De kerk in de stad en op het platteland
De hervormde Commissie voor het Beroepingswerk gaf haar tweejaarlijkse rapport uit. Ten aanzien van de 'werkgelegenheid' voor predikanten luidt de conclusie, dat hoewel in de jaren 1988 en 1989 het aantal beschikbare candidaten tot de Heilige Dienst (resp. 76 en 75) nog achterbleef bij de behóéfte, candidaten soms toch geruime tijd op een beroep moesten wachten. Verder hadden gemeenten soms ook met een onverwacht lange vacature te maken. Als één van de oorzaken daarvan wordt genoemd, dat de meeste predikanten langer in hun gemeente wensen te blijven dan vroeger het geval was.
Het mag opvallend genoemd worden, dat juist déze tendens in het betreffende rapport wat extra wordt benadrukt. Er is namelijk ongetwijfeld ook een àndere kant van de medaille. Al gedurende een flink aantal jaren wordt immers ook gesignaleerd het feit dat er te weinig dóórstroming is. De behoefte aan beschikbare candidaten mag dan nog steeds iets groter zijn dan het aanbod, feit is dat de tijd van de grote aantallen beroepen op beschikbare candidaten en ook op dienstdoende predikanten voorbij is. Dat betekent, dat candidaten nauwelijks nog vrijheid van keuze hebben als het gaat om de gemeente waar zij de herdersstaf gaan opnemen. De ongevallen zijn dan ook niet uitgebleven. Méér dan vroeger wellicht het geval was krijgen candidaten soms niet de gemeente waar ze helemáál passen. Dat geeft spanningen en ontwikkelingsstoringen bij jonge predikanten.
Het beroepingswerk is door deze ontwikkelingen er dunkt me niet bepaald geestelijker door geworden. Bij groter aanbod worden kerkeraden kritischer. De mogelijkheid van een geestelijk overwogen keuze bij het aannemen van een beroep wordt minder. Om het maar simpel te zeggen: het éne beroep, dat candidaten, soms na lang wachten ontvangen, moet geestelijk worden verwerkt, terwijl er toch ook de zakelijke kant is van het aan de slag willen gaan na de voltooiing van de studie.
De situatie in het beroepingswerk ten aanzien van de candidaten werkt intussen ook door in het hele predikantencorps. Meer dan vroeger zijn predikanten gedwongen op een bepaalde standplaats te blijven. Ook dat kan spanningen geven, van twee kanten.
Waarom blijven?
Zoals gezegd legt de commissie voor het beroepingwerk er nu in haar verslag de nadruk op, dat 'de meeste' predikanten langer dan vroeger in hun gemeente wensen te blijven. Verschillende redenen worden daarvoor genoemd: het uitoefenen van een maatschappelijk beroep door de 'partner' (afschúwelijk deze geseculariseerde aanduiding!, v.d.G.), het méér dan voorheen beroepsmatig denken over hun ambt door predikanten (helaas!, v.d.G.) en het daarmee samenhangende 'beleidsmatige denken van predikanten en kerkeraden' (in gewone termen gezegd: verzakelijking). Als laatste reden wordt genoemd het feit 'dat tegenstellingen tussen stad en platteland en tussen bepaalde regio's in ons land niet meer zo scherp zijn als voorheen'.
Het lijkt me goed om bij dit laatste punt wat breder stil te staan. De commissie zelf werkt één en ander niet verder uit. Maar we kunnen ons wel zo ongeveer voorstellen wat hierachter zit. Om het maar puur menselijk te zeggen: een beroep te krijgen naar een bepaalde gemeente is veel minder dan vroeger een promotie. De verschillen tussen stad en platteland en tussen bepaalde regio's zijn niet meer zo groot als vroeger. Negatief gezien zouden we kunnen zeggen dat het hele land — stad en platteland — deelt in de gevolgen van de secularisatie. Behalve (gelukkig) de vreugde in de ambtelijke arbeid is er in doorsnee ook zorg, ploegen op rotsen, kerkverlating, mondigheid van de mensen die het gewone gemeentewerk frustreert, polarisatie, verzakelijking, geesteloosheid, geestelijke diversiteit. Overal is vandaag sprake van toegenomen werkdruk voor de predikanten, met de verschijnselen van de moderne tijd als achtergrond.
Wat nu de gemeenten in de grote stad betreft was het in het verleden wel zo, dat het de kroon op het werk van een predikant was als hij daar zijn ambtelijke dienst mocht beëindigen. Het wàs wat voor een predikant om, nadat hij 'klein' begonnen was en daarna in middelgrote gemeenten had gediend, tenslotte in de stad te eindigen. Die tijd is intussen al lang voorbij. Meer dan ooit zijn de steden, met name de grote steden noodgebieden geworden, waar de secularisatie het hardst heeft toegeslagen. Om de kerkelijke meelevendheid en de grote scharen kerkgangers behoeft een predikant niet meer naar de grote stad te gaan. Het is nog geen veertig jaar geleden, dat in een stad als Rotterdam kerken als de Wilhelminakerk, de Koninginnekerk en de Laurenskerk grote scharen mensen trokken onder predikanten uit onderscheiden modaliteiten. Sommige kerken zijn met de grond gelijk gemaakt. In ieder geval zijn de grote scharen verleden tijd. Een grote kaalslag heeft zich voltrokken. Als zodanig worden in onze tijd de steden kerkelijk gezien vaak dorpsgewijs bewoond, in die zin dat kerken in de grote steden niet méér, integendeel vaak mìnder mensen bevatten dan in bepaalde niet eens zo grote dorpen op het platteland. De gang naar de grote stad is veelal geen 'promotie' meer.
