De vreugde der wet (3)
Hoewel men Kohlbrugge uit zijn geschriften goed kan leren kennen, bestaan er niettemin in wat hij geschreven heeft over de wet een groot aantal misverstanden. Een daarvan is dat Kohlbrugge geleerd zou hebben, dat de wet een afgedane zaak is. Christus heeft — zo wordt gezegd — op Golgotha de wet vervuld en daarmee tegelijkertijd die afgeschaft.
Let wel: Kohlbrugge heeft dit nooit òf te nimmer zo geleerd noch zijn gemeente voorgehouden. Niet alles heb ik weliswaar van Kohlbrugge gelezen, maar toch wel zoveel dat het niet aan te nemen is dat in wat ongelezen bleef dit met veel verve door Kohlbrugge naar voren zou zijn gebracht.
Integendeel zelfs. Ik wil dat aantonen met een citaat uit één van de vele preken die hij ons heeft nagelaten. In die preek zegt de prediker van Elberfeld: 'De meeste kerkgangers leven maar zorgeloos door? Hoe komt dat? Wat is daarvan de oorzaak? Dat komt daaruit voort, dat er geen ware kennis der wet is, evenmin van eigen ellende en ook niet van de weg der verlossing.'
Als er één heeft geleerd dat de wet goed, heilig en rechtvaardig is, zo is dat Kohlbrugge geweest. Dat is niet alleen op te maken uit het aangehaalde citaat uit een preek van hem, maar uit al zijn preken alsmede uit alles wat hij geschreven heeft.
De wet is door Kohlbrugge niet als afgeschaft of krachteloos beschouwd. Men leze daarvoor met name nog eens zijn verklaring van de eerste zondagsafdelingen van de Heidelberger Catechismus. Wat hij ons wel goed heeft voorgehouden is — en daarmee geeft hij ons vrome vlees een doodsteek — dat uit de werken der wet geen vlees voor God gerechtvaardigd zal worden. En wanneer Kohlbrugge in navolging van de Schrift dit zo stellig poneert en steeds opnieuw op dat aambeeld hamert, dan wil hij daarmee bewerken dat wij alleen, ja enkel en alleen van genade zullen leren leven. Dit laatste is echter geen gemakkelijke zaak. Want wij willen altijd wat doen. Wij willen altijd werken. Waardoor dan ook, doch wij willen ons voor God méér voordoen dan wij zijn. En dit het liefst door de werken der wet. Het is daarom geen gering iets te leren dat alleen genade ons zal behouden, want dat gaat helemaal tegen onze verdorven natuur in. Werken, almaar werken om bij God in een goed blaadje te komen, dat zit in ons vlees en bloed. Het is om die reden zo'n wonder van genade, wanneer wij er achter komen vanuit het Woord door de Geest dat wij tot de Heere mogen komen zoals wij zijn. Zo verdorven en zo goddeloos als wij zijn. Werkelijk, Hij vraagt van ons niet dat wij ons opknappen òf dat wij ons inspannen om via de werken der wet Hem gunstig te stemmen. God rechtvaardigt de goddelozen. Geen Hervormden, geen Roomsen, geen leden van de Gereformeerde Gemeente Synodaal of in Nederland, ook geen mensen van het Leger des Heils of die lid zijn van een beweging die zich het 'Volle Evangelie' laat noemen. Neen, goddelozen, alleen goddelozen worden behouden. Geen vlees uit welke kerk of groep dan ook is rechtvaardig voor God. Ook niet zij die de werken van de wet hoog in hun vaandel hebben staan. Alleen goddelozen worden gerechtvaardigd. Zij ontvangen een toegerekende gerechtigheid. Als een gerechtvaardigde goddeloze zeggen zij het MacCheyne na: 'Nu weet ik een waarheid zo diep als gewis, dàt Christus alleen mijn gerechtigheid is'.
