Vreugde der wet (5)
Teneinde deze reeks artikelen niet te lang te maken, kan ik slechts een aantal zaken noemen, die de vreugde der wet uitmaken. Zaken, die helemaal met de wet, d.i. het Woord te maken hebben.
In het vorige artikel ging ik al enigszins in op het Verbond. Wat kan het Verbond bemoedigend zijn. Wat een kracht en sterkte kan eruit geput worden. Dat werd mij onlangs duidelijk, toen een vader op grond van het Verbond zoveel hoop had ontvangen voor zijn zwaar gehandicapt kind. Een kind, dat door ons mensen niet te bereiken was, maar waarvan die vader vast en zeker geloofde, dat de Heere op grond van Zijn genadeverbond dat kind wel kon bereiken. Wat een vreugde gaf dit aan die vader!
Het genadeverbond mag ook ouders tot bemoediging zijn die hun kinderen wegen zien opgaan die haaks staan op Gods wegen. Nooit of te nimmer mogen zij hun kinderen afschrijven en zeggen, dat er aan die kinderen toch niets meer is te doen. Wat zij wel mogen doen, is hun kinderen voortdurend bij de Heere aanbevelen. Ja, zij mogen het Verbond als een krachtige pleitgrond voor hun afgedwaalde kinderen de Heere voorhouden.
Kerkeraad en Verbond
Wat ik inzake het Verbond en de ouders schreef, geldt eigenlijk evenzeer voor een kerkeraad. Helaas zijn er doorgaans in onze gemeenten velen die met God en Zijn dienst hebben gebroken. Wanneer een kerkeraad op die allen ziet, kan hij wel eens moedeloos worden. Met name dan wanneer hij beseft dat die allen alleen zonder verschrikken voor God kunnen verschijnen, wanneer zij zijn gewassen in Jezus' bloed.
Wat kan een kerkeraad voor die allen doen, die buiten staan en geen teken geven dat zij tot God terugkeren? Wat moet een kerkeraad doen met die allen die taal en teken geven, dat zij geen lust hebben in de wegen des Heeren? Moeten al die geboorteleden, doopleden en lidmaten die daadwerkelijk gebroken hebben met God en Zijn heerlijke dienst dan maar uitgeschreven worden? Zelf denk ik niet dat dit de weg is, hoewel ik weet dat hierover verschillend wordt gedacht. Zeker wat het uitschrijven betreft, wordt in onze kring verschillend gedacht. Ik wil daarop nu niet verder ingaan, maar wel wil ik dit onderstrepen, dat door een kerkeraad nooit of te nimmer iemand moet worden afgeschreven alsof er aan die persoon niets meer te doen zou zijn. Wij moeten niet vergeten: wat bij ons onmogelijk is, is bij de Heere mogelijk. Dat is voor een kerkeraad geen uitvlucht, maar daarmee neemt hij de toevlucht tot de Heere, de trouwe Verbondsgod die niet laat varen het werk van Zijn handen. Misschien dat menig kerkeraad koning Manasse zou hebben uitgeschreven èn afgeschreven. Aan zo'n man die zulke gruwelen deed, was toch niets meer te doen. Zo'n man moest wel verloren gaan. Echter... de Heere opende de ogen van de koning voor al het kwaad dat hij had verricht. De God van het Verbond redde hem en deed hem uiteindelijk gaan in de wegen van zijn Godvrezende vader.
Ik heb met dit alles willen aantonen, dat een kerkeraad nooit iemand moet afschrijven, maar altijd moed mag houden op grond van het Verbond. Daarin komt zo heerlijk de trouw des Heeren naar voren, dat men daaruit moed mag putten om met vreugde het werk in de wijngaard des Heeren te verrichten. Daarbij ziende op de grote Herder der schapen van Wie wij lezen, dat Hij bewogen was en Zich ontfermde over de schare die geen helper bezat.
Ik schreef al in een vorig artikel, dat de armen van God op grond van het Verbond wel eens langer konden zijn dan menigeen denkt. Zei een bekend kerkvader (Augustinus) al niet, dat hij zich in de hemel over drie dingen zou verbazen, nl. over het feit dat er mensen in de hemel zouden zijn, die hij er niet had verwacht, maar dat er ook zouden ontbreken, die hij er zeker had verwacht. Het meest zou hij zich echter verbazen, dat hij zelf een plaats in de hemel had gekregen. Hoe het ook zij: uit alles blijkt, dat de Heere andere maatstaven hanteert dan wij doen alsmede ook dat niet alleen Zijn wet, doch niet minder Zijn Verbond zeer wijd is.
