De vreugde der wet (6)
De wet omvat niet alleen de cultus van Jahweh (de dienst aan èn van de Heere), doch niet minder het gehele leven. Voor de wet is er geen neutrale zône! Op elk terrein van het leven wil de wet het voor het zeggen hebben. Wel moeten wij er voor oppassen dat wij niet in de valkuil van de casuïstiek vallen waardoor de geestelijke vrijheid in het gedrang komt. Echt, wij behoeven niet over alle dingen hetzelfde te denken òf alle dingen hetzelfde te doen. In de wet schuilt geestelijke vrijheid. Optimaal wordt deze vrijheid benut, wanneer de christen zich houdt aan de normen, die de wet stelt en aan de grenzen die door de wet zelf worden aangegeven. De casuïstiek wil deze vrijheid altijd inperken en maakt van mensen een eenheidsprodukt. Aan de casuïstiek komt ook geen einde. De ene verbijzondering na de andere brengt zij voort met als gevolg dat het leven onleefbaar wordt. Immers, wie zich aan al die verbijzonderingen niet houdt, dreigt buiten de boot van de gemeenschap te vallen. De angst daarvoor is doorgaans erg groot. Om die reden denkt en doet men als de ander en brengt men voor zichzelf de christelijke vrijheid om zeep. Die wordt als het ware in de kiem gesmoord.
Gevaren
Naarmate niet de wet Gods het voor het zeggen heeft in de kerk en de gemeente, maar de casuïstiek, dreigen er allerlei gevaren. Gevaren die dopers van aard zijn. Een eerste gevaar is die van groepsvorming. In de kerk en in de gemeente wordt tengevolge daarvan de verdraagzaamheid jegens elkaar steeds minder. Wie zich niet inpast binnen de groep, behoort er niet bij. Al heel snel wordt dit afgedaan met woorden 'als geen liefde voor de waarheid' of 'vanwege de waarheid is men Sions gram'. Zelfs hoorde ik ooit een predikant zeggen: 'zij zijn van ons uitgegaan, omdat zij van ons niet waren'. Maar is het wel altijd de Waarheid Gods tengevolge waarvan jongeren en ouderen zich niet thuisvoelen binnen een bepaalde groep? Is het wel altijd de Waarheid Gods die scheiding aanbrengt? Moeten wij niet zo eerlijk zijn en zeggen, dat heel vaak 'onze waarheden' en wat wij als waarheid zien scheiding aanbrengt?
Laten wij maar voorzichtig zijn met onze waarheden te vereenzelvigen met de Waarheid Gods. Ook moeten wij niet denken dat de casuïstiek gelijk is aan de wet van God. Onze wetten en wetjes zijn werkelijk niet altijd afgeleid van de wet Gods. Om die reden geven zij ook geen stof tot vreugde. Veeleer zijn zij knellende banden, die de vrijheid, waarmee Christus ons heeft vrijgemaakt, afbinden.
Een tweede gevaar van de casuïstiek is dat het zicht op de gehele kerk en de gemeente verloren gaat. De groep dreigt vereenzelvigd te worden met de kerk òf met de gemeente. Ieder ander wordt afgeschreven. De ander voor de waarheid Gods werven via zending òf evangelisatie is niet meer van belang. Groepsvorming geeft altijd verstarring en stijft de groep in haar eigen gelijk. Het gevolg daarvan is: hoogmoed. Men zegt een arme zondaar te zijn, maar die arme zondaar heeft wel een aantal farizeïstische trekken. De eigengerechtigheid vindt een uitweg door alle kieren en reten van het godsdienstig huis dat men heeft opgebouwd.
Het ergste is en blijft dat men geen boodschap heeft aan hen die ten dode toe wankelen. Geen boodschap voor hen die niet met de groep mee kunnen komen, maar ook géén boodschap voor de wereld alsof daarin geen miljarden mensen leven die van God en Zijn dienst vervreemd zijn en Jezus Christus niet kennen als hun enige troost in het leven en in het sterven.
Een derde gevaar — en dat hangt met de hoogmoed samen — is dat men zich totaal afsluit van de wereld.