Uit wat ik in het bovenstaande pastoraalmeditatief heb weergegeven, zal duidelijk zijn, dat Kohlbrugge volstrekt de wet niet als afgeschaft heeft gezien. Niet vóór de eerste bekering (zoals I. Kievit en J. van Sliedregt daarover terecht spreken) maar ook niet daarna. Bij Kohlbrugge heeft het zelfs de schijn dat de wet in de dagelijkse bekering een groter rol speelt dan voorheen. Wat wel zeker is, is dit dat hij ons goed láát lezen dat wij maar niet moeten denken — en met name niet wanneer wij door het geloof Christus zijn ingelijfd — rechtvaardiger en heiliger voor God te worden door de werken der wet. Het is èn blijft genade, pure genade. Hoe lief men ook de wet krijgt en hoezeer zij in het leven gaat functioneren als regel der dankbaarheid, men blijft van genade leven. Steeds opnieuw zal er van genadebrood gegeten moeten worden. Alleen Christus is onze gerechtigheid. Hij als de Vervuller van de wet, geeft vreugde om de wet omdat daarin Vader Zijn wil heeft uitgedrukt. En Vaders wil is wet! Dat wil zeggen: geen dwangbuis waarin men zich niet kan bewegen. Ook geen speeltuin waarin men van een speeltuig kan gebruik maken naar eigen goeddunken. Gods wet geeft in het leven der dankbaarheid echte vreugde omdat zij ons zet in de vrijheid. Weliswaar een gebonden vrijheid, maar dan gebonden aan Vaders wil. En zoals een rechtgeaard kind er alles aan zal doen om het zijn — òf haar vader naar de zin maken, zo zal dat nog veel meer worden aangetroffen bij Gods kind, voor wie toch God Vader in Christus is geworden. De Vader van alle barmhartigheid, de Vader van alle vertroosting.
Het einde der wet
In het voorafgaande artikel heb ik geprobeerd aan te tonen, dat Christus de wet heeft vervuld, doch niet afgeschaft. Trouwens, dat geldt evenzeer voor wat ik in het bovenstaande heb geschreven. Ter afronding van dit gedeelte wil ik toch nog iets neerschrijven over Romeinen 10 : 4 waaruit opgemaakt kan worden, dat in die tekst toch duidelijk staat geschreven dat het met de wet voorgoed is afgelopen. Wij lezen in Romeinen 10:4: 'Wat het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft'. Wat wordt hier bedoeld met 'einde'? Sommigen zeggen: doel (einde). Anderen zeggen: einde. Zij houden het erop dat met Christus de wet ophoudt. Zij doen dat echter wel met een bepaalde restrictie, beperkende bepaling. Zij zeggen niet dat de wet is afgeschaft. De wet, die ophoudt, is de wet als middel tot verkrijging van de gerechtigheid. Ik denk dat hiertegen geen bezwaren zijn in te brengen. Zoals ik al eerder schreef: de werken der wet brengen ons geen gerechtigheid!
Met de komst van Christus houden de offeranden op en alle bepalingen van de ceremoniële wet. Ook houdt iedere gedachte op dat iemand door onderhouding van de geboden zalig zou kunnen worden. In het geloof in Christus, wanneer Zijn gerechtigheid ons wordt toegerekend, wordt het ook zo ervaren. Wat o.a. in Romeinen 3, 6 en 10 dienaangaande wordt beschreven, is dat geen zaak van leerstellige orde, doch wordt beleefd. Het is de bevinding van het hart.
Doeleinde van de wet
Echter, er is nog iets wat wij goed moeten overwegen. Ten aanzien van de woorden 'Want het einde der wet is Christus', kan men ook zeggen dat Christus is het doeleinde van de wet. Hij was immers in de wetten van Israël beloofd en werd daarin afgeschaduwd.
Calvijn merkt bij deze tekst het volgende op: 'want de voltooiing of vervulling der wet is Christus. Een ieder die door de werken der wet zoekt gerechtvaardigd te worden, is een verkeerde uitlegger van de wet, omdat de wet ons tot dit einde d.i. dit doel is gegeven, dat zij ons als aan de hand zou leiden tot een andere gerechtigheid. Ja, alles wat de wet leert, alles wat zij beveelt, alles wat zij belooft, dat heeft altijd Christus tot doel. Daarom moeten alle delen van de wet op Hem gericht worden. Dat kan evenwel niet het geval zijn, tenzij wij van alle gerechtigheid beroofd, ontsteld door de kennis der zonde, van Hem alleen gerechtigheid begeren die ons uit genade geschonken wordt'. Tot zover een citaat van Calvijn. Op grond hiervan mag gezegd worden, dat voor de gelovige de wet wegvalt als middel tot verkrijging van de zaligheid. Een kind des Heeren heeft niets meer met de vloek en de straf van de wet te maken. Door het verzoenend lijden en sterven van de Zaligmaker is hij/zij van de straf en de vloek ontheven. Terecht zegt een vers: 'Want geen wet kan mij verdoemen; Christus droeg de straf voor mij'. En de apostel Paulus horen wij zeggen, dat er geen verdoemenis is voor degenen die in Christus Jezus zijn; die niet wandelen naar het vlees, doch naar de Geest.
