De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Pastorale notities rondom de openbare belijdenis van het geloof (1)

Bekijk het origineel

Pastorale notities rondom de openbare belijdenis van het geloof (1)

ter gelegenheid van de catechese-dag HGJB 1990

9 minuten leestijd

Op de in september jl. gehouden catechesedagen van de HGJB stond de openbare geloofsbelijdenis centraal. Er werden op deze dagen twee inleidingen gehouden door dr. W. Verboom en drs. J. Westland. We publiceren in twee achtereenvolgende nummers het referaat van drs. Westland. Het referaat van dr. W. Verboom, dat een sterk historische strekking had, wordt geplaatst in Theologia Reformata. Red.

De jongelui zelf
Gevraagd door de commissie, die de catechesedagen organiseert, ben ik maar eens begonnen met de map erbij te nemen, waarin ik alle spullen rond de openbare belijdenis van het geloof bewaar. Het ging me vooral om de lijsten met namen. Ik wilde proberen ze me weer voor de geest te roepen, die jongeren en ouderen, die ik begeleiden mocht naar de dag van hun Openbare Belijdenis. Ik moet zeggen, bij sommige namen kon ik me weinig of niets meer voorstellen. Andere begonnen weer te leven. Gezichten doken weer op. Bepaalde uitspraken op belijdeniscatechisatie, in de stilte van de studeerkamer, of zomaar op bezoek bij hen thuis op hun kamer klonken opnieuw in mijn oren.
Wat waren ze in feite toch allemaal verschillend. Zeker, een ding hadden ze gemeen. Ze zijn korter of langer op catechisatie geweest, hebben de voorbereiding voor de belijdenis meegemaakt en belijdenis gedaan. (De namen van de afhakers, die er ook waren zijn niet op de eindlijst terechtgekomen.) Maar naast dat gemeenschappelijke was er enorm veel verschil.
Er waren jongelui, maar ook ouderen uit heel eenvoudige milieus. Met dat 'eenvoudig' bedoel ik geen waardeoordeel, alleen maar een beetje een plaatsbepaling. Gewend om diep over de dingen na te denken, waren ze niet. Maar werken konden ze des te beter. Als loonwerker bij de boeren, bij het graafwerk langs de wegen, of aan de band in de fabriek. Gezelligheid en vertier vonden ze bij elkaar op klub en anders op de een of andere ontmoetingsplaats in een naburig dorp. Hun milieu drukte duidelijk een stempel op hen. Belijdenis doen leek voor hen niet direkt een probleem. Het lag een beetje in de sfeer van 'van school komen, gaan werken, verkering krijgen en trouwen'. Het hoorde er voor hen allemaal bij, en ze waren er vaak enorm trouw in. Over de ingewikkelde of kritische vragen van anderen moeten ze wel bij zichzelf de schouders hebben opgehaald. Trouwhartig bleven ze bij het gesprek erover naar de anderen kijken, maar wat er in hen omging, liet zich alleen maar raden.'
Ik heb de indruk, dat zij toch nog steeds een behoorlijk deel van onze belijdeniscatechisanten uitmaken. Dat woordje 'nog' gebruik ik hier omdat ik me bewust ben van de enorme verandering van onze samenleving, die de laatste twintig jaar in een versneld tempo is voortgegaan. Kerkgang, catechese en belijdenis-doen worden ook in deze levenssfeer minder vanzelfsprekend.
Uit deze kring herinner ik mij ook een jongen, die in het zwarte pak naar de belijdeniscatechisatie kwam. Het gezin, waaruit hij kwam, kenmerkte zich door strenge m.i. toch wel uiterlijke orthodoxie. Al spoedig kwam er de kritiek. Op het boekje, dat we gebruikten, op de uitleg, die gegeven werd, op het gedrag en de kleding van de andere belijdenisscatechisanten enz. enz. Hij was tenslotte een van de afhakers. Ik denk, dat zijn geval ook niet helemaal incidenteel te noemen is. Ook hier wil ik alleen maar signaleren en geen waardeoordeel uitspreken.


