Boekbespreking
Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk, 'De gaarde een woestijn?'; Boekencentrum BV, 1990, 112 blz., prijs ƒ 14,90
Op 24 november 1989 is door de Generale Synode het door de Raad voor de zaken van Overheid en Samenleving (ROS) samengestelde boekje 'De gaarde een woestijn?' besproken. De tijdens deze zitting gemaakte opmerkingen zijn verwerkt, waarna de uiteindelijke versie op 17 maart 1990 door het Breed Moderamen is vastgesteld. Het geschrift is op de Synodevergadering hoofdlijnen unaniem aanvaard. Deze publicatie is nu aan kerkeraden verstuurd met het verzoek om op de in het 'Ten geleide' gestelde vragen voor 1 juni 1991 te reageren. De vragen hebben betrekking op onderdelen uit de verschillende hoofdstukjes. Het boekje beoogt de relatie tussen kerk en milieu in kaart te brengen. Reacties worden op prijs gesteld en op basis van het verkregen materiaal wordt na ongeveer 2 jaar een vervolgpublicatie samengesteld.
Moet de kerk zich wel met deze zaken bezighouden? Is dat niet veel meer een taak van de politiek? In hoofdstuk 5 wordt hierover onder andere het volgende gezegd: 'De Nederlandse Hervormde Kerk erkent de eigen ordenende en sturende taak van de overheid. Zij ziet de overheid als een instrument in Gods heerschappij: daaraan dienstbaar, en daardoor begrensd; Tegelijk acht de kerk het haar eigen opdracht om, juist in het openbaar, te getuigen van Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten (Art. VIII, Kerkorde). God is bewogen met hetgeen Hij heeft gemaakt. Dat willen we als kerk laten klinken en dat maakt een spreken noodzakelijk. Daarmee kunnen we het van harte eens zijn, mits zulk maatschappelijk spreken niet in de plaats komt van profetisch en pastoraal spreken. De Boodschap van de kerk is en blijft immers het heenwijzen naar het zoen- en kruisoffer van de Heere Jezus Christus voor zondaren op Golgotha volbracht.
Sprekend vanuit persoonlijke ervaring komt de geloofsdimensie weinig binnen de gespreksgroepen aan bod. Dat versmalt de basis en doet geen recht aan het functioneren van de gemeente.
In het boekje wordt in vogelvlucht een overzicht gegeven van de huidige stand van zaken op milieugebied. Ook de wereldomvattende reikwijdte van de problematiek krijgt aandacht. Of het bezig zijn met deze vragen binnen de wereldwijde kaders ook bijdraagt aan de versterking van het eigen persoonlijke geloofsleven, zoals op blz. 17 wordt gesteld, lijkt me al te positief gedacht. De bijbelse motivaties in hoofdstuk 3 zullen redelijk veel stof tot discussie geven. Hoe verhouden schepping en verlossing zich tot elkaar? Dat is bijvoorbeeld een vraag. Verlossing betekent in het geloofsleven herschepping. En komt de herschepping dan overeen met een herstel van de oorspronkelijke scheppingstoestand? Ontsierend is het dat de paradijssituatie wordt aangeduidt met 'oertijd'. Een term zo bol van primitiviteit doet afbreuk aan de heerlijke situatie die er op aarde was kort na de schepping. Het paradijs was meer dan een gaarde. Een gaarde werd het na de zondeval.
In de hoofdstukken 4 en 5 wordt vervolgens ingegaan op vragen als: hoe verhoudt de kerk zich tot de milieubeweging en hoe is die verhouding tot de overheid? Daarbij worden suggesties aangereikt, die een verdere doordenking binnen een gesprekskring voldoende praatstof geven.
Tenslotte nog enkele kanttekeningen.