Hoewel men de mond vol heeft dat de wet Gods op ieder terrein van het leven heerschappij moet hebben, laat men toch vele terreinen van het leven voor wat die zijn. Enige verantwoordelijkheid dragen ook op die terreinen waar wel eens andere normen gehanteerd worden dan de groep die hanteert wil men niet. Hiermee bedoel ik niet te zeggen, dat er door ons verantwoordelijkheid gedragen moet worden voor dingen die haaks staan op de normen die de wet Gods ons stelt. Neen, zo bedoel ik het zeker niet. Toch ben ik wel van mening, dat de invloed van het Woord Gods en met name van de wet Gods op bepaalde terreinen van het leven groter in onze tijd zou zijn geweest, wanneer wij daarvoor ons meer hadden ingezet en alerter (waakzamer) waren geweest. In het bijzonder denk ik dan aan het christelijk onderwijs en de medische wetenschap, hoewel ik ook wel andere terreinen zou kunnen noemen.
Nog altijd is van toepassing: wel in de wereld, maar niet van de wereld. Natuurlijk, het is rustiger en veiliger om als groep òf als kerk en gemeente ons op te sluiten achter een heel hoge muur, zodat wij niets van die goddeloze wereld zien. Ook is het rustig — voor het gemoed althans rustig — wanneer men alleen maar het hoofd schudt over de wereld en men zegt, dat het toch wel heel verschrikkelijk is, wat daarin gebeurt. Inderdaad, het is verschrikkelijk, maar juist omdat het zo heel erg is en het een zeer aangrijpende zaak is dat zovele mensen op weg naar een eeuwige ondergang zijn, is het de taak van de kerk en de gemeente om zich van de wereld niet afzijdig te houden, doch met haar lot bewogen te zijn. Hoe was de Heere Jezus bewogen met de schare die de wet niet kende en die geen Helper had. Wel, zó — in navolging van Hem — mag en moet de christelijke gemeente handelen. Zij heeft een grote en grootse taak. Midden in de wereld staat de christelijke gemeente. Zij is er door de Heere niet neergezet om een sierboom te zijn. Zij is er geplant om een vruchtboom te zijn. Gunnend, wervend, opkomend voor de wet en de eer des Heeren mag zij in de wereld bezig zijn. Coram deo, d.i. voor het aangezicht des Heeren.
Uit het bovenstaande zal naar ik hoop wel duidelijk zijn geworden, dat ik bepaald niet pleit voor groepsvorming met alle gevaren die daaraan zijn verbonden. Ik pleit wel voor een kerk en een gemeente die midden in de wereld staat, maar in woorden en daden laat zien dat het burgerschap hogerop ligt en dat haar wandel in de hemelen is waar Christus is. Hoezeer ik in onze tijd allerlei ghetto-vorming kan verstaan, toch is het Bijbels gezien de dood in de pot. Het is en blijft een doperse zaak. Als laatste opmerking in dit verband schrijf ik, dat in de kerk en in de gemeente de wet Gods heerschappij heeft. Gaat het om groepsvorming in de kerk of in de gemeente, dan zijn het veelal menselijke wetten of wetjes, die het voor het zeggen hebben.
Israël en de wet
De wet wendt zich tot het gehele volk en beweegt zich ten volle in de gemeenschappelijkheid van de existentie (A.A. van RuIer). Deze zin is wat moeilijk, maar betekent heel eenvoudig dat de wet het over iedereen en alles heeft te zeggen. Met name oefent zij alle invloed uit op het bestaan van de gemeenschap.
In de wet van God is het volk van het Verbond op een volstrekte wijze omvangen door de liefde van God. Van hieruit is de bijbelse lof van de wet te verstaan. Vreugde en lofprijzing over de gave van God in Zijn wet kennen wij uit het Oude Testament. De gehele structuur van het Oude Testament drukt deze lof uit.
In de pentateuch, vijf boeken van Mozes, is alles gericht op de wetgeving bij de Sinaï en wordt het gehele Oude Testament door deze daad van God verder bepaald. De wet bewaart het volk bij het heil, dat in de verlossing uit Egypte verkregen werd. Dit heil komt tot uiting in het individuele en gemeenschappelijk bestaan. De lof van en op de wet is niet alleen een oudtestamentische aangelegenheid. In het Nieuwe Testament klinkt die lof nog duidelijker op dan in het Oude Testament. Bekende Schriftgedeelten in dit verband zijn: Mattheüs 5 : 17-20; Rom. 2 : 13, 3 : 31, 7 : 10, 12 en 22 etc.