Anderen herinner ik mij van hun levendige bijdrage in de groep. Van school of studie gewend om hun gedachten onder woorden te brengen, waren zij het die het gesprek op gang hielpen en gaande hielden. Je kende ze, behalve van catechisatie, vaak ook van het jeugdwerk. Op hen dreef dat nog wel eens. Bij hen is me altijd weer opgevallen, dat ze vaak afkomstig zijn uit gezinnen, waarop menselijk gezien de gemeente drijft. Er zijn van die families, waar de vreze des Heeren als een gouden draad door de geslachten, heenloopt. Als ik me niet vergis, neemt onder hen de evangelische invloed toe. In het begin van mijn ambtelijke loopbaan was er de invloed van de B.E.Z. Toch waren het maar enkelingen, die echt naar België gingen en zich over lieten dopen. Via de E.O., gospelgroepen, het koffiebarwerk en dergelijke kanalen is er nu sprake van veel meer kontakten en invloeden.
Zij behoorden bepaald niet tot een andere categorie, die ik de aarzelaars zou willen noemen. Die waren er toch altijd weer. Haast wel in elke jaargang belijdeniscatechisanten. Als het gesprek er op kwam in de groep en ze durfden er voor uit te komen, of als ze na lang aarzelen soms eens naderhand persoonlijk kontakt zochten, was er die serizeuze, haast wat zorgelijke blik in hun ogen en hun vraag: Kun je dat nu zomaar doen? Ze zaten ermee, of ze wel echt genoeg geloofden, maar ook of ze helemaal wel geloofden. Een ander had weer problemen met bepaalde konkrete dingen in zijn of haar leven, die toch niet bij belijdenis doen pasten.


Ik moet ook de alternatieven, zo noem ik ze maar, niet vergeten. Jongeren, die er duidelijk bij betrokken waren, maar, o zo kritisch. Vooral naar de kant van de gewone kerkelijke gemeente. Ze vonden eigenlijk, dat alles anders moest. Soms dacht ik wel eens bij mezelf, waarom blijf je toch? Heb je soms die traditionele gemeente nodig voor je kritiek?
En dan had je nog de mensen, die er helemaal uitsprongen. Ze kwamen met hun man of vrouw mee, het meisje of de jongen met wie ze verkering hadden en wilden gaan trouwen. Ze stamden uit een heel andere, of helemaal geen kerkelijke traditie.
Als ik dat alles nog eens op me in laat werken, denk ik, wat was en is het eigenlijk een opgave om zoveel verschillende mensen te begeleiden op de weg van het geloof. Maar ik denk wel, dat het enorm belangrijk is om juist die verschillen in het oog te houden. We kunnen ze niet aan elkaar afmeten. We kunnen zeker niet een van de genoemde groepen soms haast onbewust tot norm verheffen, en de andere daarnaar beoordelen. Ik heb eens een paar studentes in een groep gehad samen met een stel echte boerenjongens. Die laatsten waren enorm trouw, maar zeiden nooit zoveel. Die damesstudenten sloegen wel eens over, maar als ze er waren, zaten we meteen midden in het gesprek. Ik probeerde dat ook altijd wel wat uit te lokken. Toen het na de een of ander uitdagende vraag stil bleef, slingerde een van de dames naar de overkant (ik citeer letterlijk): 'Zeggen jullie nu ook eens wat. Je zit daar maar met je stomme koppen te kijken'. Ineens besefte ik het onbarmhartige en eigenlijk ook oneerlijke, van waar ikzelf ook aan had meegedaan. Iedereen kan toch niet alles even goed onder woorden brengen. En dat hoeft toch ook niet. Ik denk, dat hier pastoraal gezien ook een grens ligt voor dat bewuste, dat persoonlijke. Wij mikken daar nog wel eens sterk op. Het gaat bij de belijdenis om een persoonlijk geloof. En ik zal de laatste zijn om dat te ontkennen. Maar een persoonlijk geloof mag dan bijbels gezien zeker ook het geloof zijn van die persoon, met zijn of haar gaven en talenten. We moeten dan oppassen om originaliteit of altemativiteit te gaan hanteren als graadmeters voor echtheid, maar evenmin omgekeerd als indicators van beginnend ongeloof. Pastoraat is meer dan de prediking nog persoonlijk gericht. We mogen ieder van onze jongeren en ouderen waarderen en aanvaarden als een eigen mens voor God, prettige en minder prettige karaktertrekken, gaven om de dingen onder woorden te brengen of het ontbreken daarvan, erbij inbegrepen.

