentaar van de commissie
Thans worde globaal aangegeven welk standpunt de commissie heeft ingenomen ten aanzien van de synodale voorstellen.
In principe kan de commissie zich verenigen met het streven naar één beheersvorm, mits deze bruikbaar voor alle gemeenten is. Over die vorm als zodanig woirdt hieronder nog nader gesproken. De commissie huldigde niet het standpunt dat een stelsel van drie vormen van beheer binnen één kerk als zodanig de voorkeur verdient of wenselijk moet worden geacht. Dat er drie vormen van beheer zijn, is alleen historisch verklaarbaar en is geen uitvloeisel van een duidelijke, principiële keus.
Het voorstel dat naast ouderlingen-kerkvoogd ook kerkvoogden-niet-ambtsdragers deel uit kunnen maken van het college van kerkvoogden, is door de commissie als aanvaardbaar verwelkomd. Praktische overwegingen, zoals het niet beschikbaar zijn van voldoende, capabele kerkvoogden, die ambtsdrager willen zijn, gaven haar dit standpunt in. Zij meende dat aan de hand van de Heilige Schrift niet direct is aan te tonen, dat de zorg voor de stoffelijke belangen van de gemeente een ambtelijke aangelegenheid is, maar evenmin dat dit niet zo is. Men was het erover eens, dat deze zorg wel een geestelijk werk is en dat men het kerkvoogdelijk beheer niet als een puur zakelijk-stoffelijke bezigheid mag beschouwen.
De commissie is het er echter niet mee eens, dat de meerderheid in colleges van kerkvoogden ambsdrager moet zijn. Daarom heeft zij bij amendement voorgesteld, de verhouding ambtsdrager : niet-ambtsdragers te stellen op 1 : 2. Het minimale aantal kerkvoogden per gemeente is drie en bij deze verhouding zou er dus in elke gemeente één kerkvoogd-ambtsdrager zijn, die dan voorzitter van het college zou moeten zijn.
Ook tegen het voorschrift om een beleidsplan te maken, heeft de commissie zich niet verzet. Dispensatie van deze verplichting is bovendien eventueel mogelijk.
Met de wijziging van het toezicht in de richting van advies en begeleiding had de commissie al evenmin moeite. Bestuur of beheer en toezicht behoren bij elkaar als de zon en de schaduw.
De commissie vond het niet acceptabel, dat gemeenten gedwongen zouden kunnen worden de ene vorm van beheer, zoals thans voorgesteld, aan te nemen uiterlijk op 1 januari 1996. Uitgaande van de veronderstelling dat in 1992 de kerkordewijzigingen 'kracht van wet' kunnen hebben, gaat de synode uit van een overgangstermijn van vier jaar. De commissie wil deze termijn verdubbeld zien. Men moet de gemeenten ruim voldoende tijd geven om zich op de nieuwe situatie in te stellen.
De commissie heeft om een aantal redenen, die in het rapport (blz. 29) zijn vermeld, gemeend te moeten afzien van het voorstellen van een amendement waarmee het termineren van de overgangsbepaling ongedaan zou worden gemaakt. Kort gezegd, gaat de commissie ervan uit dat deze optie niet voldoende realiteitswaarde bezit; er zou dan niets veranderen ten opzichte van de huidige situatie.
Waar de commissie de grootst mogelijke moeite mee had en wat zij onaanvaardbaar achtte, was de opheffing van de (onder)scheiding tussen beheer en bestuur.
