De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De geestelijke mens

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De geestelijke mens

11 minuten leestijd

Het is niet voor het eerst, dat ik in deze kolommen een artikel schrijf onder de titel 'De geestelijke mens'. In 1972 publiceerde prof. dr. A.A. van Ruler in het reünistenorgaan van de studentenvereniging CSFR, het blad Wapenveld uitgaande van de RRQR, een uitvoerig artikel onder de titel 'ultra-gereformeerd en vrijzinnig'. Het artikel was om zo te zeggen zijn geestelijk testament. In de kring van de Gereformeerde Bond hebben we dat artikel toen uiterst serieus genomen. Er is in deze kolommen fundamenteel op gereageerd door ds. G. Boer, ds. L. Kievit, dr. A. van Brummelen, prof. dr. C. Graafland, ds. H.G. Abma en ondergetekende. Vervolgens zijn deze artikelen, samen met het lijvige artikel van prof. Van Ruler zèlf, gebundeld in een 180-pagina's tellend boek, uitgegeven bij Ton Bolland, onder de titel 'Op het scherp van de snede'. Dit boek heeft destijds veel aandacht getrokken. De diepe waarheidselementen in Van Rulers artikel werden door elk van de scribenten niet alleen onderkènd maar ook onderschréven, terwijl anderzijds ook kritische opmerkingen werden gemaakt.


De tijd is intussen verder gegaan. Maar de zaak, die toen door Van Ruler aan de orde werd gesteld, is blijvend actueel. De titel van zijn artikel had ongetwijfeld iets uitdagends. Maar Van Ruler schreef met diepe invoeling voor wat hij als grondnoties, met op zich een diep ernstige ondertoon, onderkende bij wat hij als de ultra-gereformeerde gezindheid aanduidde. Hij zegt dat, naar zijn inzicht, men moet beginnen 'met daar eerbiedig tegenover te staan'. Intussen wisten we ons in de kring van de Gereformeerde Bond ook (mede) aangesproken. Gereageerd werd dan ook van binnenuit.
Welnu, de bijdrage van mijn hand stond toen ook onder de titel 'de geestelijke mens'. In het hiervolgende wil ik nog eens opnieuw aan de orde stellen waarom het toen ging maar intussen ook lijnen trekken in enigszins andere zin, omdat de tijd niet stil heeft gestaan en zich intussen ook andere ontwikkelingen hebben voorgedaan.

Bijbels
Vooropgesteld zij, dat 'de geestelijke mens' ons in de Schrift zelf wordt getekend door niemand minder dan Paulus. Ten diepste is de geestelijke mens 'een mens in Christus'. Paulus zegt zo van zichzelf, dat hij kent 'een mens in Christus', die opgetrok­ken is geweest tot in de derde hemel, tot in het paradijs en dat hij daar onuitsprekelijke woorden heeft gehoord, 'die het een mens niet geoorloofd is te spreken.' (2 Kor. 12 : 2, 5). Onuitsprekelijk diep was dus de geestelijke ervaring, het innerlijke werk des Geestes bij Paulus. En toch merkt hij — in vermanende zin voor anderen — op, dat hij van die geestelijke mens niet roemen wil. Van zichzelf laat hij alléén over 'de roem in zwakheden'. Door het unieke van zijn geestelijke, zelfs hemelse ervaring wil hij zich niet verheffen. De roem, die voor hem overblijft, is roem in Christus alléén.


Toch weet Paulus ook, dat 'de geestelijke mens', maar dan ook alléén de geestelijke mens, begiftigd is met de gave van geestelijke onderscheiding. In 1 Kor. 2 : 15 zegt hij, dat de geestelijke mens alle dingen onderscheidt en intussen van niemand onderscheiden wordt. Die geestelijke mens stelt Paulus tegenover de natuurlijke mens, die de dingen des Geestes níét begrijpt. 'Hij kan ze niet verstaan omdat ze geestelijk onderscheiden worden'. God verwaardigt alleen zijn kinderen 'met een bijzondere openbaring der hemelse wijsheid', zegt Calvijn. Ieder kan alleen maar recht oordelen in geestelijke zaken, zo schrijft hij verder, 'in zoverre hij wedergeboren is en naar de mate der genade, die hem gegeven is en niet verder'. De geestelijke mens zelf is verder aan geen menselijk oordeel onderworpen (wordt van niemand onderscheiden). Wie hem oordeelt is de Heere en de norm is het Woord alléén.

