De voorzienigheid (2)
God God laten, impliceert onvoorwaardelijk buigen voor het Woord van God.
In Psalm 104 wordt de schoonheid van de schepping bezongen. Indrukwekkend wordt ons voorgehouden, dat niets buiten God omgaat. Door heel de Psalm klinkt bewondering voor de werken van God. God heeft de aarde gegrond op haar grondvesten. De wateren een grens gesteld. Hij bestuurt regen en wind. Het voedsel voor de mensen en de dieren komt uit Zijn hand. De afwisseling van dag en nacht, het veranderen van de jaargetijden, wordt vanuit de Hemel geregeld. De vogels en de vissen vinden hun bestaanszekerheid in God. De dichter wekt op de Schepper van alle dingen te loven.
Volgens Amos 3 : 6 mogen we God niet scheiden van het kwaad. 'Zal er een kwaad in de stad zijn, dat de Heere niet doet? De profeet herinnert er met deze woorden aan, dat rampen niet toevallig gebeuren. Calvijn zegt bij deze tekst: 'Want wij weten, dat de uitdrukkingen gelukkig of ongelukkig toeval in de mond van allen liggen, alsof God Zijn tijd in de hemel in ledigheid doorbrengt en zich niet om menselijke zaken bekommert. De wereld pleegt dan ook wat geschiedt, toe te schrijven aan het toeval. Maar de profeet toont hier, dat de heerschappij over de wereld door God wordt uitgeoefend, en dat er niets gebeurt dan door Zijn hand'.
Ook uit Maleachi 3 : 6 blijkt dat alle dingen in de hand van God zijn: Want ik, de Heere, wordt niet veranderd'. Bij God is geen verandering. Hij is altijd de toevlucht van Zijn volk. Zijn liefde blijft onveranderd. Want Hij is de Heere Die nooit laat varen de werken van Zijn handen. Gods trouw wordt door de trouweloosheid van Zijn kinderen niet teniet gedaan.
Het vasthouden aan de onveranderlijkheid van God betekent niet, dat we een grimmig God belijden. Dat is een oneerbiedige houding. In het Woord wordt gesproken over het berouw van God: Toen berouwde het de Heere, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart (Genesis 6 : 6). Op een menselijke wijze wordt over God gesproken. Van een werkelijk berouw over Zijn daden kan bij God geen sprake zijn. God is geen man, dat Hij liegen zou, noch een mensenkind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken? (Numeri 23 : 19) Dat er toch gesproken wordt over Gods berouw, heeft te maken dat Hij de levende God is. Die reageert op mensen en hun daden. God is barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. De rechtvaardigheid en barmhartigheid van God zijn twee eigenschappen van Hem. In Zijn rechtvaardigheid is God een verterend vuur, in Zijn barmhartigheid is Hij vol van genade. Hoewel het lijkt dat God daarin in tegenspraak is met Zichzelf, is dat toch niet zo. Op Golgotha treedt zowel Zijn rechtvaardigheid als Zijn barmhartigheid aan het licht.
Gereformeerde belijdenis
De gereformeerde belijdenisgeschriften spreken in Zondag 10 en in artikel 13 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de voorzienigheid Gods. Er wordt niet abstract of bespiegelend geredeneerd. De Godsregering is geen theorie zo droog als gort. Het wordt behandeld met de praktijk van de godzaligheid. Deze belijdenis komt op uit het zaligmakend geloof De klemtoon valt op de troost. De leiding van God is één van de meest rijke gedachten uit de Schrift. In een verwarde tijd is het een geweldige troost zekerheid te hebben, dat God regeert.
Gods voorzienigheid is naar zondag 10 'De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met Zijn hand nog onderhoudt en regeert'. God is niet een toeschouwer van de wereld bij Wie de dingen uit de hand kunnen lopen. De wereld bestaat niet onafhankelijk van God. Na de zondeval kwam de mens tegenover God te staan. Zijn leven is anti-God. De welvaart hepft een gevoel van onafhankelijkheid gegeven. Deze onafhankelijkheid is zelfbedrog. Als schepsel kan de mens zonder God zich niet roeren.