Om die reden heeft zij een aantal amendementen voorgesteld, die erop gericht zijn die (onder)scheiding te herstellen c.q. te behouden. Het is niet alleen het respect voor de historie van de Hervormde Kerk, die de commissie tot deze opstelling heeft gebracht. Het was bovendien de diepe overtuiging dat deze (onder)scheiding het beheer en daarmee de gemeente ten goede komt. De commissie verwierp met grote stelligheid de typering die de 'Werkgroep 16-18' gaf van de (onder)scheiding tussen bestuur en beheer, namelijk dat sprake zou zijn van een tegenstelling tussen bestuur en beheer. Als de werkgroep bedoeld mocht hebben dat er een tegenstelling kan bestaan tussen bestuur en uitvoering dan moet dat erkend worden. Maar daar moet dan onmiddellijk aan toegevoegd worden, dat die tegenstelling zich kan voordoen ongeacht de bestuursvorm. Integratie van bestuur en beheer, zoals de wijzigingsvoorstellen willen, kan ogenschijnlijk de eenheid van de gemeente symboliseren, maar is geen waarborg voor een zorgvuldige afweging van wensen en mogelijkheden. Absolute scheiding van bestuur en beheer kan leiden tot bestuur door middel van de macht van het geld (van de gemeente!). Het gaat om een subtiel evenwicht, om geregeld contact, om hechte samenwerking tussen kerkeraad en kerkvoogdij met één doel en onderscheiden taken.
De commissie heeft aan haar amendementen, gericht op het herstel (behoud) van de (onder)scheiding van bestuur en beheer, gemeend bijzonder gewicht te moeten geven door het aanvaarden van de terminering van de overgangsbepalingen afhankelijk te maken van de aanvaarding van de voorgedragen amendementen. Hier is sprake van een cruciaal punt in de opstelling van de commissie ten opzichte van de wijzigingsvoorstellen! Over de vraag, wat er zou moeten gebeuren als onverhoopt één of meer amendementen zouden worden verworpen, heeft de commissie zich niet uitgelaten. Het spreekt vanzelf, dat over het antwoord op die vraag in de gemeenten wordt nagedacht.
Tot zover het commentaar van de commissie op de thans voorliggende synodevoorstellen.
De commissie heeft voorts enkele dringende aanbevelingen gedaan. Zo beveelt zij aan, dat er grondig beraad en diepgaande bezinning op gang wordt gebracht tussen de kerkeraden en kerkvoogdij en notabelen in de vrij beheer- en oudtoezicht-gemeenten. Verder wordt aanbevolen, dat het (breed) moderamen van elke classicale vergadering, alvorens de te geven consideraties aan de generale synode voor te bereiden, een hoorzitting te houden, waarvoor naast alle kerkeraden in het ressort ook de kerkvoogden van vrij beheer- en oud-toezicht-gemeenten worden uitgenodigd. Op deze wijze kan worden voorkomen, dat de kerkvoogdijen van bedoelde gemeenten 'monddood' zijn in de procedure, die tot kerkorde-wijziging moet leiden. Zou de aanbevolen weg niet gevolgd worden, dan zouden de kerkvoogdijen die het betreft terecht kunnen stellen, dat óver hen (en hun taak) en zònder hen wordt beslist. Dat mag niet gebeuren, want het zou gelijk staan aan onbehoorlijk bestuur.
6. Bezwaren en gevaren
We begonnen dit artikel met te herinneren aan de strijd, die zich in het verleden heeft afgespeeld over de zeggenschap over de kerkelijke goederen. Het was de tijd, waarin de gemeente niet gewend was te offeren voor de instandhouding en voortgang van het werk in de gemeente. Op een aantal uitzonderingen na, is de betekenis van kerkelijke goederen voor de 'gewone gang van de huishouding der gemeente' sterk teruggelopen. De zeggenschap van de gemeente over de door haarzelf bijeengebrachte middelen kan niet meer betwist worden. De overheid staat allang buiten spel. Beheer vàn en toezicht òp dat beheer over de door de gemeente verschafte middelen blijft, hoewel nu een intern-kerkelijke zaak, een aangelegenheid die nauwgezette zorg, deskundigheid, een afgewogen stelsel van bevoegdheden etc. vraagt, maar ook — en niet minder — geloof en gebed. Juist waar zeggenschap over geld een geduchte machtsfactor betekent, liggen gevaren van misbruik, al dan niet ten eigen bate, op de loer. Openbaarheid van gegevens en controle door onafhankelijke personen of instanties kunnen middelen zijn, die gevaren zoveel mogelijk te bezweren. Daarover zal men het in de kerk inmiddels vrijwel eens zijn, al kan het 'leven' natuurlijk altijd afwijkingen van de 'leer' vertonen — helaas.
