De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

17 minuten leestijd

Valt er wat te beleven?
Onlangs probeerde moeder haar zoon naar de startavond van de jeugdvereniging te krijgen. 'Joh, ze beginnen weer. Dat is wat voor jou!' De reactie van zoonlief was: 'valt daar dan wat te beleven?' Een dochter zegt tegen haar vader, als hij haar aanspoort de catechisatie te bezoeken: 'Ik pieker er niet over. Ik ben er een paar jaar geweest, maar ik kan er niks mee met wat daar allemaal gezegd wordt.' Dit soort voorbeelden kwamen bij me op, toen ik dezer dagen kennisnam van een aantal teksten van de theologische ether-leergang van de NCRV, gebundeld in Rondom het Woord, 32e jaargang nr. 2, augustus 1990 van de hand van dr. W. ter Horst onder de titel 'Beleving en zelfbewustzijn'. Hij gaat daar in op de snel toenemende vraag naar belevingen op allerlei gebied, zo kenmerkend voor onze tijd. Zijn stelling is dat een mens er kennelijk behoefte aan heeft, op twee manieren greep te krijgen op de problemen van het bestaan. Daar is, wat hij dan noemt, de meer 'technische' wijze. Je wil de dingen verstandelijk en analytisch begrijpelijk en beheersbaar maken. Maar daarnaast is er ook de sterk opkomende behoefte om de dingen via belevingen te kennen. Ter Horst noemt dat de onbevangen zelfbewustzijnsinstelling. Het interessante is, dat hij deze inzichten toepast op vragen, die met de geloofsopvoeding te maken hebben. Hij schreef daarover een studie 'Christelijke geloofsopvoeding' (Kok, Kampen, 1989) waarin hij deze gedachten probeert door te geven voor een breder publiek. Daarover verderop nog meer. Nu eerst de vraag: hoe komt het dat jongeren (èn ouderen) soms reageren als hierboven vermeld staat? Dr. Ter Horst antwoordt dan, geciteerd uit Rondom het Woord:

'We laten ons steeds minder van hogerhand aanzeggen wat heilig, goed, schoon en waar is — of het omgekeerde. Er is door allerlei emancipatiebewegingen eigenlijk nauwelijks zo'n hogerhand meer. Onze cultuur is van een hiërarchisch geordende gehoorzaamheidscultuur snel een functioneel geordende overlègcultuur aan het worden.
De functie van het gezag is veranderd. De geëmancipeerde mens wil wel naar een deskundige luisteren, maar ze wil voor zichzelf uitmaken of ze iets goed, waar, mooi of heilig vindt. Zelfs, in extreme gevallen, of iets doelmatig is!' Die beslissing neemt ze op grond van wat ze belééft. Dat zal ze wel moeten omdat een oordeelkundig inzicht doorgaans gewoon ontbreekt.'

Deze omslag, die zich in de cultuur aan het voltrekken is, heeft volgens dr. Ter Horst ook gevolgen voor de geloofsopvoeding:

'In de geloofsopvoeding is er een min of meer analoge situatie. Waarom nam de nieuwe generatie al eeuwenlang min of meer vanzelfsprekend het geloofsgoed van de vorige generatie over? Dit was vooral op grond van gehoorzaamheid. Niet allereerst op grond van keuze en eigen verantwoordelijkheid, maar omdat de ouders, de kerkeraad en de voorgan­gers het zo voorschreven. Men sprak dan ook graag van geloofsoverdracht. Gehoorzaamheid aan wie boven ons waren gesteld, was een grote deugd. Nu laat de moderne mens zich niets meer van bovenaf voorschrijven.
Ook hier verwarring allerwege. Want hoe dat dan moet met die nieuwe geloofsopvoeding, is nog niet voorhanden. Bovendien wil nog niet iedereen het en in sommige hoeken van de kerk hoeft het ook nog niet, omdat de veranderingen zich daar nog niet hebben voltrokken. Maar het wordt steeds duidelijker. Als geloofsoverdracht die gegrond is op gehoorzaamheid, moet veranderen in gelootsopvoeding, dan zal de grond waarop dat moet gebeuren, onder andere moeten bestaan uit wat kinderen, mensen, eraan beleven. (Hetzelfde geldt voor wat er in het pastoraat en in de liturgie gebeurt. Deze zullen ook een sterk dialogisch karakter moeten krijgen, in die zin dat hetgeen de theologen in Het Woord en de liturgische traditie aantreffen, moet worden betrokken op wat mensen beleven.)'