De wet wordt positief als wet van God, als gave der genade beoordeeld. De wet behoort tot het openbaringsgoed dat aan Israël is geschonken.
Nu moeten wij goed verstaan dat de kern van de lof op en van de wet niet daarin ligt, dat de gave van de wet de ontvanger een gevoel van zekerheid tegenover God geeft, omdat hij nu weet hoe hij genade van God kan ontvangen. Ook wordt de vreugde der wet niet gesmaakt, wanneer de geredde mens weet uit de wet, dàt en hóe zijn leven wordt geordend en de wet als regel der dankbaarheid functioneert. Dat alles maakt de kern van de lof van de wet niet uit! Het is vooral de wetenschap dat God in de wet zelf tegenwoordig is die de kern van de vreugde uitmaakt. Alle woorden van de wet zijn woorden die door God zelf gesproken worden. En de geredde mens voelt zich daarom letterlijk vanuit de wet door God aangesproken. De woorden van de wet zijn voor hem louter levende woorden.
Het volle leven ligt dan ook daarin, dat de wet gesproken wordt en geschiedt. De wet moet dus gedaan worden. Niet alleen de wet horen is van belang, maar die gehoorzamen en ten uitvoer brengen, daarom gaat het ten diepste. Er mag geen discrepantie bestaan tussen horen en gehoorzamen. Opvallend is dat meestentijds het bijbelse woord 'horen' vertaald kan worden met 'gehoorzamen'. De wet moet gedaan worden. Geen mooie beschouwingen moeten daarover gehouden worden. Geen prachtige verhandeling daarover geschreven. Neen, de wet als liefdesopenbaring van Gods wil dient gedaan te worden.
In eigen kracht?
Natuurlijk blijft de vraag òf wij in eigen kracht in staat zijn om de wet te gehoorzamen. Over het antwoord op deze vraag kan ik kort zijn: neen. Daarvoor zijn nodig: de Messias en de Geest. Zonder Jezus Christus en Zijn volbrachte werk zijn wij niet in staat de wet te doen. Het geloof in Jezus Christus en Zijn volbracht werk, gewerkt door de Geest in ons leven, is de enige legitieme gehoorzaamheid aan de wet. Door het geloof in Jezus Christus beleven wij vreugde aan de wet. Komt er in ons hart en leven een intense begeerte om naar al de geboden Gods te leven en die te doen uit dankbaarheid. Van de wet gaan wij dan zeggen: hoe lief heb ik Uw wet. Dat is dan wel een tegenstelling met het functioneren van de wet in ons leven als tuchtmeester tot Christus. De wet als tuchtmeester eist en zegt: betaal mij wat u mij schuldig bent. Zij eist een gerechtigheid van ons die door ons niet meer is op te brengen sinds wij de Heere in het paradijs in de steek hebben gelaten. Die eisende gerechtigheid van de wet zal ons daarom steeds meer tot Jezus doen uitdrijven. Hij heeft door Zijn sterven op Golgotha's kruis gerechtigheid verworven. Nu ontvangen wij door genade een toegerekende gerechtigheid. Ja, de verworven gerechtigheid door Christus wordt ons in het geloof zodanig toegerekend als hadden wij heel persoonlijk alle geboden Gods gehouden. Buiten het geloof in Jezus Christus is er geen vreugde der wet. Noch voor de decaloog in 't bijzonder, noch voor het Woord Gods in het algemeen. Maar wanneer de Heilige Geest het geloof in Christus in ons hart ontsteekt en de vlam des geloofs steeds brandende houdt, wordt er in ons vreugde gevonden, die alle vreugde van deze wereld teniet doet. Met David is het dan: hoe lief heb ik uw wet; zij is de ganse dag mijn vermaking. En de wet, het Woord blijft een vermaking. Een vermaak naar de inwendige mens. Zo is er dan geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn; die niet wandelen naar het vlees, maar naar de Geest d.i. om met Luther te spreken die wandelen naar het Woord i.c. de wet.
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's