(On)geestelijk
Intussen is promotie een woord uit de verzakelijkte wereld. Hoezeer ook een predikant gevoelig zàl en màg zijn voor menselijke waardering van zijn arbeid, in de kerk mag het woord promotie toch eigenlijk niet functioneren. De Heere vergadert Zich een gemeente, verkoren ten eeuwigen leven, uit het ganse menselijke geslacht. Soms is die gemeente (de kerk) klein en als tot niet gekomen in de ogen der mensen. Desalniettemin gelden haar de beloften Gods. Zo zijn de apostelen op hoop tegen hoop, 'zonder buidel of male' de wereld ingetrokken om dáár gemeenten te stichten, waar nog niets was.
Was het voor Paulus promotie, dat hij zich begaf naar Rome en Athene? Zijn beloning was één en ander maal de gevangenis. Was het voor Bonifatius promotie dat hij naar deze lage landen ging als apostel der Friezen. Hij vond de dood bij Dokkum.
Zo zouden we door kunnen gaan: u looft 'd apostelschaar in heerlijkheid, o Heer,
profeten martelaars vermelden daar Uw eer...
Het mag evenwel opvallend heten, dat de apostelen, beginnende van (de stad) Jeruzalem, het Evangelie hebben gebracht aan de toenmalige centra van de wereld, de drukke handelssteden, waar het bruisende leven klopte en woelde, waar de brandpunten waren van de cultuur. Zo heeft Paulus, staande op de Areopagus, de onbekende God verkondigd. De stad was voor Paulus en voor de overige apostelen niet het eindpunt van hun roem maar het begin van hun lijden vanwege de Naam des Heeren, het begin van het dragen van smaad om Christus' wil.
Misschien moeten we zeggen dat zo de situatie van de stad vandaag — als tenminste dienaren des Woords getrouw zijn aan hun roeping — ook weer in zich heeft de stille smaad, die om Christus' wil gedragen wordt. Ik spreek nu niet over diegenen, die menen dat de kaalslag, die zich in de kerk(en) heeft voltrokken, geplaatst moet worden in het kader van positieve waardering van de secularisatie. Zo behóórt de kerk te zijn, in kleinheid en nederigheid, heet het dan. Ook echter wie diep overtuigd is van het feit, dat de kerk meer in de laagte dan in 'triomf' vrucht dragen zal, zal toch, als hij getrouw wil zijn aan de roeping van het Evangelie, lijden aan de vruchteloosheid van de verkondiging van de Goede Boodschap. 'Wee mij als ik het Evangelie niet verkondig', zegt Paulus met hartstocht omtrent diegenen die dreigen verloren te gaan.
Er zijn predikanten, die de afgelopen veertig jaar de verschillende fasen van de ontkerkelijking, die gelijke tred houdt met de ontkerstening van ons volksleven, stap voor stap hebben meegemaakt. Als zij terugzien zullen ze zich ook wel eens vertwijfeld afvragen wat de goddelijke bedoeling van dit alles is. De vrucht van vele jaren trouwe dienst lijkt te zijn geweest — althans wat de opéénvolgende generaties betreft — de leegloop. En die is bepaald niet gehéél te verklaren uit de migratie, de ontvolking van de binnensteden. Want waar mensen wegtrokken, hebben zich anderen gevestigd.
Wederkerigheid
De tegenstellingen tussen het platteland en de stad zijn intussen dus inderdáád niet meer zo scherp als voorheen. Ongetwijfeld zijn er regio's in ons land, waar de kerkelijke kaalslag zich nog niet in dezelfde mate heeft voltrokken als in de grote steden. In algeméne zin is de conclusie van de beroepingscommissie dan ook niet gewettigd. Er zijn ongetwijfeld (nog) gemeenten en regio's waar de tegenstelling met de grote stad wèl groot is. Ik zal echter de laatste zijn om hier concreet te gaan duiden en te zeggen dat dáár, waar het Woord nog recht bediend wordt, de kerk nog goed functioneert. Het omgekeerde moet wèl worden gezegd. Waar namelijk het Woord Gods in haar profetische scherpte, in haar priesterlijke vertroosting en haar koninklijke heerschappij nìèt meer wordt verkondigd, vanuit de drie ambten van Christus, zal de kerk innerlijk dood bloeden en geestelijk wel weg móéten sterven. De enige remedie is altijd wéér en altijd nòg de prediking van de volle raad Gods. Maar ik ben me er intussen al te zeer van bewust hoe ook de trouwe prediking van de volle Raad Gods in de grote steden de doorgaande secularisatie niet heeft kunnen keren. Als zodanig zouden de grote steden de voorboden voor een heel land kunnen zijn. Ooit heeft dr. Ph.J. Hoedemaker gezegd, dat de mensen volksgewijs tot Christus worden gebracht. Hij bedoelde, dat door de zending vòlkeren werden gekerstend. Het zou ook kunnen zijn dat vandaag de mensen vòlksgewijs van Christus worden àfgebracht, dat secularisatie, zij het in fasen, zich óók volksgewijs voltrekt. Ze hebben het Woord gehád, nu hebben ze de Turken (oftewel de islam), zei Luther van de eerste christengemeenten.