Zelfbewust
Waar nu echter de geestelijke mens op de troon gaat zitten, in zichzelf gaat roemen, eigen inzicht normatief gaat stellen, (zelfs) buiten de weg van het Woord om, treedt de ontsporing op. Dan kan de geestelijke mens zelfs tyranniek worden voor zijn omgeving. Zo heeft Van Ruler geschreven over 'de tyrannie van de geestelijke mens'. Positief waardeert hij het onderlinge spreken in de gemeente over geestelijke zaken, zoals dat, tot in het conventikel toe, in bevindelijke kring geschiedt. Ernstig wordt het echter wanneer de geestelijke mens de ander de maat neemt. Nog één stap verder en de geestelijke mens gaat heersend optreden in de gemeente, namelijk als deze zichzelf centraal stelt. Er is immers met hem of haar iets bijzonders gebeurd en hij (zij) is zich daarvan (zelf)bewust. Men isoleert zich van de rest van de gemeente in de zelfgenoegzame kring. De verscheidenheid van werkingen en gaven des Geestes wordt dan uit het oog verloren. Eén geestelijke haan zal koning kraaien. We zien daarvan soms rampzalige gevolgen. Zulks heeft vaak ook tot funeste ontwikkelingen geleid in kerkeraden, waar één mens of enkele mensen, die zich heimelijk een geestelijke 'elite' achten, de dienst willen uitmaken en een hele gemeente willen voegen in hun patroon.


Veel ernstiger vormen nog kan dit verschijnsel aannemen, wanneer er sprake is van een 'geestelijk' mens, die in feite nog alle kenmerken draagt van 'een natuurlijk mens'. Daarmee bedoel ik te zeggen, dat het voorkomt, dat mensen geestelijk leven bij zich zelf ontkennen en toch weten hoe het met de geestelijke mens gesteld is. Paulus mag dan zeggen, dat de natuurlijke mens niet onderscheidt de dingen die des Geestes Gods zijn, het komt helaas óók voor, dat de natuurlijke mens van zijn onherboren bestaan een grond maakt — zo eerlijk is hij immers dit toe te geven — en zich verder als kenner van geestelijke zaken opwerpt en zich zo heersend opstelt in de gemeente. De geestelijk dode en vijandige mens kan uiterst actief zijn. Het gevolg is de pure uitwendigheid en de pure verwettelijking. Men weet wat Gods volk dóét en nìèt doet, mág en nièt màg maar staat er zelf buiten. Me dunkt dat de woorden van Paulus, hierboven aangehaald, dan veel te zeggen mogen hebben.


Wie ingeleid wordt door de Heilige Geest in de diepe dingen Gods, kent als geen ander de ootmoed, weet ook de ander meer te achten dan zichzelf, wil ook niets liever dan de afspiegeling vertonen van de gestalte van Christus, die niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen. 'Zie of bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg'.
De natuurlijke mens plaatst zich soms op de troon en wil om zo te zeggen geestelijk mens zijn. De echte geestelijke mens zit echter aan de voeten van Christus en wil onderwezen worden in de verborgenheden (voor het natúúrlijke bestaan verborgen) van Woord en Geest.
De Schrift kent naast de rechtvaardiging door het gelóóf ook de rechtvaardiging uit de wèrken (Jac. 2:14). Dat komt tot uitdrukking in geloof, dat door de liefde werkt. Intussen komt de meest ingeleide christen nooit verder dan een klein beginsel van de volkomen gehoorzaamheid.
Maar we mogen met het badwater het kind niet wegwerpen. Want recht overeind blijft, dat alleen de geestelijke mens alle dingen onderscheidt en wordt begiftigd met wijsheid om 'het snode van het kostelijke te onderscheiden'. Daarom zal in de prediking de wekroep tot geloof en bekering moeten klinken, zal de wedergeboorte door de Heilige Geest een eigen plaats hebben, omdat alleen langs die weg een natuurlijk mens een geestelijk mens wordt en het onderscheidingsvermogen wordt gewekt in de gemeente op de juiste wijze te onderscheiden, op de toonhoogte van het Woord. Daarom vraagt ambtelijke leiding in de gemeente ook om geestelijke mensen.
Het ongeloof, ook waar het zich in vrome kledij inwikkelt, loopt altijd stuk op het werk des Geestes. Het ongeloof zal soms geestelijk leven onderscheiden waar het niet is en niet onderscheiden waar het wèl is. Wee de gemeente waar de natuurlijke mens als 'geestelijk mens' op de troon zit. Dat leidt tot geestelijke tyrannic.