Menselijke behoefte
Dr. Ter Horst is van mening, dat de beleving een wezenlijke menselijke behoefte is, juist in deze tijd. Dat heeft verschillende achtergronden. De reeds genoemde verschuiving van een gehoorzaamheidscultuur naar een overlegcultuur. Verder ook de zogeheten individualisering. Dat wil zeggen: je doet iets niet meer omdat de groep het ook doet. Want de groep is weggevallen en je bent alleen overgebleven. De identiteit van de moderne mens is in afnemende mate de groep, waartoe hij behoort, en in toenemende mate zijn ik. En om daar greep te krijgen op wat om je heen gebeurt, moet je wel afgaan op wat je persoonlijk beleeft. In de derde plaats noemt Ter Horst de onoverzichtelijkheid van het aanbod aan informatie, dat op ons afkomt. Onoverzichtelijk, maar ook tegengesteld. Wat is waar en waar moet je op afkoersen? Heel veel mensen reageren dan met: op wat je eraan beleeft. Ter Horst wijst terecht op de enge schaduwkanten die er aan deze ontwikkeling zitten. Aan de kerken geeft hij de vermaning mee: u kunt niet om de behoefte aan beleving heen, u mag niet veronachtzamen dat wat daarachter ligt. Ik citeer: 'Ik ben van mening, dat de beleving een wezenlijk menselijke behoefte is, vooral in deze tijd. Een behoefte, waaraan we, bijvoorbeeld in godsdienst en opvoeding, niet straffeloos kunnen voorbijgaan' (einde citaat).
Tussen haken: het is misschien een over­bodige opmerking er tussendoor, toch doe ik het maar: als we het over 'beleving' hebben, is dat wat anders dan wanneer we het onder ons over 'bevinding' hebben. Bevinding hoort wezenlijk tot het geloof en staat onder de norm van de Schrift en 'beleving' is een menselijke behoefte die onder invloed van de moderne tijd heel sterk aan­gewakkerd wordt en niet direct aan normen van buitenaf zich gelegen laat liggen.

Zinnen, 'ik' en hart

Christelijke geloofsopvoeding is in toenemende mate voor velen een grote zorg en een aangrijpend probleem. Ter Horst meent, dat we, willen we voor deze tijd een begaanbare weg vinden, de weg van de belevingen moeten gaan. Je kunt uiteraard tegenwerpen: God kiest de weg van het Woord en verbindt de werking van Zijn Geest aan dat Woord. Zo komt Hij bij een mens binnen, onwederstandelijk, krachtig, herscheppend. Daar hebben we helemaal geen eigentijdse pedagogische in­zichten bij nodig, want de mens is in alle tijden dezelfde: een vijand van God en hij moet tot een vriend Gods gemaakt worden door de kracht Gods. Toch meen ik dat we er goed aan doen, nu de gevolgen van de cultuuromslag ook onze gemeenten en kerkdeuren niet voorbijgaan, aandacht te schenken aan de inzichten, die dr. Ter Horst aandraagt ter ondersteuning van de geloofsopvoeding, die we onze kinderen en jongeren thuis en in de gemeente proberen te geven met Gods hulp. Met bovenstaande driedeling bedoelt hij het volgende. Ik citeer dr. Ter Horst nu via een artikel uit 'Koers' van 14 september jl.:

