De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De onbekende Voetius

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De onbekende Voetius

8 minuten leestijd

'De onbekende Voetius', zo luidt de titel van een bundel voordrachten, die gehouden zijn op een wetenschappelijk symposium, georganiseerd door de Utrechtse faculteit der Godgeleerdheid, dat gehouden werd ter gelegenheid van de vierhonderdste geboortedag van Gisbertus Voetius, een van de grondleggers van de Utrechtse Universiteit. De titel van dit boek heeft, enige verduidelijking nodig. Om welke 'onbekendheid' gaat het hier? In zekere zin is Voetius voor velen een goede bekende. Zelfs niet-theologen is hij niet vreemd; zijn portret is immers te vinden op een van Nederlands meest markante postzegels, een van de twee driehoekige zegels, die werden uitgegeven naar aanleiding van het driehonderdjarig bestaan van de Utrechtse Universiteit. Voetius is wat naam en hoofdlijnen van zijn betekenis betreft wellicht bekend, scholen zijn naar hem genoemd, maar de ervaring leert dat er toch heel wat van de veelzijdige werkzaamheid van deze theoloog in onbekendheid is geraakt. Dat is tenminste de persoonlijke indruk die overheerste na lezing van de voordrachten. De bedoeling van deze bundel is dus niet om enkele tot nu toe onbekend gebleven facetten van zijn persoon en werk aan het licht te brengen. De opzet is, om de oppervlakkige bekendheid die er bij velen die de naam 'Voetius' en wellicht enige titels van zijn geschriften kennen is, plaats te laten maken voor een nieuwe interesse in deze voor kerk en theologie van de zeventiende eeuw zo belangrijke sleutelfiguur.
Een keur van scribenten is erin geslaagd, een boeiend beeld van de bijzonder veelzijdige Voetius te schetsen. Een aantal referaten handelt over zijn betekenis voor de theologie, en wel in het bijzonder de gereformeerde, waarvan hij een hartstochtelijk belijder en verdediger was. Prof. dr. C. Graafland opent met een tekening van 'Voetius als gereformeerd theoloog'. Op een positieve en heldere wijze krijgen we de gelegenheid om met Voetius kennis te maken als een voluit gereformeerd theoloog, die tegelijk kind van zijn tijd was. Dit laatste is voor Graafland niet iets negatiefs, zoals hij in zijn slotconclusie stelt, maar 'één van de meest kenmerkende trekken van een waarlijk gereformeerd denkend en gelovend christen'. Voetius' theologie heeft velerlei beoordeling ondergaan, vaak met veroordeling gepaard gaande. Graafland gaat in op de vele en diverse visies op Voetius en komt tot de conclusie, dat Voetius meer een practicus dan een systematicus was. Volgens Graafland was dat geen zwakheid, zoals sommigen oordelen die menen dat het praktische ten koste is gegaan van de theologisch-dogmatische arbeid. Het is de gereformeerde theologie immers eigen om zich geheel te laten doordringen van de praktijk der godzaligheid. Dat eigene valt zeker ook in Voetius te waarderen, al is het ook terecht als erop wordt gewezen, dat de invloed van de scholastieke theologie, die hij uitstekend beheerste, toch wel teveel de inhoud van zijn theologie heeft bepaald. Tot zover de bijdrage van Graafland, die op beknopte wijze een boeiende inleiding geeft op de vele aspecten van de theologie van Voetius.
Het geding van Voetius en Coccejus kan natuurlijk niet ontbreken in een bundel als deze. Dr. W.J. van Asselt laat zien, hoezeer de onenigheid tussen beide theologen en hun navolgers te maken heeft gehad met het hart van het gereformeerde belijden en leven: de rechtvaardigingsleer. Het is het geding tussen heilsordelijk en heilshistorisch denken. De vraag was: wat was de vergeving voor de gelovigen van het Oude Verbond? Coccejus meende, dat zolang de bloedstorting nog niet was geschied, er alleen sprake was van een vergeving van zonden als een voorbijgaan van God aan de zonde. De O.T.-gelovigen zijn alleen gerechtvaardigd met het oog op het bloed dat nog gestort moest worden. Voetius is er alles aan gelegen vast te houden aan een volledige rechtvaardiging ook voor de gelovigen onder het Oude Verbond. De slotconclusie van Van Asselt, dat er zo bij Voetius 'geen enkele historische distantie' meer is tussen gelovigen van het oude en nieuwe verbond, lijkt me te sterk uitgedrukt. Coccejus mag dan meer oog gehad hebben voor de eigen betekenis van het O.T., hoewel daar ook nog wel wat over te zeggen valt wellicht, van Voetius kan niet gezegd worden dat er geen ruimte meer over zou blijven voor de eigenheid van het O.T. Die is er meen ik toch wel, al is die inderdaad duidelijk van andere aard dan die van Coccejus.
Het spreekt vanzelf, dat er geen gelegenheid is, om in het kader van deze boekbespreking aan alle artikelen evenveel aandacht te geven, al zijn ze het vanwege hun interessante karakter alle wel waard. Daarom noem ik nu nog enkele onderwerpen die er aan de orde komen. Dr. T. Brienen bespreekt de verhouding van Voetius en Hoornbeeck inzake de homiletiek, dr. F.G.M. Broeyer biedt een interessante bijdrage over 'Voetius en Utrecht', waarin zijn praktisch-pastorale en kerkelijke betekenis treffend tot uiting komen. Enkele biografische aspecten en relaties met geestverwante tijdgenoten komen aan de orde in de artikelen van drs. D.E.A. Faber: 'Voetius gezien door een tijdgenoot', dr. A. de Groot: 'Voetius' biografie', over het nog steeds zeer waardevolle werk van A.C. Duker die, hoewel volstrekt geen geestverwant, een bijzonder gedegen biografie heeft geschreven, dr. W.J. op 't Hof, over de verhouding van Voetius en de gebroeders Teellinck, en dr. J.C. Trimp schrijft over 'Voetius en Lodensteyn'. Uit al deze hoofdstukken blijkt dat Voetius in de vele relaties, die hij in kerk en theologie had, grote invloed heeft uitgeoefend, maar op zijn beurt ook invloed heeft ondergaan. Voetius moet ook contactueel een veelzijdig mens zijn geweest.