Onderbelicht
Eén aspect in het genoemde artikel van Van Ruler bleef destijds intussen in de reacties daarop onderbelicht. Dat nu wil ik naar voren halen omdat — als gezegd — zich nieuwe ontwikkelingen in het geestelijk klimaat van onze tijd hebben voorgedaan. Van Ruler gaat, als hij over de tyrannie van de geestelijke mens spreekt, ook in op 'de anti-institutaire geesten in de christenheid, die tegenwoordig zo hoog van de toren blazen.' Die benaderen alles 'niet institutair', d.w.z. buiten de kaders van de kerk in de lijn van de Traditie, maar 'puur autenthiek en charismatisch'. Met een zekere Van Ruleriaanse overdrijving zegt de hooggeleerde in dat verband: 'Als ik wel zie, is in dit opzicht de hele christenheid tegenwoordig bezig ultra-gereformeerd te worden. De tirannie en de onverdraagzaamheid van de progressieve avant-gardisten (voorhoedelopers, v.d.G.) zijn in ieder geval even erg als die, waaronder ultra-gereformeerde gemeenschappen en mensen al tijden lang gezucht hebben'.


Me dunkt dat we deze lijn bij Van Ruler in onze tijd nog wat nader kunnen toespitsen en concretiseren. Inderdaad zien we vandaag anti-institutaire (zeg ook anti-kerkelijke) Geestdrijverij met autoritaire trekken. In onze tijd staat de ervaring namelijk hoog genoteerd. In grote oppervlakkigheid menen sommigen, dat die 'ervaring' van vandaag — men spreekt zelfs van ervaringstheologie! — heel dicht komt bij de gereformeerde bevindelijkheid. Dat is een ernstige misvatting. De gereformeerde bevindelijkheid weet van het anker der ziel, dat buiten ons wordt geworpen in de vaste grond van het zoenoffer van Christus. De ervaringstheologie van vandaag en – dientengevolge of in wisselwerking daarmee – ook de nieuwe spiritualiteit, die baan breekt, is geheel geënt op wat de moderne mens innerlijk ervaart aan twijfel, onzekerheid, 'Godsverduistering', vertwijfeling omtrent de zin van het bestaan. Wat 'ik' ervaar, wordt ook hier doorslaggevend. Wat 'ik' nog geloven kan, is normatief. Zo wordt intussen ook de twijfel als normaal gekoesterd. En zo ontstaat een nieuwe tirannieke geestelijke mens, die alles toesnijdt op zijn beleving(swereld).
Vandaag is daarbij 'cultuurcrisis' het trefwoord. Door die crisis, met alle vertwijfeling ten aanzien van het Godsbestuur, moeten we heen. Dat maakt de echtheid van net christendom uit. En wie zover niet is, leeft als christen niet echt in deze tijd, is onder de maat.

De nieuwe spiritualiteit, die zich vandaag aandient en gekenmerkt is door ervaring, ervaring met name van de godloosheid van onze cultuur, behoeft op zich echter niet in zich te bergen het werk van de Heilige Geest, die in mensen de schreeuw wakker roept naar 'een genadig God'. Die ervaring kan geheel buiten het recht Gods, dat ingeschreven wordt in de harten van mensen en dat heendrijft naar de Borggerechtigheid van Christus, omgaan. Die nieuwe spiritualiteit kan, als ze niet leidt tot Christus en Christus alléén, ook een nieuw wettisch juk worden, een nieuwe tirannie. De ervaring van de cultuurcrisis in onze tijd zou zich zo, naar mijn mening, wel eens kunnen ontpoppen als een nieuwe verwettelijking, al is ze nog zo vroom verpakt. Omdat ze ten diepste niet uitdrijft tot Christus als Zaligmaker voor verlorenen.

Profeten, evangelisten (die N.B. vlak bij Jezus leefden) en apostelen hebben soms ook geen raad geweten met de weg, die God met hen ging, maar ze twijfelden niet aan Gods bestaan en hebben zijn genadige toewending ingewacht en afgesmeekt van de hemel.
Alle ervaring, die niet leidt tot Christus, is een sta-in-de-weg met betrekking tot de Godskennis, een last die verhindert om met lijdzaamheid de loopbaan te lopen. Jezus Zelf zegt immers: 'niemand komt tot de Vader dan door Mij'!
Het boekje 'Op het scherp van de snede' is een herdruk waard. Vanwege de ervarings-theologie! Ook de 'Gedachtenwisseling' tussen dr. H. Berkhof ('Waar ìs God?') en ds. G. Boer ('Hóé is God mij genadig?') is daarbij een herdruk waard. Maar wellicht zijn de posities ook weer zo verschoven dat een nieuwe 'gedachtenwisseling' gewenst is. Maar het gaat al wèl veel langer om de Godsvraag in de cultuurcrisis van vandaag. Wat zich vandaag aandient, was al eerder aan de orde en bepaald niet oppervlakkig. De tirannie van de geestelijke mens is in telkens nieuw gewaad present. De geestelijke mens, die in de Schrift is ingeleid, weet ook hier te onderscheiden. Om die geestelijke mens in bijbelse zin zijn we ook vandaag verlegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De geestelijke mens

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's