'We moeten anders over geloofsopvoeding gaan praten, en voor prof. Ter Horst betekent dat "anders" vooral dat we het niet meer zien als iets wat vanzelf gaat, maar als iets wat een systematische aanpak vraagt. Als handvat daarvoor geeft hij een onderscheiding in drie gebieden binnen het menselijk beleven, die hij ook in zijn boek over leedverwerking, "Over troosten en verdriet", heeft toegepast. Die drie gebieden binnen het menselijk beleven zijn: de Zinnen, het Ik en het Hart.
Als je het hebt over "de zinnen", gaat het eenvoudig om dat waar je zin in hebt, wat je prettig vindt, wat de zinnen streelt of juist niet. Voor Ter Horst is dat geen onbelangrijk gebied, zeker ook niet in verband met de geloofsopvoeding: "Laten we het ons en onze kinderen naar de zin maken, laten we proberen ervoor te zorgen dat er iets is waar ze hun zinnen op kunnen zetten," schrijft hij in "Christelijke opvoeding" (17). We komen op dit gebied van "de zinnen" nog uitgebreid terug.
Het tweede gebied is dat van "het ik". Daarbij gaat het er niet om of iemand het naar z'n zin heeft, maar is de persoon zelf als het ware in het geding: wordt zijn "ik" bevestigd of lijdt hij aan "ik"-verlies? Op het terrein van de geloofsopvoeding is dan bijvoorbeeld de vraag of kinderen wel tot hun recht komen: hangen ze er maar een beetje bij of worden ze echt persoonlijk aangesproken? Het geloof moet immers een deel van hun leven worden; ze moeten het zich "eigen" maken. Ook dit belevingsgebied is volgens Ter Horst erg belangrijk. Toch is er nog meer. Er wordt soms de indruk gewekt, dat dit gebied van het "ik" het belangrijkste is. In de opvoeding gaat het er dan alleen om dat kinderen zich een bepaald gedrag en een bepaalde levensbeschouwing eigen maken. En nogmaals, bevestiging van het "ik" door een bepaalde levens- en wereldbeschouwing is volgens Ter Horst erg belangrijk. "Maar", zo legt hij uit, "het gaat uiteindelijk om iets diepers, iets waar eigenlijk woorden voor tekort schieten: het hart, de toewending van het hart tot God. Misschien zou je het woord '"bevinding"' kunnen gebruiken, hoewel dat toch niet helemaal hetzelfde is."
Als het dan toch om het hart gaat, waarom besteedt u dan zoveel aandacht aan "de zinnen" en "het ik", dus aan de vraag of een kind het wel naar zijn zin heeft en of hij wel tot zijn recht komt? Het gaat in het geloof toch ook om zelfverloochening en afzien van eigen verlangens?
"Dat is ook zo. Maar als we het hebben over zelfverloochening en afzien van eigen verlangens, dan zitten we al op het gebied van het hart. Dan is de mens iets gewaar geworden van wat er meer is dan hemzelf, van wat boven hemzelf uitstijgt. Dáár gaat het inderdaad om. Maar mijn gedachte is dat niets in het hart komt als het niet eerst op het gebied van '"de zinnen'" en '"het ik'" is geweest, behalve natuurlijk de onmiddellijke werking van de Geest. Om het hart te kunnen bereiken, hebben we in de geloofsopvoeding alleen de toegang via '"de zinnen'" — het leuk vinden en blij zijn — en '"het ik'" — dat het een deel van mezelf wordt. Pas dan is het hart in staat om gewaar te worden, dat het eigenlijk helemaal niet gaat om '"leuk vinden"' of '"deel van jezelf worden"' en dat er iets is wat er bovenuit stijgt".'

We moeten hier oppassen voor misverstanden. Ter Horst bedoelt niet, dat we het kinderen naar de zin moeten maken in die dwingerige, heersende betekenis van het woord. Als hij het over de 'zinnen' heeft, bedoelt hij: als je kinderen en volwassenen bij God en Zijn dienst wil betrekken, dan moeten we beginnen ze te leren hun zintuigen de kost te geven. We citeren nogmaals uit 'Koers', waaruit duidelijk mag worden wat er bedoeld wordt:

'Systematisch bezig-zijn met de geloofsopvoeding betekent voor dr. Ter Horst ook dat je steeds weer naar wegen zoekt om "de zinnen" van kinderen als het ware aan te spreken. Omdat het hart alleen bereikt kan worden via de "zinnen" en "het ik", moet alles wat in de geloofsopvoeding aan de orde komt éérst een beleving voor de kinderen zijn. Vandaar de ruime aandacht die Ter Horst besteedt aan zaken als verhalen, liederen, rituelen en symbolen. Vandaar ook dat "Nu daagt het in het oosten" eerst een plaats in de eigen beleving van kinderen moet krijgen voordat je dit lied goed met hen kunt zingen. Hetzelfde geldt voor de sterren in het verhaal van Abraham: hoe kan zo'n verhaal werkelijk iets betekenen als je nog nooit midden in de nacht bent opgestaan om naar de sterren te kijken?
De tijd nemen om kinderen te leren luisteren naar — zoals we dat wel noemen: — het spreken van God in de schepping, ook dàt hoort bij de geloofsopvoeding: "Gewoon, rustig met de zintuigen iets in je opnemen en tot je zelf laten doordringen, zodat misschien het Hart iets gewaar kan worden van het wezenlijke, van het geheim achter het zintuiglijk waarneembare. Niemand die niet eerst van en met de opvoeders heeft geleerd om goed te kijken, te luisteren, te ruiken, te tasten en te proeven, kan zijn Hart openstellen voor Schepper en schepping. Stilte, rust, alle tijd nemen, even niet worden afgeleid door storende signalen, even niet bezig zijn met prestaties. En dan een opvoeder die je bijna eerbiedig opmerkzaam maakt voor het wonder van het meesje op de boomstam of de zonnestraal door de gordijnen" (p. 99).
Over het via de zintuigen toegankelijk maken van geloofszaken, vertelt Ter Horst: "Ik heb eens ergens gesproken op een congres van een evangelische club, waar het kinderliedje '"Je bent een parel in Gods hand'" genoemd werd. Ik zeg: '"Nu moet je eens even stoppen. Wie van jullie, opgewekte figuren als jullie zijn, heeft ooit met die kinderen naar een parel, of anders naar een schelp, gekeken en ze uitgelegd dat dit eeuwenlang voor mensen het mooiste was dat ze zich konden voorstellen?'" Niemand. Toen heb ik gezegd: '"Dan kun je ook niet met kinderen zingen over ""Je bent een parel in Gods hand"".'" Dat kàn gewoon niet meer."(...)
U schrijft ergens: "Kerkgang, bijbellezing en gebed zijn mijns inziens vaste rituelen. Maar dan moeten de opvoeders er wel voor zorgen dat ze als zodanig ook door de kinderen kunnen worden ervaren" (101). Hoe doe je dat?
"Door te zorgen dat het geen sleur wordt. Als het zo is dat je zegt: '"Hebben we al gebeden?'", dan is het een sleur geworden en ervaren kinderen het niet meer als een ritueel dat ergens naar verwijst. Dan is het een zinloze handeling geworden. Daarom is het belangrijk dat je er met kinderen over praat. Iets als de doop bijvoorbeeld, daarvan wordt veel te makkelijk aangenomen dat kinderen dat wel begrijpen, dat ze die ervaring wel hebben. Maar het moeten weer echte rituelen worden in die zin dat het samen met de kinderen beleefd wordt. Een ander voorbeeld: de zegen aan het begin van de dienst: "'Genade en vrede zij u'". Daar moet je zo nu en dan met hen over praten: Moet je voorstellen, dan hebben we de hele week moeilijk zitten doen en dan mag de dominee tòch zeggen: '"Genade zij u'". Vaak denk je er helemaal niet bij na, maar daar zouden toch eigenlijk iedere keer weer de koude rillingen van over de rug moeten lopen, dat dat gezegd wordt? Nou, in die zin moet je er ook met de kinderen over praten. Want het christelijke geloven spreekt niet meer vanzelf in onze samenleving. Het moest steeds weer uitgelegd worden".'

Dialoog in plaats van monoloog
De totaal veranderde leefsituatie dwingt ons ertoe, om ook in de christelijke geloofsopvoeding rekening te houden met deze grondige verandering. Een voorbeeld:

'Ik noem nòg een belangrijke verandering. Toen ik veertig jaar geleden onderwijzer werd, zette het hoofd van de school me voor de klas en zei hij: "Kinderen, dit is uw nieuwe onderwijzer. Weest hem onderdanig, zoals hij mij onderdanig is." Zo was de gezagshiërarchie toen. Maar dit soort gezag, dat je dus ontleent aan je positie, js sterk aan het verdwijnen. Het gezag van deze tijd is een gezag dat je moet verwerven en waarmaken. Een schoolhoofd loopt nu rond in een trui en wordt Piet genoemd. Niet dat ik dat nu zo bewonder, maar het is wel zo. Die veranderde gezagsverhouding brengt met zich mee dat het gevoel van tekortschieten, niet-kunnen en schuld een totaal andere is dan die van vroeger. En als we nu in de geloofsopvoeding net doen of dat niet zo is, schieten we tekort, denk ik.
Ik denk dus dat we naar de kinderen moeten luisteren, naar wat hùn vragen en hùn problemen zijn. Anders lopen we het gevaar dat we prachtige antwoorden hebben op vragen die ze zich nooit stellen. Kijk, we willen ze toerusten voor de wereld van morgen, maar we weten niet hoe die wereld er uitziet. In zeker opzicht — we moeten het natuurlijk ook niet romantiseren — hebben jongeren daar veel meer voeling voor: zíj zijn de mensen van morgen, wíj zijn van gisteren, ik ben zelfs van éérgisteren. Om beter te geloven, dat wil dus ook zeggen: om beter toegerust te zijn voor de dienst aan de wereld, hebben we daarom de jongeren nodig. Je kunt niet meer zeggen: wij hebben het, jullie hebben het nog niet en daarom dragen we "de goederen" eenvoudigweg over.
Ik wil dus, aldus nog steeds Ter Horst, met jongeren in gesprek en aan hun vragen: "Wat vinden jullie? Wat houdt jullie bezig?" Om dan vervolgens met hen samen in de Schrift, en met eerbied voor de traditie, te zoeken naar een antwoord. Dat betekent niet dat het geloofsgoed daarmee zal veranderen. Want de heilsfeiten en de beloften blijven hetzelfde. Als dat niet zo was, hield ik er direkt mee op. Wat wèl anders is, is de manier waarop we met dat wat hetzelfde blijft, bij de kinderen moeten aankomen, in de hoop dat het door Gods genade hun hart bereikt. Zo zie ik zelf ook de belijdenis, want daar zult u nu wel een vraag bed over willen stellen. Zonder er een tittel of jota en vanaf te doen, zie ik belijdenissen toch als ant­woorden van een bepaalde cultuur in een bepaalde tijd. Zo moet iedere tijd z'n eigen uitdrukkingsvormen en belijdenissen zoeken en vinden, denk ik."