Welbehagen en Verbond
Ik kan mij intussen heel goed voorstellen, dat er lezers onder ons zijn, die niet durven zeggen dat het Verbond niet wijd is, doch die daarmee toch enige moeite hebben en zich daarmee van veel vreugde beroven, wanneer zij denken aan het welbehagen Gods. Een mens — zo zeggen zij — moet toch in het welbehagen Gods zijn opgenomen. Er is toch een verkiezing van eeuwigheid en hoe weet je nu dat je uitverkoren bent en dientengevolge in de weldaden van het Verbond deelt en de Verbondsmiddelaar je eigendom is? Deze vraag acht ik legitiem. En werkelijk: het zijn nog niet eens altijd de slechtste gemeenteleden, die met deze vraag bezig zijn, soms zelfs daarmee worstelen. Het is althans naar mijn smaak te goedkoop om zo'n vraag direkt te verwijzen naar het rijk der fabelen òf die af te doen met één woord: ziekelijk. Niet dat ik er niet van op de hoogte zou zijn, dat inderdaad zo'n vraag ziekelijk kan zijn, maar dat heeft dan meestal te maken met een ziekelijke geest. Doch let wel: dit is bij déze vraagstelling echt niet altijd het geval.
Hoe kunnen wij anderen nu helpen, die met deze vraag worstelen? Ik denk dat het goed is, dat wij ons dan herinneren wat ooit eens ds. I. Kievit ons heeft geleerd, maar wat dreigt vergeten te worden. Hij heeft ons geleerd, dat God Zijn welbehagen. Zijn verkiezing realiseert (verwerkelijkt) via het Verbond. Het Verbond op grond waarvan wij allen welmenend worden geroepen. Ja, het is niet teveel gezegd, als ik stel dat om die reden juist een vriendelijke, weimenende en ernstige roeping tot ons allen mag uitgaan.
Met name onder het woord 'welmenend' zou ik dikke strepen willen zetten. De Heere meent het zo wel met een ieder van ons. Wij behoeven er niet over in te zitten òf Hij ons wel op het oog heeft òf niet. Hij heeft krachtens Zijn genadeverbond ons allen op het oog. Ja, maar hoe zit het dan met de verkiezing, met het welbehagen Gods? Wel, daarin gaat men roemen en daarover gaat men zich zeer verheugen als de Weldoener en de weldaden van het Verbond ons in het geloof zijn geschonken.
Wie aan dit alles twijfelt, breng ik Calvijn in herinnering. Ook hij legt sterke nadruk op het Verbond Gods. En van Jezus Christus zegt hij dat Hij de spiegel der verkiezing is. Wie wil weten of God barmhartig en genadig is, moet maar opzien tot Jezus Christus en denken aan wat er staat geschreven in Johannes 3 : 16: 'Alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe'.
Met dit alles wil gezegd zijn, dat welbehagen/verkiezing nooit een hinderpaal is en men zich dus daardoor geen vreugde moet laten ontnemen. Laten wij daarentegen dankbaar zijn, dat er welbehagen is en dat dit ons zo vaak in het Woord wordt voorgehouden, daarbij een goede visie hebbend op het Verbond. Mijn gedachte bij dit alles is, dat wij rijker zijn dan wij wel weten. Veel meer vreugde der wet, d.i. vreugde om het Woord zou er zijn, wanneer bij en vanuit het gehele Woord wordt geleefd. Wij denken van het Woord en daarmee van de God van het Woord in 't algemeen zo schriel en zo armetierig. Laat God inderdaad de Kassier der armen zijn, doch dat houdt niet in dat God arm is. Integendeel, God is schatrijk! Bij Hem is genade voor genade. Niet om die genade voor Zichzelf te houden, maar om die uit te delen. Zelfs mild en overvloedig.
Woordbediening, oorzaak van vreugdeloosheid?
Wellicht geeft wat ik nu neerschrijf minder dan het kopje aangeeft. Bedoeld is niet dat de Woordbediening zelf een vreugdeloze zaak is. Niet dat die Woordbediening de dienaren des Woords altijd veel vreugde schenkt, maar meer dan eens mag toch gezegd worden, dat het staan op de kansel en het Woord uitdragen een zaak van vreugde was.