In zondag 10 is de invloed van Calvijn merkbaar. Eerder hebben we geconstateerd, dat hij van het principe uitgaat, dat alle dingen voortkomen uit God. Gods voorzienigheid gaat over alle dingen, niets uitgezonderd. Hij leidt mijn leven van het begin tot het einde. Achter vreugde en verdriet, gezondheid en ziekte, geboorte en sterven, voorspoed en tegenspoed, woonplaats en werkkring, ziet de belijder van Zondag 10 de hand van de Vader. Een gelovige is niet aan toeval overgeleverd. God past op Zijn kinderen. De troost van de voorzienigheid bepaalt in welke richting wij moeten gaan. Zo worden we geduldig in tegenspoed. De tegenspoed drijft naar God toe als we de Vaderhand zien, die alles ten beste leidt. Zo zijn we in voorspoed dankbaar. Dankbaarheid brengt tot dagelijkse bekering. Bekering is het doel van Gods goedheid. Geduld en dankbaarheid zijn beide genade.
Het geloof in de voorzienigheid geeft vertrouwen voor de toekomst. Wie op de goede God vertrouwt, kan de toekomst onbezorgd tegemoet zien. God houdt Zijn volk in stand.
In het boek 'Het beleid over ons bestaan' van E.J. Beker en K.A. Deurloo wordt de belijder van Zondag 10 in zijn hemd gezet. Het klassieke voorzienigheidsbelijden krijgt het verwijt te hebben opgevoed tot atheïsme. Hun voornaamste kritiek is de beweging van het algemene naar het bijzondere. Zij willen denken en spreken vanuit de Godsopenbaring in Christus. In deze kritiek zien we geen reden onze belijdenis in gebreke te stellen.
Geen fatalisme
De belijdenisgeschriften staan lijnrecht tegenover het fatalisme en de opvatting van het toeval. De reformatorische traditie verzet zich met hand en tand tegen deze onbijbelse standpunten.
Het fatalisme, de noodlotsgedachte, is heidens. Deze dwaling gaat af op blind noodlot. Het is de opvatting van een ieder die het leven onverschillig gadeslaat en geen andere verklaring weet, dan dat het zeker zo moet zijn. De loop van de dingen valt toch niet te veranderen. Alles verloopt volgens vaste, voorgeprogrammeerde lijnen.
Een kind van God, dat de voorzienigheid belijdt, geeft zich niet over aan een almachtige en alom tegenwoordige kracht, die niet nader gedefinieerd kan worden. Het leven wordt in alle facetten geleid door de Vader van de Heere Jezus Christus. Het is de gelovige tot blijdschap, dat de Hemelse Vader het roer van zijn leven in handen heeft. Die geloofspraktijk is in de belijdenisgeschriften aanwezig. De fatalist wil niet van een persoonlijk God weten en bazelt daarom van een noodlot.
In de christelijke gemeente moeten we oppassen voor een soort voorzienigheidsgeloof waarin Christus en de Heilige Geest geen plaats hebben. Het fatalisme kan 'christelijk' ingekleed worden. Het is een berusting buiten de God en Vader van de Heere Jezus Christus. Dit belemmert het rechte belijden en staat het werkelijk beleven van de voorzienigheid in de weg. Het verkeerd berusten zoekt de oplossing in dooddoeners als: 'Het zijn geen mensen die het je aandoen', 'God vergist zich niet', 'Alles komt toch zoals het komen moet'. Met deze 'vrome uitdrukkingen' spreekt men op een vage wijze over de Godsregering.