De herder
Daarmee kom ik op een punt, dat voor het pastoraat rond de belijdenis van het grootste belang is, trouwens voor elk pastoraat. Onze houding. Als je nadenkt over het pastoraat, het herderschap dus, kom je natuurlijk allereerst bij de schapen uit. Wie zijn zij? Wat zijn hun vragen? Wat is hun strijd? Wat zijn hun dwaasheden? Hoe kunnen zij het best geholpen worden? Maar niet minder van belang is de vraag, wie is de herder.
Het valt me altijd weer op, hoe bij het ophalen van ervaringen op belijdeniscatechisatie de persoon van de catecheet een geweldige rol speelt. Het boekje en de methode konden nog zo ouderwets zijn, als er van de dominee iets uitging, is dat opgepikt en achtergebleven. Op geen enkele manier wil ik hiermee het belang van het zoeken naar goede methodes ontkennen. En nog minder een vrijbrief geven voor gemakzucht. Maar ik wil wel met nadruk stellen, dat de methode niet zaligmakend is. Alsof alles wel oké zou zijn, als ik de goede methode maar te pakken heb. Als ik die twee onder elkaar zou moeten zetten, komt bij mij de persoon toch bovenaan.
Onze houding mag getypeerd zijn door een stuk liefde. Liefde, die open is, aanvaardend en vol respekt. Zo kan er immers een sfeer van vertrouwen en veiligheid ontstaan, waarin jonge mensen het gevoel hebben met hun vragen terecht te kunnen.
En wat me niet minder belangrijk lijkt vandaag aan de dag is een stuk rust en overtuiging. Het geloof in de Heere Jezus Christus mag voor ons toch een stukje ervaren waarheid zijn. Dan is het niet nodig om zenuwachtig of krampachtig te reageren, wanneer een jongen of meisje de hevigste twijfels ventileert. We hoeven dat niet weg te duwen, of met een machtsspreuk af te doen. Temeer niet, omdat we het zelf ook niet in onze zak hebben. En best weten wat twijfel en aanvechting is. Maar we moeten ons ook niet laten verleiden om mee te gaan huilen met de wolven in het bos van de moderne secularisatie. Er is ook nog zoiets, als de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben. En reken er op, dat jongeren en ouderen zich aan ons op willen trekken. Er mag toch op z'n minst wel iets van de rust van het geloof van ons afstralen. Wat is het dan ook pastoraal gezien nodig om acht te geven op de kanalen van ons eigen geestelijk leven, dat die niet verstopt raken. Spiritualiteit is een modewoord. Er zijn slechtere modewoorden geweest. We bezitten in onze gereformeerd-bevindelijke traditie wat dat betreft een grote rijkdom.
Als derde woord zou ik bij onze houding willen noemen de vroomheid. Zeker ook in die heel klassieke betekenis van dapperheid. Er mag een stuk dapperheid in onze houding zijn.
Dapperheid in de strijd van het moderne leven. Dapperheid, flinkheid ook in de omgang met jonge mensen, die belijdenis gaan doen. Dat betekent, dat we ook eerlijk omgaan met dingen, die niet kloppen in hun leven. Maar vroomheid heeft niet in het minst een gevoelsmatig accent. Het evangelie van Christus heeft ons iets gedaan, het heeft ons aangeraakt. Als zondige mensenkinderen leven wij van zijn ge­nade. En vooral denk ik aan de diepe haast bevindelijke betekenis, die er in de vorige eeuw aan gegeven is nl. vroomheid des levens. Het pastoraat rond de Openbare belijdenis des geloofs mag gedragen worden, die zowel wat de binnenkant van ons leven als wat de buitenkant betreft, leven uit hun belijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Pastorale notities rondom de openbare belijdenis van het geloof (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's