Pastorale notities rondom de openbare belijdenis van het geloof (2)
(ter gelegenheid van de catechese-dag HGJB 1990)
Zijn werk
Het werk van een herder heeft verschillende aspekten:
Verzamelen
Het begint met het bij elkaar brengen van de kudde. Het simpelst en het gangbaarst is het berichtje in de kerkbode, vaak ruimschoots van tevoren met het vriendelijk aanbod van gesprek als er moeilijkheden zijn. In veel gemeenten wordt dat ondersteund door de catechisatie-brief, die met behulp van de elektronische kaartenbak een zeer wijd verspreidingsgebied kan hebben. Ongetwijfeld een goede zaak. Maar we weten ook wel, dat er heel veel drukwerk in de brievenbus komt, waarvan het meeste gemakkelijk ter zijde wordt gelegd. Hoe belangrijk is dan ook een persoonlijke benadering. Moet de herder dan alle potentiële schaapjes opzoeken? Dat kan een mooi ideaal zijn, maar is niet haalbaar. Het is dan ook geweldig fijn als de broeders-ouderlingen dit als een van hun aandachtspunten meenemen voor huisbezoek. Bij de bezinnende en vormende gesprekken op de kerkeraad in deze mag deze zaak niet ontbreken. Een belangrijk deel van de werving voor de belijdeniscatechisatie vormt ook het dooppastoraat. Juist rond de grote gebeurtenis van de geboorte van een kindje blijken jong volwassenen open voor de dingen van het geloof in God en in de Heere Jezus Christus. Zelf ben ik gewend om er op de oudere catechisatiegroepen de nodige aandacht aan te besteden. En ook lijkt het mij een goede zaak als prediking de lijst van doopleden van 20+ eens van tijd tot tijd door te lopen. Je komt dan vast namen tegen, waarbij je even stilstaat en denkt: Hé, heeft die geen belijdenis gedaan? Het kan goed zijn om ze dat eens persoonlijk te vragen. Zelf heb ik hier altijd wat geaarzeld. De mensen moeten geen belijdenis gaan doen omdat een dominee ze het zo dringend of vriendelijk heeft gevraagd, en ze hem een aardige man vinden, die ze niet graag teleurstellen. Ook ligt hier het gevaar op de loer van onzuivere konkurrentie met kollega's. Wij moeten toch zeker het hoogst scoren in het aantal belijdenis-catechisanten. Het schoonst is het toch maar als, om de bekende uitdrukking van Kohlbrugge te gebruiken het Woord het doet, en het verlangen om Christus te belijden en te volgen stil weg groeit onder de prediking van het Evangelie. Een eigentijdse bijbels-bevindelijke prediking is nog altijd de beste manier van werven voor Koning Jezus. Blijft staan, dat toch sommige jongelui en ouderen wel eens een duwtje in de rug kunnen gebruiken. Daarbij onderscheidenlijk te werk gaan spreekt voor zichzelf. We gaan toch geen mensen vragen, die weinig kerkelijk meeleven vertonen?
Begeleiden
Is de kudde eenmaal weer verzameld, dan mag ze begeleid worden naar de dag van de Openbare Belijdenis van het geloof. Voor sommigen zal dat al aan het eind van dezelfde winter zijn, anderen doen er een jaar langer over. Mijn ervaring is, dat dat laatste eerder toe- dan afneemt. Het lijkt me dan ook goed de vragen rond de openbare belijdenis in het begin niet al te opzettelijk aan de orde te stellen. Er moet, er mag ook iets van groei zijn, van rijping. De bewuste vragen komen vaak heel spontaan aan de orde. Is dat niet het geval, dan is het zaak tijd en wijze daarvan fijnzinnig aan te voelen. Daarbij ga ik er vanuit, dat de pastorale begeleiding van de belijdeniscatechisanten voornamelijk een taak is van de catecheet. Daar moet wel het nodige worden bijgezegd. Als het goed is, is de catechisatie, maar zeker de belijdeniscatechisatie geen privézaakje van een dominee. Jonge lidmaten worden toch in het midden van de gemeente ontvangen. Eigenlijk verkeerd, als hun namen pas aan het eind van tie rit in de kerkbode komen. Zijn er geen vormen te bedenken, waarin de gemeente er van meet af aan bij betrokken is? Dat geldt zeker voor de kerkeraad. Ik heb het als erg positief ervaren, als al of niet aangekondigd een van de broeders de belijdenisgroep een avond meemaakte. En ik hecht ook sterk aan het pastorale bezoek van de kerkeraad aan de belijdeniscatechisanten. Ook dat zou wel eens wat minder allemaal op het laatst moeten aankomen.