Met de laatste regels heb ik de nodige moeite, of liever: die wijs ik af. Al is het zo, dat vormgeving en verwoording bepaald zijn door de contekst waarin belijdenissen zijn ontstaan, ze bevatten toch het geloofsgoed voor alle tijden. Dat laat wel onverlet dat we die inhoud niet zomaar meer kunnen slijten aan de huidige generatie. En dan voel ik sterk mee met Ter Horsts opvatting: dat kan het best via gesprek, een wederzijdse toenadering. En dan mag de inbreng van de opvoeder het stevigst zijn. Dat heeft het kind het meest nodig: leiding, geestelijke leiding, juist op het gebied van geloven en kennen van God.

Gedragingen leren of opvoeden
Erg onthullend vind ik tenslotte wat dr. Ter Horst schrijft over het verschil tussen: gedragingen aanleren en werkelijk christelijk opvoeden.

'Hoe krijgen we kinderen nu zover dat ze beleven wat het betekent dat ze een parel in Gods hand zijn? Prof. Ter Horst gelooft dat dat een vraag is zoals opvoeders die zichzelf voortdurend moeten stellen, willen ze echt met geloofsopvoeding bezig zijn. "En daar is nog nauwelijks een begin mee gemaakt", zo zegt hij. "Als men kinderen gewoon gebedjes leert en vertrouwd maakt met kerkgang, dan leert men wel gedragingen aan, maar dan is men nog niet bezig met opvoeding. Veel mensen denken dat. Die leiden een christelijk leven en denken dat het verder wel vanzelf gaat, dat het op een dag bij de kinderen '"wel naar binnen slaat"'. Maar zo is het niet. Hoeveel tijd besteden ze met de kinderen aan dit soort eenvoudige belevingen waarover we het nu gehad hebben? Moet je in onze christelijke gezinnen zien hoe de agenda's van de ouders in elkaar zitten: ze hebben er gewoon geen tijd voor. En dan wel naar Madame Tussaud, maar bijvoorbeeld nooit naar het Bijbels Museum. Dat snap ik niet".'

We zijn het met dr. Ter Horst eens dat, als we nog wat willen met de christelijke geloofsopvoeding, we de aankomende generatie dan een, wat hij noemt, belevingsfundament dienen mee te geven. Nogmaals gezegd, dat is niet hetzelfde als wat onder ons met 'bevinding' wordt bedoeld. Geloofsbevinding is geen product van mensen, doch vrucht van de Geest. We hebben rekening te houden met de menselijke behoefte aan 'belevingen', dat het over te dragen geloofsgoed landt in de leefwereld van kinderen en jongeren, dat men er wat bij beleeft, het naar de zin heeft omdat de zinnen betrokken worden in de geloofsopvoeding, dat er sfeer is, dat er iets van blijheid doorstraalt en overkomt, als wij met de blijde boodschap tot hen komen. Daarom, aldus Ter Horst, is vernieuwing van de geloofsopvoeding nu dringend nodig. Over een jaar of twintig hoeft het, menselijkerwijs gesproken, niet meer. 'Als we voor een toenemend aantal mensen nog wat willen betekenen als kerk, zullen we ervoor moeten zorgen dat — simpel gesteld — de "sfeer" goed is (voor zinnen en ik) en dat het hart wordt aangesproken. Anders gezegd, dat er wat te beleven is.'
Er is nog genoeg te doen, ook onder ons.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 oktober 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's