Globaal bekeken
Maarten W. Schakel (oud-burgemeester van Noordeloos en oud-Tweede Kamerlid) schreef een zeer lezenswaardig boek over de Alblasserwaard, getiteld 'Streekgenoten' (deel 1), uitgave P.R. Sponsor Publiciteit B.V. Eén der hoofdstukken handelt over 'De galgenvelden'. Hier volgt hoe het toeging in het verleden, toen de galg nog werd gebruikt.
• 'De rechters velden het vonnis. De man, die het ver volgens moet voltrekken was de beul. Met zijn deftige beroepsnaam "meester van den scherpen zwaarde". Hij was een officiële overheidsdienaar, legde de eed af, dat hij zijn beroep gewetensvol uit zou oefenen en ontving een vast salaris uit de overheidskas. Dat was een basisbedrag, waarbij per gedane verrichting een bedrag volgens standaardtarief kwam. Op een nota van een beul uit 1712 vond ik de navolgende bedragen: voor pijnigen ƒ 60,–, voor hangen ƒ 40,–, voor radbraken ƒ 50,–. Verder mocht hij de lange, witte hemden leveren en vielen de kleren van de veroordeelde hem toe.
Het beroep bleef vaak in dezelfde familie, waardoor het beroepsgeheim beter bewaard werd. Als nevenaktiviteit kan die van stadshondenslager vermeld worden: het neermeppen van zwervende honden.
Niet elke stad had een eigen beulsfamilie. Dan werd in voorkomende geval de beul van een andere stad ingehuurd.
De kapitale straf was in deze streek meestal de dood door ophanging. Het afhouwen van het hoofd op een schavot kwam minder vaak voor, maar met die mogelijkheid moest de beul ook rekening houden. Het behoorde tot zijn ambtsplicht zijn zwaard zo scherp te houden, dat het boosdoenershoofd met een slag van de romp gescheiden werd. Geen martelarij zogezeid. Executies vonden meestal in de vroege morgen plaats, maar in Noordeloos gold de regel, dat een vonnis niet bij "dimmende" maar bij "dalende" zon voltrokken werd.
De rechters waren verplicht bij de voltrekking van het vonnis in persoon aanwezig te zijn. In Vianen hadden ze daarvoor een handige oplossing gevonden. Het schavot werd voor het stadhuis opgericht. Op de eerste verdieping resideerde de Viaanse Kamer van Justitie. Vanuit een venster aan de voorzijde legde men een lichtelijk glooiend vlondertje naar het plankier van het schavot. Als het zover was behoefden de heren van het gerecht niet veel tijd te verliezen. Zij stopten met de normale arbeid, daalden het vlondertje af en hoog boven de hoofden van de samengestroomde Vianezen waren zij getuige van de terechtstelling. Als de beul zijn karwei gedaan had, konden zij zich weer tussen hun akten en dossiers terugtrekken.
In Vianen was het ook "oude gewoonheyt" om de tot de strop veroordeelde "binnen ende buyten" te hangen.
Op het schavot in de binnenstad vond het eigenlijke ophangen plaats, vervolgens werd het lijk op een wagen geladen en naar de Galgenkamp buiten de stad gereden. Ter vermaning van alle passanten werd het lichaam daar nog enige tijd aan een galg gehangen of op het rad gelegd.
Met het verdwijnen van de doodstraf verdween de beroepsbeul. Niet overal ter wereld is de doodstraf afgeschaft en zodoende zijn er ook in onze dagen nog lieden, die het beroep van beul uitoefenen. Bijvoorbeeld John C. Woods uit Texas, die de in het proces van Neurenberg ter dood veroordeelde Duitse oorlogsmisdadigers opknoopte.'
• Uit hetzelfde boek ook nog een 'Nieuwjaars Heil- en Zegenwensch' voor 1855 van 'de Noordelose Klapwachter'
'De Noordelose klapwachter ging in het midden van de vorige eeuw bij de aanvang van een nieuw jaar langs de huizen om een lang gedicht vol zegewensen op te zeggen. Uit de aard der zaak in de hoop een nieuwjaarsgift te ontvangen.
Hier volgt een gedeelte van zijn 'Nieuwjaars Heil- en Zegenwensch' voor 1855:
Ik heb nu weer een jaar.
't Was volgens mijnen pligt,
Als klapperman bij Nacht.
Alhier Mijn werk verrigt.
Ik telde ieder uur,
van d' Avond tot den Morgen,
Als gij lag in Uw rust.
Dan waakte ik met zorgen,
't Wierd in den duisteren nacht,
Met Onweer vergezeld
Door hagel en door sneeuw,
Aan 't noodlot blootgesteld.
'k Voldeed zoo ver ik weet,
Bij Nacht dan aan mijn Pligt.
Vergeev mij dat ik nu,
Bij dag ook iets verrigt.