Versterk het overige
In Openbaring 3 lezen we evenwel de oproep aan de gemeente te Sardis om te versterken 'het overige dat sterven zou'. Dat zegt de Koning der Kerk, die de zeven sterren in Zijn hand heeft, die wandelt temidden van de kandelaren. Deze vermaning wordt gedaan in de zwakke, aangevochten situatie van de eerste christengemeente. Moet deze oproep echter ook vandáág niet ten volle gelden in een cultuur, die steeds meer ná-christelijke trekken krijgt? We hebben ons in de naoorlogse jaren als christelijke kerken in het Westen, ook in eigen land vaak gericht op internationale hulpverlening. De contouren van de kerk overzee of in de landen van Oost Europa kwamen in het vizier. Ook de zwakke gemeenten in bijvoorbeeld Frankrijk kwamen in het blikveld. Daarbij hebben we, bewust of onbewust, die oproep uit Openbaring 3 laten meeklinken: 'versterk het overige dat sterven zou'. Misschien moeten we vandaag meer dan ooit dit Schriftwoord ook betrekken op de eigen situatie.
Adoptie van gemeenten zou wel eens heel dichtbij gestalte moeten gaan krijgen. Die signalen worden vanuit de steden zelf gegeven. Nu wordt bij het woord adoptie vaak allereerst aan materiële, zeg financiële hulp gedacht. Maar adoptie is allereerst een gééstelijke aangelegenheid. Dat is in de loop der jaren gebleken bij gemeentecontacten tussen gemeenten hier en gemeenten bijvoorbeeld in de Oostbloklanden. Het gaat erom in elkaars zorgen te delen, samen lasten te dragen en zo ook te delen in de hoop en verwachting. Het zou zo vandaag wel eens gebóden kunnen zijn dat gemeenten, die nog 'functioneren', een stads(wijk)gemeente adopteren in die zin, dat er een relatie wordt gelegd, op grond waarvan bezoeken over en weer plaats vinden. Dat kan een bemoediging zijn voor een (wijk)gemeente in de stad. Het kan ook een verrijkende ervaring zijn voor een gemeente, waar de (traditionele) kaders nog intact zijn maar waar vroeg of laat de gevolgen van de secularisatie ook merkbaar worden. Het zou wel eens een vruchtbare ontmoeting kunnen worden, zodat in voor het oog goed functionerende gemeenten geestelijke lering kan worden getrokken uit de kleiner geworden gemeentelijke kaders in de steden. Die functioneren desondanks (nochtans) ook, zij het met verlies van veel van wat vandaag normaliter — maar wat héét normaal! — bij een gemeente bijhoort of ook van de ballast van de weelde, die lange tijd kenmerkend was (of nog is) voor de kerk. Zo zou er sprake kunnen zijn van wederkerigheid, die ook wederzijdse bemoediging vanuit de diepte inhoudt.
Het is — om een voorbeeld te noemen — verheugend, dat het aantal bezoekers van de regionale ambtsdragersvergadering in Zaandam van jaar tot jaar gestaag groeit. Uit de daar gelegde contacten blijkt dat het element van ontmoeting door broeders in de verstrooiing in hoge mate als noodzakelijk en bemoedigend ervaren wordt. Helaas blijken gemeenten, die nog niet door de geestelijke kaalslag van onze tijd geraakt worden, die ontmoetingen soms meer te kunnen missen dan diegenen, die in frontposities staan. We plegen nogal eens te spreken van donker Noord-Holland. Maar langzaam maar zeker is er reden te spreken van donker Nederland. Laten we elkaar opwekken juist daar heen te gaan, waar de ontkerstening al ver is doorgevreten. Om elkaar te bemoedigen en om te versterken wat sterven zou. Misschien kunnen zo ook de kiemen worden gelegd voor de ontplooiing van wederkerige adoptie, die niet allereerst financieel is gericht maar die vooral geestelijk wordt ingevuld.
Meer of minder
In het Koninkrijk Gods is geen sprake van méér of mìnder. Daarom moet het woord promotie maar uit ons (on)christelijke woordenboek worden gebannen. Dan zou ervoor Paulus en de andere apostelen geen plaats zijngeweest in de dienst des Heeren. Het devies is veel meer: 'versterk het overige...'. In dienst van Hem, die niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen.
Een kerk, die, ook vandaag, in de stad niet kerk kan zijn, kan het ten diepste ook op het platteland niet zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's