Is de mens wat en hoe hij eet?
Van Overzee
Nu er in Peru steeds meer ondervoede of hongerige kinderen zijn, is het niet vreemd, dat dit in ons gezin gevoeld wordt. Als één van onze jongens mag bidden voor de maaltijd, komt er steevast dit zinnetje in voor: 'Heere God, wilt u zijn met alle kinderen die geen eten hebben.' Hoewel het gevaar groot is dat het een clichézinnetje wordt, raakt het me toch nog vaak. Het is nu helemaal niet meer normaal om goed te kunnen eten. De lekkere geur uit de pan doet je watertanden. Het zinnetje uit het kindergebed doet je klappertanden, of zelfs knarsetanden. Een wereldprobleem ligt op je bord. Waarom zijn er kinderen die honger hebben? Wat kan ik doen? Is er wat aan te doen? Nu weet ik best dat het niet Gods bedoeling is om constant onze eetlust te bederven en ik weet ook dat juist een christen leert om van zijn eten te genieten, 't Is niet onchristelijk om te smullen.
Maar toch: wat moetje antwoorden op die knagende vragen, die opgeroepen worden door onze dankgebeden? Waarom eet ik wel en anderen niet of niet genoeg? Er valt een zekere schaamte, gêne over je heen. Moet ik niet wachten met eten, totdat al die anderen ook kunnen eten? Moet er op wereldniveau en op lokaalniveau niet meer gedeeld worden? En wordt dat delen niet steeds moeilijker omdat de internationale economie het blijkbaar alleen maar bevordert dat een relatief kleine groep mensen steeds meer te eten heeft en een groeiende groep mensen steeds minder heeft? Deze vervelende vragen gooien behoorlijk roet in mijn lekkere eten. De boterberg valt op ons. In de melkplas verdrinkt Nederland.
Die lastige vragen uit de arme landen bederven alleen maar de eetlust en bevorderen alleen maar de schaamte die ik toch al soms had. Ik erken dat zulke vragen de diepste kern van mijn bestaan raken. 't Heeft met mijn onbekeerlijk hart te maken. Ten diepste wil ik niet delen. Ook al woont de arme naast me. Ook al zit hij op mijn stoep. Daarom zijn we er meesters in geworden om dat lastige schaamtegevoel weg te werken. Nu zullen de meeste lezers behoren tot diegenen, die van deze zonde echt verdriet hebben. Ze willen er echt iets aan proberen te doen. Maar hoe? Je kunt je zo onmachtig voelen. Je gireert. Je bidt. Je leeft mee met 'overzee'. Je tilt mee aan de problemen. Je ontmaskert de subtiele drogredenen die mensen kunnen verzinnen om het als een niet-op-te-lossen probleem te zien, waar echt niets aan te doen valt. Je wilt je hoofd niet in het zand steken en net doen of de armen er niet zijn. Je kunt niet eten en drinken en echt vrolijk zijn als je bedenkt, hoe beroerd de wereld in elkaar zit.
Je hebt zelfs geleerd om die theologieën te ontmaskeren die de vragen van honger, armoede en onrechtvaardigheid als tweederangs en niet-de-eigenlijke onder de tafel te praten, om rustig aan tafel te kunnen blijven zitten. 'Het diepste probleem is de zonde', wordt er vroom opgemerkt. Nu zullen zij die echt aan het probleem tillen ook steeds meer onderkennen dat dat inderdaad waar is. De zonde heeft de wereld van God verwoest en 't ergste is dat ik en mijn huis in dat net gevangen ben.
De gevolgen van de zonde komen ons momenteel verbijsteringwekkend onder ogen. Wat een troost is het dan dat Jezus Christus in deze wereld aan tafel gezeten heeft met zondaren, armen, hoeren en tollenaren! Het net van de zonde kan ons niet blijvend vangen. Jezus Christus is opgestaan! In Naam van de Opgestane mogen we dan iets doen. Soms blozend van schaamte. Maar met liefde. En als het ons helemaal naar de keel grijpt, kunnen we beter 'n dag gaan vasten om te kunnen bidden: Uw Koninkrijk kome! Daniël leerde het om te vasten. Hij onthield zich van de lekkernijen van de hofleverancier. Hij kon zich bedwingen. Daarom onder andere is hij later zo wijs. Daarom nam hij later ook steevast tijd drie keer per dag om te bidden. Hopend op de grote dag van de definitieve en totale bevrijding! De christen die vast en bidt weigert te buigen voor de goden van deze eeuw. Maar doe het vooral samen. Alleen word je zo gauw ontmoedigd. Denk samen een kleinschalig programma uit en doe er aan mee. De on-geesten gaan niet anders uit, zegt Jezus, dan door bidden en vasten (Mat. 17 : 21). De tijd is voorbij om dat als 'rooms' af te doen. De roomsen hier vasten trouwens ook niet meer. Ik eindig met een citaat van ds. L. Schuurman: 'Om de werkelijkheid van die ander, die niet heeft, te onthouden (en niet te vergeten) dienen we ons te onthouden (en niet te vereten)!' Wat de mens is heeft alles te maken met wat en hoe hij eet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's