De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Moraal en fatsoen in de Europese mediaregels (3)

Bekijk het origineel

Moraal en fatsoen in de Europese mediaregels (3)

6 minuten leestijd

Het ontstaan van de Richtlijn
Zoals eerder opgemerkt, heeft niet alleen de Raad van Europa, maar ook de Europese Gemeenschap zich met grensoverschrijdende televisie beziggehouden. Dat heeft ertoe geleid, dat in oktober 1989 hierover een Richtlijn is vastgesteld. Aanvankelijk was het nog een strijdpunt, of de EG zich wel met de media mocht bemoeien. Immers, de EG is in eerste instantie een economische gemeenschap die zich richt op de economische sector. En televisieuitzendingen zijn eerder als culturele dan als economische produkten te beschouwen. Het mediabeleid valt in ons land dan ook onder het Ministerie van WVC en niet onder dat van Economische Zaken. Maar in EG-kringen werd gesteld dat grensoverschrijdende televisie-uitzendingen ook een vorm van economische dienstverlening zijn. Daarbij werd met name verwezen naar de grote commerciële betekenis van de grensoverschrijdende reclame in het kader van de grote interne markt. Op die gronden heeft de EG televisieuitzendingen aangemerkt als een economische dienstverlening, waarvoor zij op grond van het EEG-verdrag regels mocht opstellen. Bepaald konsekwent is men daarin niet. Want toen vanuit de Verenigde Staten protest kwam tegen de bepaling van de richtlijn, dat een groot percentage van de programma's van Europese herkomst moet zijn, hetgeen strijdig is met de vrije markt-principes van de GATT voor economische goederen, beriep de EG er zich op, dat het hier om cultuurprodukten gaat. En, voor eigen culturele goederen mag een staat beschermende maatregelen nemen. Deze redenering kwam in dit geval beter uit.
De Richtlijn is door de EG-ministers overigens niet met unanimiteit aanvaard, maar met een zogenaamd gekwalificeerde meerderheid. België, Denemarken en de Bondsrepubliek stemden tegen. België vond dat de culturele belangen van kleine landen te weinig worden beschermd in de richtlijn. Volgens de Deense regering is de EG er alleen voor economische belangen en niet voor culturele. De tegenstem van de Duitse Bondsrepubliek hield verband met de relatie tussen de Bondsregering en de deelstaten. Cultuurpolitiek is een aangelegenheid voor de deelstaten en niet voor Bonn.
De Nederlandse regering had aanvankelijk ook bezwaren, maar is uiteindelijk over de streep getrokken op grond van een door de Europese Commissie afgelegde verklaring. Hierin wordt gesteld, dat de richtlijn niet van toepassing is op omroe­pen die de zogenaamde 'U-bocht constructie' hanteren. Dat wil zeggen, dat Nederlandse omroepen, die regels van de Nederlandse mediawet willen ontduiken door zich in het buitenland te vestigen, geen rechten aan de richtlijn mogen ontlenen. Hierbij is bijvoorbeeld te denken aan reclame-uitzendingen op zondag.
De EG-richtlijn spreekt zich hierover niet uit. Maar nu deze in Nederland verboden blijft, zouden Nederlandse omroepen, door zich in het buitenland te vestigen, dit Nederlandse verbod kunnen omzeilen. Welnu, dat is niet toegestaan. (Uiteraard kunnen buitenlandse zenders op zondag niet geweerd worden.) De genoemde verklaring van de Commissie is echter geen onderdeel van de tekst van de richtlijn. De Europese Commissaris Bangemann heeft dan ook op vragen in het Europese Parlement verklaard, dat deze verklaring juridisch geen enkele betekenis heeft.