Die pastorale begeleiding zouden we kunnen scharen onder wat in Ezechiël 34 het verbinden van de kudde wordt genoemd. In het vorige paragraafje zijn we dan zo ongeveer bezig geweest met het zoeken van het verlorene. Verbinden heeft met wonden te maken. En hebben de vragen en aanvechtingen, waarmee jongeren en ouderen te worstelen hebben in de gemeente niet inderdaad veel weg van verwondingen, die ze oplopen in de strijd van het geloof. Soms zijn het kleine schrammen, soms ook diepe gapende wonden, die het leven van het geloof bedreigen. Ik moet er ook eerlijk bij zeggen, dat soms die wonden gecultiveerd worden. Zoals die man, die letterlijk zijn wonden stiekem openhield, omdat hij zo genoot van de aandacht, die hij als zieke kreeg.
Een paar vragen signaleer ik.
1. Ik denk dat we haast allemaal wel eens geconfronteerd worden met een jongen of meisje, dat ons aanschoot na de catechisatie omdat hij of zij eens wilde praten. Het hoge woord kwam eruit. 'Ik zit nu wel op belijdeniscatechisatie, maar kan ik wel belijdenis doen? Geloof ik wel echt?' Die vraag kan naar allerlei kanten uitschieten. Ik ben toch eigenlijk nog onbekeerd. Ik heb toch nog niets ondervonden. Of, ik maak er zo weinig van in mijn dagelijks leven. En, als je belijdenis doet, moet het toch aan je te zien zijn? Ik zie er tegen op om altijd maar te moeten strijden. Ik faal toch telkens weer. Met name dit laatste zal in onze snel seculariserende wereld een toenemende klacht zijn. Jongeren ervaren een enorme divergentie tussen wat ze thuis en in de kerk meekrijgen en wat ze op hun werk of bij hun studie ervaren. Het is vaak genoeg gezegd, dat God uit het openbare leven is weggedrongen. Geloven doe je in de kerk, hier moet je het zeker weten en verder no nonsense, herkennen wij allemaal wel als een uitspraak, die het maatschappelijk leven typeert. Wat is het moeilijk om in zo'n levenssfeer belijdend christen te zijn. En juist het feit dat het als moeilijk en zwaar ervaren wordt, klaagt dan weer aan. Je moest het toch graag voor Christus over hebben. Je moest er toch blijdschap in vinden. Ik schaam me zo vaak om voor mijn geloof uit te komen. Men vergelijkt zich daarbij nog wel eens met anderen uit de groep, of uit eigen familie. Als ik nu eens was zoals die en die, dan zou ik wel gemakkelijker belijdenis kunnen doen.
Voor het omgaan met zulke vragen zijn er geen pasklare recepten, of om in het beeld te blijven snelpleisters, die op elke wond hechten. Aandacht voor individualiteit en houding zoals boven geschetst blijven onmisbare voorwaarden. Aan de orde kunnen komen, momenten als dat uit de Bijbel duidelijk blijkt, dat het leven met Christus niet altijd van een leien dakje gaat. Dat de Openbare Belijdenis geen eindpunt is. Dat geloof zijn graden kent. Een dikke kabel, en een dun rafelig draadje maken allebei kontakt met de stroombron. Maar laten we wel oppassen in de sfeer te komen van met hoe weinig je wel toekunt om belijdenis te doen. Christus is een groot Koning. Hij is een groot geloof waard. Daartoe mogen we groeien, maar Hij is ook de Knecht des Heeren, Die het gekrookte riet niet verbreekt en de rokende vlaswiek niet uitblust. Als ons de kracht en de moed ontbreken, wil Hij die geven. Daartoe zijn er beloften te over in het Woord van onze God.