Straf en vloek van de wet gelden dus niet meer voor de gelovige, maar wel de wet als openbaring van Gods heilige wil.
Eenzelfde betekenis als Romeinen 10 : 4 heeft ook ongeveer Romeinen 6 ; 14 waar gesproken wordt over het feit dat wij niet meer leven onder de wet, doch onder de genade. Onder de wet zijn, betekent hier niet alleen onder haar bevelen zijn, maar meer nog: onder de veroordeling van de wet zijn. En als Paulus dan zegt, dat wij niet mer onder de wet leven, maar onder de genade dan wil hij daarmee zeggen dat de vloek en de straf van de wet ons niet meer treffen. Laat daarom niemand onzer denken, dat Paulus zich in de Romeinenbrief tegenspreekt. De wet blijft voor hem wet, openbaring van Gods heilige wil. Hij wijst er in zijn schrijven aan de Romeinen alleen op, dat de wet in het geloof een geheel andere funktie heeft en dat er geen sprake is dat de wet in haar verdoemende kracht de christ-gelovigen zal treffen.
Het totalitaire karakter van de wet
Ik blijf nog even stilstaan bij de thora als de uitgedrukte wil des Heeren in de tien geboden. In een volgend artikel hoop ik de thora ruimer te zien en vandaar uit lijnen te trekken. Nu nog een moment de tien woorden, aanwijzingen of geboden.
A.A. van Ruler zegt dat de wet een totalitair karakter heeft. De wet is niet alleen gericht op de dienst van en aan de Heere, maar het hele leven dient daardoor in beslag genomen te worden.
De wet kent geen neutrale zône. Zoals A. Kuyper stelt dat Christus het over alles in het leven voor het zeggen heeft en er niets aan Zijn heerschappij mag ontnomen worden, zo zegt A.A. van Ruler dit over de wet Gods.
Wanneer wij het woord 'totalitair' horen beginnen wij een beetje met onze wenkbrauwen te fronsen òf met onze ogen te knipperen. Wij zijn niet zo geporteerd voor het woord 'totalitair'. Meestal gaan onze gedachten dan uit naar een totalitaire staat. En wanneer wij aan een totalitaire staat denken, denken wij al heel snel aan een dictatuur die doorgaans een totalitaire staat doet ontstaan en in stand houdt. In Latijns Amerika zijn van dit soort staten voorbeelden te over. Duidelijk zal ons intussen wel zijn, dat een totalitaire staat met daarin een dictatuur nooit ware vrijheid geeft of brengt. De dictatuur ligt als een zweep over zo'n staat. Een zweep die meermalen wordt gehanteerd.
Zo is het echter niet met het totale krakter van de wet. Waar zij gehanteerd wordt, waar zij gehandhaafd wordt en in overeenstemming met haar wordt geleefd, daar schenkt zij vrijheid en vrede.
En let wel: dit totalitaire karakter van de wet in de samenleving, in de kerk, in het gezin en voor een ieder van ons persoonlijk, geldt voor de gehele wet. Zowel voor de eerste tafel van de wet als voor de tweede. Deze laatste zin wil ik graag onderstrepen. Want ik ontmoet christenen die zich zeer beijveren voor het ongeboren kind en die als het ware van de daken schreeuwen dat zij tégen abortus-provocatus zijn. Ik zeg hiervan niets verkeerd. Alleen is het wel jammer dat sommigen van die christenen die zich zo beijveren voor de tweede tafel van de wet met de eerste tafel de hand lichten. Ik denk dan nu in 't bijzonder aan Gods dag. Het schijnt wel dat aan dat gebod niet zo zwaar getild behoeft te worden, maar wel aan het zesde gebod (het gebod dat handelt over het leven). Laten wij niet vergeten, dat de eerste tafel van Gods wet een even totalitair karakter heeft als de tweede tafel. Ik meen zelfs te mogen neerschrijven, dat de naaste zoveel meer in ons gezichtsveld gaat komen, wanneer die eerste tafel van de wet wordt onderhouden. Doch een volgend keer daarover nog wat meer!
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's