Een apart aspect van Voetius, waarmee misschien velen, die in de hiervoor genoemde hoofdstukken nog wel bekende dingen van hem zullen tegenkomen, vooral binnen het kader van de kennis van de Nadere Reformatie, toch wat onbekender zullen zijn, is zijn polemische verhouding met de nieuwere filosofie van zijn dagen, die van Descartes. Weten wij wellicht nog wel, dat Voetius een felle anti-cartesiaan was, een aantal hoofdstukken maakt ons duidelijk, hoe en waarom hij dat is geweest. Het zijn wel de 'moeilijkste' hoofdstukken van deze bundel. Dr. Th.H.M. Verbeek behandelt de relatie van 'Voetius en Descartes', dr. A. Vos beoordeelt Voetius in zijn reactie op Descartes als een 'reformatorische wijsgeer'. De conclusie van de laatste is dat 'het programma van de supranaturalistische cartesianen van de zeventiende eeuw nu als een ramp moet worden gekwalificeerd'. Voetius koos daarentegen ook filosofisch het betere deel.
Nog niet genoemd zijn de artikelen van prof. dr. O.J. de Jong over 'Voetius en de tolerantie', van prof. dr. Jan A.B. Jongeneel over 'Voetius' zendingstheologie', van dr. M. Lamberigts over 'Voetius versus Jansenius', een artikel dat Voetius' veelzijdigheid ook naar de kant van andere disciplines aantoont, van de hand van prof. dr. M.J. van Lieburg over 'Voetius en de geneeskunde' en een 'verkenning' van dr. J. van Oort over 'De jonge Voetius en Augustinus'. Het is haast teveel om op te noemen!
Het slotartikel is van prof. dr. W. van 't Spijker, die 'Voetius practicus' aan ons voorstelt. Het mag veelbetekenend zijn, dat het symposium en de bundel daarmee zijn besloten. Het laat Voetius' hartelijke betrokkenheid zien op de praktijk van de kerk en het geestelijke leven. Theologie is altijd als 'theologia viatorum' een praktische discipline. Drie delen daarvan komen aan de orde. Allereerst is daar de ethiek, de heiliging met de nadruk op 'praecisitas', vervolgens is er de vroomheid, de 'pietas' die achter de vroomheid schuilgaat, en die bij Voetius een brede katholieke onderlaag heeft, en ten derde de aandacht voor de gemeenteopbouw in de 'Politica Ecclesiastica'. Van 't Spijker eindigt met de positieve conclusie: 'De theologische methode van Voetius be­hoort tot die van zijn tijd. Zijn theologische doelstelling echter is er een van alle tijden: Theologica practica, gericht op de zielzorg en ten behoeve van het pastoraat dat leert luisteren naar de stem van de Goede Herder.'
Tenslotte, als we terugkijken op de veelheid en veelzijdigheid van dit boek, dan mogen we zonder reserve wel zeggen, dat de organisatoren van het symposium en de referenten, die daarbij hun bijdrage hebben geleverd, er bijzonder in geslaagd zijn om de geheel onverdiende 'onbekendheid' van Voetius te helpen wegnemen. Hoewel een aantal artikelen een degelijke theologische scholing veronderstellen, blijft er toch nog genoeg over voor de van minder theologisch begrippenmateriaal voorziene geïnteresseerden. De uitgever heeft er een mooi en degelijk boek van gemaakt. Moge het vele lezers vinden, en moge het vooral een stimulans zijn om de verdere bestudering van deze waardevolle theoloog (opnieuw) ter hand te nemen. 'Onbekend maakt onbemind' luidt het gezegde. Wellicht is het omgekeerde ook het geval.

Van Oort e.a.: 'De onbekende Voetius', voordrachten wetenschappelijk symposium Utrecht 3 maart 1989, Kok Kampen, 266 pagina's, prijs ƒ 52,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De onbekende Voetius

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's