2. De aanvechting kan nog verder gaan. Niet alleen maar of er een echt geloof is, maar of er helemaal wel iets van geloof is. Ik zit nu wel op belijdeniscatechisatie, maar dominee soms denk ik wel eens, is er wel een God. Ik heb zo vaak gebeden, of Hij mij bevrijden wil van een bepaalde zonde, maar ik val er telkens weer in terug. Bestaat Hij dan wel echt? Er is over deze vraag die te maken heeft met het moderne levensbesef de laatste tijd onder ons nogal wat geschreven. Ik wil er hier niet uitvoerig op ingaan. Wel signaleren, dat ook onder belijdeniscatechisanten, ze niet onmogelijk is. Aan de ene kant willen jongelui echt Christus volgen en zien ze de waarde en de waarheid ervan in, maar aan de andere kant wordt dat vanuit het moderne levensbesef enorm aangevochten. Met hun vragen zoeken ze bij de catecheet of in de groep een stuk steun en bemoediging. Ik heb eigenlijk al iets gezegd over de wijze, waarop we daarin met elkaar mogen omgaan. Vooral niet paniekerig, of uit de hoogte, maar in een begrijpend en aanvaardend heenwijzen naar de kracht en de werkelijkheid van de liefde van God in Christus.
3. Jongelui, maar ook ouderen hebben nog wel eens moeilijkheden naar de meer objektieve kant. Bijvoorbeeld de kerk. 'Waarom moet ik per se lid worden van een kerk? Ik kan toch voor mezelf ook wel geloven? Wat heb ik met de kerk te maken? En als ik kontakt zoek in mijn geloof, dan ga ik naar de bijbelkring, waar ik me heel erg thuisvoel'. We herkennen hier de anti-institutaire subjektieve tendens in onze moderne samenleving. Andere symptomen daarvan zijn bijv. het leeglopen van de vakbonden en allerlei andere verenigingen, het ingeburgerd raken van het samen-wonen. We hebben hier dus de tijdgeest behoorlijk tegen, maar mogen pastoraal gezien iets laten oplichten van de geweldige waarde van een gemeenschap, die er al was voordat ik met mijn 'ik-je' die kiezen kon. Een gemeenschap, die mij korrigerend, dragend en bemoedigend in zich op wil nemen. Een gemeenschap, die mij met mijn 'ik vind-erigheid', een beetje betrekkelijk stelt, en mij zet om met het bijbelwoord te spreken in een wolk van getuigen, die rondom mij zijn.
Ik heb ook nog al eens gesprekken moeten voeren met jongelui, die het wat onze konkrete Hervormde kerk betreft niet zagen zitten. Een meisje haakte af en nam de wijk naar de Ger. Kerk art. 31, omdat naar haar zeggen, daar veel meer vastigheid werd geboden. In de Hervormde Kerk moest je het eigenlijk allemaal zelf maar uitzoeken. Je wist niet waar je je aan te houden had. Het valt op, hoe jongelui ook weer behoefte hebben aan een stuk duidelijkheid. Bij het gesprek over de kerk en over de richtingen of zo u wilt modaliteiten in de kerk zijn er, die maar het liefst horen, dat bijv. de Geref. Bond de waarheid in pacht heeft. En het is min of meer een teleurstelling voor hen, als je daar toch wat voorzichtiger in bent. Zelf probeer ik altijd iets over te dragen van verantwoordelijkheid voor de kerk, waarin je geboren bent en God je riep, zonder dat dat betekent, dat je zou afsluiten voor andere positief-bijbelse christenen. We hoeven van de geweldige waarde van onze Hervormd-gereformeerde traditie niet af te doen om toch oog te heben voor wat de Heere aan anderen schonk.