Uit Kerk en Theologie knipten we de volgende sombere overpeinzing over zijn wijkgemeente in Rotterdam van de hand van ds. H. de Lange. Samen met twee andere predikanten uit de grote stad (drs. C. Blenk, Amsterdam en ds. C.A. ter Linden, Den Haag) schreef hij over 'de missionaire gemeente in Nederland'
'Ik ben bang, dat de hervormde kerk steeds verder uit dit stuk stad zal verdwijnen i.p.v. dat we missionaire gemeente zullen zijn. En wat voor ons geldt, gaat ook op voor de gereformeerden en voor de katholieken. Wat er dan nog overblijft? Een enkele Pinkster- of Volle Evangelie Gemeente. Waarbij aangetekend moet worden, dat die gemeenten vaak een streekfunktie hebben en veel minder een wijkfunktie. Verder zal het Oude Wijkenpastoraat wel blijven. En ook de Diakonie doet geweldig werk en zal dat blijven doen, want er is een behoorlijk groot kapitaal uit het verleden ter beschikking. Maar of diakonaal werk, zonder door een levende gemeente gedragen te worden, diakonaal blijft, is voor mij een vraag. De toekomst zal dat leren.
Missionaire gemeente...
Het is een somber verhaal geworden en ik ben ook somber. Natuurlijk zijn er ook nog wel andere dingen te zeggen: Er is een trouwe kerkeraad en er zijn steeds opnieuw, onverwacht weer medewerkers voor allerlei aktiviteiten, die toch opgezet worden. Er zijn de mensen, die soms ineens weer de weg naar de kerk, naar het geloof, naar God terug vinden of voor het eerst vinden. Er wordt nog wel eens een kind gedoopt. Er zijn, ondanks alles, toch nog steeds catechisanten, hoe weinig ook, die komen opdagen. Het is allemaal niet indrukwekkend. We halen de krant er niet mee. Maar het is er wel. Het leven is er nog niet uit, uit deze kleine grijzende aangevochten gemeente. En er wordt ook geweten en geloofd, dat de Heer leeft en dat het daarom uiteindelijk gaat en dat Hij zijn gemeente niet los zal laten en dat de toekomst van de gemeente en van deze wereld bij Hem veilig is gesteld. Met woord en daad, op onze heel bescheiden manier zijn we daar als gemeente en als enkeling getuigen van in Rotterdam. Op die manier zijn we misschien zelfs nog wel een heel klein beetje missionair. Maar bij vrijwel ieder van ons, m.n. in de kerkeraad, speelt telkens de vraag door het hoofd: hoe lang nog?
Rotterdam... Manhattan aan de Maas.
De torenflats rijzen de pan uit met als klap op de vuurpijl het 150 meter hoge gebouw van Nationale Nederlanden. Ons eigen torentje van Babel.
Rotterdam... Manhattan aan de Maas... maar een kerk zag ik in haar niet.
Ik blijf somber, ik kan er niets aan doen.
In Credo (Conf. Geref. Beraad) het volgende verhaal over Piet:
'Voor zichzelf had ze er best vrede mee, dat ze nog een paar weken in het ziekenhuis moest blijven. De enige, om wie ze zich zorgen maakte, was haar huisgenoot. En dat hield haar wel eens een uurtje uit de slaap.
Want 's morgens was hij altijd de eerste, die haar begroette en 's avonds was hij de laatste, die ze weltrusten zei. U raadt het nooit: haar kanariepietje. Een buurvrouw had beloofd op hem te letten.
maar ze had het onbestemde gevoel, dat Piet heimwee had. En mocht hij er al geen last van hebben, zij zoveel te meer. Daarom had ze onlangs haar eigen nummer gedraaid, toen ze mocht verwachten, dat er werd opgenomen.
Haar kanarie kwam ook even voor de telefoon. Een misplaatst grapje, denkt u misschien? Want een volgel kan tjilpen, fluiten, kwinkeleren wellicht – maar bellen doet zo'n beestje nou eenmaal niet.
En toch: zij had hem uit de verte toegesproken in een mengelmoes van koosnaampjes, scheldwoorden en allerlei prietpraat over het zielige vrouwtje in Ikazia. En dat hij vooral goed op zichzelf moest passen: u kent dat wel.
Nou kunt u het geloven of niet, maar toen hij haar stem hoorde, begon hij meteen het hoogste lied te zingen. Terwijl hij tevoren zo zwijgzaam was geweest. Dus liet ze de bel voortaan 2x per week voor hem rinkelen.
Want een mens is er niet op gebouwd om alleen te zijn en een dier evenmin. Lang geleden al gaf Adam in opdracht van de Allerhoogste de dieren een naam, zodat Eva des te makkelijker met de vogels zou kunnen praten. Wat jij, Piet?'
Uit Zuid-Afrika Nú de volgende strofe uit het Afrikaanse volkslied (opgesteld door de 'ware Afrikaander' ds. S.J. du Toit), dat een duidelijk (patriottisch) karakter draagt:
"n Ider nasie het syn Taal,
Ons praat van Kaap tot
in Transvaal
Wat almal maklik kan
verstaan.
Wat gaat die ander tale
ons aan?
Ons praat soos Pa en
Oupapa.
Die landstaal van Suid
Afrika.
[Zie foto]
• Hier volgt een afbeelding van de fraaie diocees-bibliotheek in de Hongaarse stad Eger, in het gebouw van het voormalige lyceum. Het plafondfresco van de 'Tridenter Synode' stamt van Johann Lucas Kracker.
• Verder nog een afbeelding van een kerkje in Vóraszó uit de 'Arpadentijd' (13e eeuw).
[Zie foto]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's