De inhoud van de Richtlijn
Wat de inhoud van de richtlijn betreft, dient ten aanzien van verplichtende normen met betrekking tot moraal en fatsoen onderscheid gemaakt te worden tussen programma's en reclame.
Ten aanzien van reclame-uitzendingen is een groot aantal beperkende bepalingen opgenomen. Zo mogen reclameboodschappen de menselijke waardigheid niet aantasten, niet discrimineren en niet aansporen tot gedrag, dat schadelijk is voor de gezondheid, de veiligheid en het milieu. Ook tv-reclame, die kwetsend is voor godsdienstige of politieke overtuigingen, is verboden. Ten aanzien van reclame is er dus een aantal duidelijk positieve elementen. Reclame, waarin wordt gevloekt, of waarin met God of met het christendom spot wordt gedreven, is kwetsend voor onze godsdienstige overtuiging en dus verboden.
Ten opzichte van de huidige Nederlandse situatie kunnen wij op dit punt van een vooruitgang spreken. Wettelijk is er in Nederland op het gebied van reclame in dit opzicht niets geregeld. Wel hebben de omroepen op basis van vrijwilligheid een reclamecode (alleen voor reclame dus) opgesteld, waarin enkele normen zijn vermeld. Zo mag reclame niet misleidend zijn en zijn er bepaalde fatsoensnormen. Een Reclame-Code-Commissie houdt toezicht op de naleving van de code. Maar een wettelijke regeling, waarin de overheid regels stelt, zoals in de EG-richtlijn gebeurt met betrekking tot reclame, heeft riatuurlijk de voorkeur boven een vrijwillige code. Bovendien gaat de EG-richtlijn verder dan de Nederlandse reclamecode.
Voor programma's daarentegen worden in de Richtlijn geen uitdrukkelijke normen gesteld. In vrij algemene bewoordingen staat in artikel 22 dat 'De lidstaten toezien dat uitzendingen geen aansporing tot haat op grond van ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit bevatten'. In tegenstelling tot de specifieke bepalingen betreffende de reclame, gaat het bij programma's echter niet om een rechtstreeks verbod, maar om een taak die de lidstaten krijgen. De regeringen mogen zelf bepalen, op welke wijze zij aan die verplichting gestalte geven en zelf uitmaken, wanneer van genoemde aansporingen sprake is. Wanneer men een programma ziet, dat aanzet tot haat tegen het christendom, kan men op grond van artikel 22 van de richtlijn natuurlijk wel naar de rechter stappen om dat programma te laten verbieden, maar daarmee is de zaak nog niet beslist. Om te beginnen is de bepaling 'aansporing tot haat' al een vrij vage aanduiding. Zo zal een satire op de bijbel die onwelvoegelijk is, niet beschouwd worden als aanzetten tot haat. Zeker wanneer het gaat om aansporing tot haat tegen de christelijke godsdienst, zal de rechter niet zo gauw in actie komen. Vervolgens zal men moeten bewijzen, dat het de bedoeling van de makers van het programma was, aan te zetten tot haat. In de praktijk is dat nauwelijks te bewijzen. Een bepaling zoals bij de reclame, die verbiedt dat godsdienstige overtuigingen niet gekwetst mogen worden, zou dan ook meer houvast bieden. Artikel 22 van de richtlijn stelt ook enkele normen voor programma's ter bescherming van minderjarigen. Lidstaten dienen maatregelen te nemen om programma's, die de lichamelijke, geestelijke of zedelijke ontwikkeling van minderjarigen ernstig zouden kunnen aantasten, te voorkomen. Dit geldt speciaal voor pornografische of gewelddadige programma's. In het Europese Parlement is hiervoor vooral gepleit door één van de Engelse conservatieven. Bescherming van volwassenen vond blijkbaar niemand nodig. Laat staan dat programma's van deze aard zelf verwerpelijk werden geacht. Men maakte zich drukker om de economische aspecten van de auteursrechten. Ook bij de toepassing van artikel 22 gaat het erom, dat de nationale regeringen maatregelen nemen. Zij zijn verantwoordelijk voor de concrete uitvoering van deze bepaling. Met het bestaande verbod in Nederland op de uitzending van gewelddadige of pornografische films vóór een bepaald uur 's avonds, voldoet onze regering juridisch gezien al grotendeels aan haar verplichtingen. Volgens de EG-richtlijn zal dit verbod dan nog tot andere tv-uitzendingen dan films moeten worden uitgebreid. Wanneer in de toekomst de Nederlandse mediawet met de EG-richtlijn in overeenstemming wordt gebracht, zal hiermee rekening gehouden moeten worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Moraal en fatsoen in de Europese mediaregels (3)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's