Een ander aspekt van de kerkelijke kant is de vorm van geloofsbelijdenis. Ik heb een jongen meegemaakt, die er op stond om behalve het ja-woord bij de Openbare belijdenis van het geloof een kort persoonlijk getuigenis te geven. Mijn eerste reaktie bij mezelf was: Moet dat nou? Doe maar gewoon, alsjeblieft. En wat moet dat betekenen voor de anderen? Worden die daardoor niet gediskwalificeerd? We hebben dat eerlijk met elkaar kunnen bespreken, en het bleek bij hem toch dieper te steken, dan ik aanvankelijk dacht. In goed overleg met de kerkeraad is er toen een vorm bedacht, waarin beiden zich konden vinden. Het laatste punt dat ik onder dit hoofdje wil releveren is dat van het Heilig Avondmaal. De vragen rond de zekerheid en de echtheid van het geloof spitsen zich vaak op dit punt toe. Nooit kunnen we deze vragen oplossen door een scheiding aan te brengen tussen Geloofsbelijdenis en het Heilig Avondmaal. Terecht typeerde ooit een predikant, ik las het verhaal in een artikeltje van ds. Blok, belijdenis doen zonder aan het Heilig Avondmaal te gaan als belletje trekken. Vragen om toegelaten te worden en dan hard weglopen. Ds. Blok ziet toch ook de genezing niet in een mechanische koppeling van Avondmaalsgang en Belijdenis. Bij ons in Kampen is het altijd op Palmzondag Heilig Avondmaal, juist met het oog op de jonge lidmaten. Ik begrijp dat wel en sta daar ook wel achter, maar aan de andere kant: we moeten de dingen ook de tijd gunnen om te rijpen. In het pastoraat mag toch aan dat rijpen en groeien ruimte gegeven worden. Als dat dan maar geen fraaie naam wordt voor valse rust.
Terechtbrengen
Dat hoort ook bij de pastorale begeleiding. Het is het kritisch element. In Ezechiël 34 ontbreekt dat ook niet. Het vette en het sterke wordt verdelgd, de goede herder zal weiden met oordeel. Maar zonder eerlijke kritiek en vermaning kan ons pastoraat rond de Openbare Geloofsbelijdenis niet. Ik heb al gezegd, hoe belangrijk het is, dat we niet op ons eentje 'herderen'. Dat geldt zeker hier. De formele oproep aan het eind van de belijdeniscatechisatie om bezwaren in te, dienen funktioneert dacht ik nauwelijks. We hebben hier te maken met wat we wel 'tucht' noemen. Ik heb al genoemd de slordige kerkgang, maar wil speciaal nog even de aandacht vestigen op het probleem van het samenwonen. Zelf ben ik daar tot nu toe hoofdzakelijk mee gekonfronteerd bij aanvragen voor huwelijksdiensten, slechts een enkele keer met betrekking tot belijdeniscatechisatie. We hebben in Kampen lange tijd nagedacht en gepraat over de kwestie van het samenwonen. Het is wel unaniem als onbijbels aangewezen, maar de pastorale praktijk blijft per wijkgemeente verschillend. Onze wijkgemeente wil zeker openstaan voor gesprek, en van harte begrip tonen voor allerlei omstandigheden, maar vasthouden aan een bijbelse levenspraktijk. Dat zal in de praktijk neerkomen op een uiteindelijk afwijzen, wanneer niet met deze levenswijze gebroken wordt. We zijn ons bewust, dat ook op dit terrein geen sprake kan zijn van een formeel uitvoeren van regeltjes, die je van tevoren opstelt. Uitzonderingen zullen ook hier de regel bevestigen. Maar het blijven dan wel uitzonderingen, die pijnlijk de gebrokenheid van dit leven demonstreren. Om regels aan zulke uitzonderingen aan te passen, lijkt ons niet een goede bijbelse weg. Laat in deze dingen boven alles mogen gelden, dat de liefde van Christus ons dringt. Deze liefde is niet blind. Ze bedekt wel alle dingen, maar dekt niet alle dingen toe. De Heere Jezus zei toch tegen de overspelige vrouw: Ga heen, zondig niet weer. We mogen afsluiten met elkaar te bemoedigen. Herder zijn is wel een moeilijke taak, maar zeker niet een onmogelijke, en ook nog een schone. Ik herinner maar aan het Bijbelwoord, dat nogal eens geciteerd wordt in de belijdenisdienst, dat de God des vredes de grote Herder der schapen uit de doden heeft wedergebracht. Door Hem wil Hij in ons werken alles wat voor Hem weibehaaglijk is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's