Neen. wat ik bedoel is de vreugdeloosheid om het Woord tengevolge van de Woordbediening. En dat niet zozeer bij de predikers als wel bij hun hoorders.
Zoals bekend zal zijn, hebben de joden op een uitbundige manier de vreugde der wet. d.i. de vreugde om het Woord, tot uiting gebracht. Zij kusten zelfs de thora-rollen. Dit laatste — het kussen van het Woord — zie ik bij ons in onze cultuur nog niet zo snel gebeuren. Wij zijn niet zo ge-aard. Wij mogen ons op een andere wijze uiten. Wellicht wat meer ingetogen, maar dan toch wel zo dat het te horen en te zien is dat wij blij zijn om èn met het Woord. En met name om èn met het vleesgeworden Woord.
Hoe vreugdeloos is echter ons bestaan dienaangaande. Wat zou de oorzaak daarvan zijn? Sommigen beweren, dat de secularisatie hieraan schuldig is. Anderen zeggen, dat wij rijk en verrijkt zijn en aan geen ding gebrek hebben. Om die reden is er weinig òf geen vreugde om het Woord en functioneert met name de decaloog als regel der dankbaarheid daarin bijzonder slecht. Zo zijn er nog wel meer oorzaken aan te wijzen.
Hoe juist het aanwijzen van al die oorzaken is, toch meen ik dat wij de prediking niet buiten schot moeten laten. Het zou wel eens kunnen zijn, dat met name de prediking veel vreugde om en vanuit het Woord wegneemt. Dit kan zijn doordat de prediking tijdloos is. Zij zou evengoed in de achttiende eeuw gehouden hebben kunnen worden. Het kan ook door een archaïsch of bombastisch taalgebruik. Het schijnt voor ons als dominees erg moeilijk te zijn om de taal van déze tijd te gebruiken. Òf wij hebben er geen feeling voor, òf wij zijn van mening dat de sacrale zaken in de taal van onze tijd niet uitgedrukt kunnen worden. Dit laatste is natuurlijk kletskoek. In iedere taal en ook in het taalgebruik van onze tijd zijn de sacrale zaken uit te drukken. Een ouderwets taalgebruik is daarom niet nodig. Trouwens, wij moeten door een ouderwets taalgebruik ervoor oppassen, dat de mensen niet gaan denken dat de taal sacraal is. Vooral echter pleit ik voor een eigentijds taalgebruik in verband met onze jongeren. Echt, niet het Woord behoeft men aan te passen. Dat mag nooit of te nimmer. Wel mag het woordgebruik van dien aard zijn, dat onze kinderen de preek goed kunnen volgen, temeer als wij stellen, dat onze jongeren helemaal bij de gemeente behoren. En dat doen zij!
Behalve het woordgebruik in de prediking — wat voor mij niet het voornaamste is — wil ik nog op iets anders wijzen waarvan ik denk dat daardoor de vreugde om en van het Woord wel eens kan worden weggenomen. Ik denk aan een beschrijvende prediking. ledere zondag worden de gangen die God met Zijn volk gaat opnieuw uitgesproken. Nooit is er eens een hartelijk woord voor en een oproep tot bekering aan jongeren en ouderen die zich niet tot het volk durven rekenen of die nog buiten staan. Door een beschrijving van allerlei kenmerken wordt de viva vox ondergesneeuwd. Het gevolg is, dat zij die zich in de gangen en in de kenmerken van het volk Gods niet de kerk uitgaan zoals zij erin gekomen zijn. Let wel: met dit alles wil ik niet zeggen, dat God met zijn volk geen bepaalde gangen houdt. Zeker, de Heere gaat met al de Zijnen een weg. Maar let wel, die weg kan voor de één anders zijn dan voor de ander. Ds. G. de Boer heeft ons terecht geleerd, dat al Gods kinderen elkaar herkennen op bepaalde knooppunten, maar dat daartussen nog heel veel verschillends kan zijn. Een beschrijvende of descriptieve prediking doet allen indommelen die zich niet herkennen. Doorgaans is in zo'n prediking geen appèl, geen welmenend aanbod, geen hartelijke nodiging om tot de Heere Jezus te komen, hoewel dit alles er móet zijn en màg zijn.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's