Duidelijk is dat de nu voorgestelde Kerkorde-wijzigingen vooral vanwege de terminering van de overgangsbepalingen, de meest ingrijpende gevolgen zullen hebben voor de oud-toezicht- en vrij beheergemeenten.
Ook in 1951 zou dat het geval geweest zijn, ware het niet dat men toen de overgangsbepalingen niet getermineerd heeft. Zodoende kon er nooit dwang op bedoelde gemeenten worden uitgeoefend. Als de huidige voorstellen ongewijzigd van kracht zouden worden, zou dat wèl kunnen gebeuren. We zien nu af van de vraag of men — de synode — daadwerkelijke aanpassing zou weten te bewerkstelligen, zulks tegen de wil van de betrokken gemeenten. Deze gemeenten zullen ongetwijfeld ernstige bezwaren maken tegen de voorstellen. Ze zullen die bezwaren op tweeërlei argumentatie doen steunen. In de eerste plaats zal men stellen, dat de noodzaak van wijziging, bijvoorbeeld misstanden in het beheer, niet is gebleken. Maar ook al hebben ze misschien niet zozeer bezwaar tegen de voorgestelde regeling — wie kan met grond stellen dat ze onwerkbaar zijn? — ze zullen zich beducht tonen vanwege de bevoegdheid, die de synode zich terzake toekent. Als men op dit punt gedwongen zou kunnen worden, op welke andere punten zal dat in de toekomst mogelijk nog meer gebeuren? Men zal daarbij onvermijdelijk denken aan allerhande zaken buiten de sfeer van het kerkvoogdelijk beheer: de vrouw in het ambt, avondmaalspraktijk, etc. etc. Op deze punten bestaat een diepgaand verschil van inzicht in de Hervormde Kerk. Men vreest dat de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente zal worden aangetast. Dit is niet zo vreemd. Ook in de brochure 'Financieel beheer' (blz. 11) werd destijds reeds gewezen op dergelijke gevaren, die men verbonden achtte aan het zich aanpassen van een gemeente aan het nieuwe toezicht. Overigens moet gezegd worden, dat tot nu toe van de gevreesde dwang weinig of niets is gebleken. De modaliteiten binnen de kerk bestaan nog steeds. De hierboven bedoelde gemeenten zullen stellen, dat dit mede te danken is aan uiteenlopende vormen van beheer.
Eén van de ontwikkelingen tegen de achtergrond waarvan men de huidige synodevoorstellen plaatst, is het Samen op Weg-proces. Men meent wellicht, dat de thans bestaande complexe situatie, met geringe bevoegdheden van de synode ten aanzien van het beheer, een belangrijk middel is om zich tegen niet gewenste ontwikkelingen op dit vlak af te schermen. Wat dit betreft zij opgemerkt, dat als de amendementen van de commissie zouden worden overgenomen, het hervormde model van de (onder)scheiding van bestuur en beheer en dus de zelfstandigheid van de kerkvoogdij lijnrecht overeind blijft. De commissie verwerpt immers ten enenmale het gereformeerde model van de integratie van bestuur en beheer. Mogelijk zien sommigen in en buiten de kerk het instandhouden van het hervormde grondmodel als een ongewenste blokkade voor een daadwerkelijke hereniging van de in het geding zijnde kerken. Het zij zo!
De commissie hoopt van harte, dat zij met haar rapport — daarbij inbegrepen de opgestelde amendementen — de gemeenten, de classes en daarmee de gehele kerk heeft gediend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 september 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's