Globaal bekeken
De lof van Holland werd uitbundig bezongen in 'Reisverhalen van Fransen in Holland' in de jaren 1750-1795. Dat blijkt uit fragmenten in een recent verschenen boek 'Het beeld van de vreemdeling' (uitgave Ambo, Baarn):
• 'Men ontdekt overal in het oog springende kenmerken van welstand, zelfs van een algemene rijkdom. (...) Bij de nadering van een stad ontwaart men aan alle kanten een menigte boerderijen, mooi, lieflijk, met een bloementuintje er voor en een grote moestuin er achter, meestal met ook nog een boomgaard.
Men ziet er buitenhuizen, het één na het ander tot aan de stad, tegenover uitgestrekte weilanden met talrijke koeien, schapen en paarden. Men ziet de boeren hun boter en kaas, hun groenten en fruit naar de stad brengen, niet te voet en uitgeput als bij ons, maar in wagens, bespannen met één of meer prachtige paarden: zie dat stevige tuig opgesierd door vergulde spijkerkoppen. (...) Men ontmoet soms dertig van die boeren bij elkaar, van hetzelfde dorp: ze komen van de markt; ze zingen, mannen en vrouwen, in hun rijtuigen. Ze tonen openlijk hun voorspoed en rijkdom en hoeven niet bang te zijn dat het winstbejag hierin aanleiding vindt hen des te meer af te zetten.
Onderweg komt men altijd mensen tegen die naar de stad gaan of er van terugkomen. Dat zijn geen bedelaars die op de reizigers afstevenen om hun een aalmoes af te persen, geen berooide dorpelingen in lompen op de terugweg van een vergeefse poging zich recht te verschaffen tegen alle overlast hun aangedaan; het zijn geen verhongerde broodschrijvers, de schande van een edel beroep, die tweedracht zaaien en processen veroorzaken op het platteland, het zijn evenmin bedelmonniken die ergens een afspraak hebben of die geld vragen voor gebeden die ze niet opzeggen of hun reiszakken trachten te vullen met eetwaar, die de boeren zich maar al te vaak ontzeggen ten koste van het onderhoud van hun gezin. Nee, maar het zijn kooplieden, fabrikanten, op weg naar een onderhandeling over hun koopwaar of produkt, verder ambachtslieden die van stad naar stad trekken om zich het materiaal te verschaffen dat ze nodig hebben. Het zijn burgers en groothandelaren die, korter of langer, rust zoeken in hun buitenhuis. Maar de vreemdeling die de tirannie verafschuwt, is eerst rècht verrukt, wanneer hij ziet dat in Holland de landbouwers het voorspoedigste deel van de bevolking vormen en, in verhouding tot hun behoeften, het rijkste.'
Bovenstaand boek leert ons ook hoe het soms in een Russisch gezin 'naar oud-Russische trant' toeging; een rijm geput uit een werk van Ostróvskij:
• 'Toen een Don-kozak, een kozak, eens zijn paard ging drenken.
Zag hij een koene man al bij zijn huisdeur staan.
Ja, bij zijn huisdeur staan, en die stond daar te denken.
Hoe hij zijn vrouw, zijn vrouw kapot zou slaan.
En zag hij, hoe de vrouw haar man al smeekte en bad,
Terwijl zij voor hem op haar knieën zat:
Ach vadertje, mijn allerliefste man,
Sla mij toch niet 's avonds vroeg al, als het kan!
Ga je gang wat mij betreft na middernacht!
Want als je mij al slaan gaat in de vroege avonduren,
Kunnen onze kindertjes niet slapen, en onze naaste buren.'
Tenslotte nog de episode over de vermaarde 'Ahasverus, de wandelende Jood' uit een Duits volksboekje (1602), getiteld 'Kurze Beschreibung und Erzehlung von einem Juden mit Name Ahasvarus':
• 'Om de stoet te kunnen zien, gin Ahasverus met een van zijn kinderen op zijn arm in de deuropening van zijn huis staan. Toen onze Heere Jezus, zijn kruis dragend, voorbijkwam, leunde hij tegen het huis van de jood, die (...) naar hem toeliep, hem vloekend wegduwde en hem de plek wees waar hij gaan moest om terechtgesteld te worden. Toen keek Jezus hem recht in het gezicht, en zei tot hem: "Ik zal stoppen en rusten, maar jij zult (eeuwig) lopen". Terstond zette de jood zijn kind op de grond neer; het was hem onmogelijk thuis te blijven. Hij volgde Jezus, zag hem ter dood gebracht worden. Daarna kon hij niet meer naar zijn huis noch naar Jeruzalem terugkeren; en zijn vrouw en kinderen zag hij nooit meer terug. Sindsdien zwerft hij voor eeuwig rond in vreemde landen. (...)'
Uit De Stem het volgende:
• Te vaak zijn onze predikaties als maaltijden die koud zijn geworden – ze zijn al te lang van het vuur verwijderd.
• Het is vreselijk in handen van de levende God te vallen. Het is nog vreselijker uit de handen van de levende God te vallen.
• Het kost iets, trouw te zijn.
• In de toekomst blikken, in het heden leven, uit het verleden leren.
• De biddende mens bidt voor regen. De gelovende mens neemt zijn paraplu mee.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's