Op pagina 62 wordt gesteld dat erosie (afslijting) van de bodem ontstaat door de verbouw van monoculturen (voornamelijk mais waardoor de bodemstructuur ernstig wordt aangetast). De bodemstructuur wordt echter niet aangetast door het verbouwen van mais, maar door de grote hoeveelheden drijfmest die over dergelijke percelen worden verspreid. De zware machines en het berijden onder te natte omstandigheden veroorzaakt wel schade aan de bodemstructuur, maar zet geen erosie in gang. Een tweede opmerking geldt de militaire terreinen. Het totale ruimtebeslag aan militaire terreinen bedraagt in Nederland 42.000 hectare. Op deze terreinen zijn allerlei milieueffecten waarneembaar. De milieu-effecten zijn kleinschalig en staan in geen verhouding tot de milieubelasting die bijvoorbeeld landbouwkundig gebruik zou veroorzaken. Juist doordat het militaire oefenterrein is, komen er geen kunstmest en geen bestrijdingsmiddelen op de grond en in het grondwater terecht. De militaire oefenterreinen in Nederland zijn daarom zo langzamerhand allemaal stukjes pure natuur. Daar mogen we met elkaar wel erg zuinig op zijn. Met andere woorden: het buiten produktie houden van deze gebieden maakt dat bodem en grondwater daar ter plaatse nauwelijks verontreinigd is, waardoor ze waardevol worden als intrekgebied voor grondwaterwinning.
In het boekje wordt voldoende stof tot discussie aangedragen. Wanneer het niet bij een gesprek over het milieu alleen blijft, kan dit het geloofsleven werkelijk verdiepen. Laat het gesprek over het milieu echter niet een uitvlucht zijn om de diepere geloofsvragen te ontlopen.
C. van der Louw, Assen
Emmanuel Levinas, God en de filosofie: Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door dr. Th. de Boer. Uitg. Meinema, 's-Gravenhage, 61 blz., serie Sleutelteksten in Godsdienst en Filosofie, deel 5, ƒ 16,90.
Prof. dr. Th. de Boer is bezig ons zeer aan zich te verplichten. Na zijn studies over Levinas en Pascal verschijnt nu een geannoteerde bronuitgave, tevens vertaling, van een door Levinas in 1975 gepubliceerd artikel, en voor een beter verstaan van het totale werk van Levinas verwijs ik graag terug naar zijn boekje over Levinas uit 1988 Tussen filosofie en profetie. De inleiding bij het hierboven genoemde boekje sluit hier uitstekend bij aan.
Levinas heeft van het existentialisme geleerd de oorlog te verklaren aan het pogen van alle westerse filosofie om tot overeenstemming van denken en zijn te geraken. Het menselijk zijn is niet iets dat gedàcht wordt, en de taak van het denken kan nooit zijn om zich de werkelijkheid en daarmee de ander toe te eigenen door deze in zijn gedachten-greep te nemen, maar het menselijk zijn is iets dat van buiten af wordt wakker gemaakt en zo in het licht treedt.
Over dit van-buiten-af kan men niet spreken tenzij men aanvaardt dat aan gene zijde van ons bewustzijn de transcendentie staat van Hem die wij de Oneindige noemen. Wie deze transcendentie niet aanvaardt, blijft steken in de Westerse filosofie, zoals ook Heidegger, Levinas' leermeester, ten diepste deed door zijn weigering om te erkennen dat er meer was dan de cultuurhistorie alleen. De mens is bij Levinas niet alleen het middel en het doorgangspunt voor het wereldgebeuren, maar hij komt ook zijn eigen bewustzijn te bóven dank zij deze transcendentie, en is zo óók doorgangspoort voor het waarheidsgebeuren.
Zo verzet Levinas zich tegen de verborgen metafysica bij het existentialisme: de ander wordt daar tòch weer materiaal voor onze eigen zelfverwerkelijking. En ik denk dan zelf, dat hier bij Levinas dan toch weer een moment opduikt van een andere metafysica, hoezeer hij alle metafysica ook bestrijdt. Maar is zijn voornaam niet Emmanuel, en was naast Heidegger en Husserl ook Plato zijn leermeester? Deze dingen stelde de schrijver echter al in zijn eerdere studie aan de orde. In zijn annotaties bij deze bron-uitgave moest hij zich beperken. Daarin toont zich de meester.
S. Meyers, Zeist
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's