We verwerpen ook het toeval. De wijsgeer Epicurus verdedigde al de mening, dat alle dingen willekeurig plaatsvinden. God bemoeit Zich niet met de wereld. Deze leer berooft God van Zijn eer, zet het schepsel op de troon en vertoont een schreeuwend contrast met de christelijke leer van de voorzienigheid. De mens is de maatstaf van alle dingen. Er is geen plaats voor God op aarde. Het christelijk geloof kan zich geen wereld voorstellen zonder God. Het heidendom is onbarmhartig. Er is geen helper. Het christelijk geloof kent de Barmhartige God Die in alles voorziet. Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil. Ons 't eeuwig, zalig leven; Hij kan, èn wil, èn zal in nood. Zelfs bij het naad'ren van de dood. Volkomen uitkomst geven. Die God betoont zonder onderscheid te maken Zijn liefde aan de mensen. Want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Verantwoordelijkheid
Bij het spreken over de voorzienigheid kunnen we niet om de volgende vraag heen: Hoe zit het met de verantwoordelijkheid van de mens? Enerzijds houden we vast dat er niets ontsnapt aan Gods voorzienigheid. Anderzijds handhaven we de verantwoordelijkheid van de mens. Wie de verantwoordelijkheid prijsgeeft, maakt van de mens een stok of blok. Wie heb bestuur van God ontkent, benadeelt de almacht van God.
De Dordtse Leerregels verschaffen over deze spanning helderheid. In hoofdstuk 3 en 4 gaat het over de bekering van de mens. Synergisme (medewerking van de mens met God in het werk van de bekering) wordt afgewezen. God is het Die werkt beide het willen en het werken. Daar is geen woord Frans bij.
Tegelijk wordt gesteld, dat de mens door de val niet heeft opgehouden een mens te zijn, begaafd met verstand en wil (Art. 16). God werkt met Zijn genade niet als in stokken en blokken. Wij dragen volledige verantwoordelijkheid voor hetgeen wij doen. Lijdelijkheid krijgt in de Dordtse Leerregels geen vaste voet. In Filippenzen 2 : 12 en 13 lezen we de opwekking: Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven en de stelling: Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. De kanttekenaren geven bij het woord 'werkt' deze verklaring: Dat is, benaarstigt, bearbeidt, gebruikende de middelen die God tot bevordering derzelve heeft verordineerd. Uit vers 13 kunnen we concluderen, dat het onmogelijk is, dat de mens door eigen krachten de zaligheid zou kunnen werken.
Lijdelijkheid of menselijke verantwoordelijkheid oefenen invloed uit op het gebruik van de middelen. Er zijn christenen die met een beroep op de voorzienigheid weigeren hun kinderen te laten inenten. In de oorlogsjaren waren er christenen die met een beroep op Gods voorzienigheid meenden, dat men berusten moest in de tirannie van de nazi's.
Wij mogen de middelen gebruiken. Door geneesmiddelen herstellen we van een ziekte. De dijken bieden bescherming tegen het water. Een schip neemt reddingsboten mee. Overal hebben we brandweerauto's. Maar we moeten niet vertrouwen op de middelen. Dan maken we van die middelen afgoden. God wil in de weg van het gebruik van die middelen leiden en regeren. Jozef spoort in Egypte de farao niet aan tot lijdelijkheid. Hij adviseert voor de zeven jaren van honger maatregelen te nemen. Paulus voorziet onderweg naar Rome een storm die God zenden zal. De apostel vindt het het verstandigste, die storm niet over zich te laten komen en in Kreta te overwinteren. Later tijdens de storm zegt Paulus: mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en deze hinder en deze schade verhoed te hebben (Hand. 27 : 21).
Cajivijn stimuleert het gebruik van de middelen: Want zij die met voorbijgang van de door God aanbevolen middelen. Zijn macht en kracht willen ondervinden, doen evenals degene die iemand handen en armen afsneed, en dan beval te werken (Bij Mattheüs 4 : 7).
God en het kwaad
In de belijdenis van de voorzienigheid is de moeilijkste vraag hoe de verhouding is tussen de onderhouding en de regering van God en het kwaad. God is niet de auteur van de zonde. Hij bedroeft en vertoornt Zich over de zonde van de mensen en bestraft die. De zonde blijft voor rekening van de mens.
God laat toe dat er kwaad gebeurt. Als mensen Gods leiding weerstaan en verwerpen, kan God hen overlaten aan het goeddunken van hun hart. God roept Israël tot gehoorzaamheid. Het volk weigert. Het resultaat is een ontzettend oordeel van God: Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen (Psalm 81 : 13).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's