Moraal en fatsoen in de Europese mediaregels (4)
Normerende invloed vanuit het buitenland?
Overigens is het niet zo, dat de invulling en interpretatie van de bepalingen van artikel 22 helemaal een zaak van de nationale regeringen is. Juist vanwege het grensoverschrijdend karakter van vele uitzendingen zal (in theorie) ook met de opvattingen van naburige ontvangen landen binnen de EG gerekend moeten worden. Binnen de omroepwereld wordt in dat verband met enige zorg in de richting van Engeland gekeken. Daar is namelijk in 1988, mede door het verzet van velen tegen porno, onfatsoen, godslastering en geweld op de tv door mevr. Thatcher de 'Broadcasting Standards Council' (BSC) ingesteld, om een fatsoenscode op te stellen. Deze Raad probeert vast te stellen, welke de geldende fatsoensnormen zijn en gaat na of de omroepen zich daaraan houden. In de Britse omroepwet wordt van de zendgemachtigden verlangd, dat ze niets uitzenden dat in strijd is met de goede smaak of het fatsoen. En dat wordt getoetst aan de normen van de BSC. Op grond van de richtlijn, maar zeker op basis van de Conventie (als deze door Nederland wordt geratificeerd) kan de Britse regering bezwaren maken tegen een Nederlandse uitzending die in Engeland kan worden ontvangen, wanneer de BSC deze onwelvoeglijk acht. Of hier in de praktijk veel censuur van zal uitgaan, is te betwijfelen. Bovendien stelt zich de vraag, hoe onze regering zo'n uitzending moet verbieden en of ze daartoe wil overgaan. Tot dusver bepalen bij ons de omroepen immers zelf in vrijheid de inhoud van hun programma's. Hoogstens kunnen ze achteraf op een overtreding worden aangesproken. Al met al is het niet waarschijnlijk, dat in de praktijk langs deze omweg nieuwe fatsoensnormen aan onze omroepen zijn op te leggen.
Conclusie
In het voorafgaande is gebleken, dat er ten aanzien van programma's weinig mogelijkheden zijn om op grond van de EG-richtlijnen tot normerende bepalingen te komen. De regels zijn vrij vaag gebleven en de interpretatie en uitwerking wordt aan de nationale regeringen overgelaten. In Nederland bestond al een grote mate van vrijheid. Het is twijfelachtig of eventuele buitenlandse bezwaren tegen Nederlandse grensoverschrijdende uitzendingen veel effect zullen hebben.
Voor de reclameboodschappen zijn vrij degelijke normen gesteld. In ieder geval zijn ze beter dan de vrijwillige code, die wij in Nederland op reclamegebied kennen. Het is dan ook te betreuren, dat de EG-richtlijn voor programma's niet dezelfde normen voorschrijft als voor reclame. Verkeerde reclame kan veel kwaad stichten, mensen kunnen erdoor worden aangezet tot verkeerd gedrag. Dat wordt blijkbaar onderkend. Dat programma's op mensen een soortgelijke kwalijke invloed kunnen hebben, wordt echter niet erkend.
Als de richtlijn ten aanzien van programma's de voorwaarde zou bevatten — zoals voor reclame — dat godsdienstige of politieke overtuigingen niet mogen worden gekwetst, zou dit geen afbreuk doen aan de vrijheid van meningsuiting. Ook dan mag ieder nog zijn eigen mening verkondigen. Alleen aan de wijze waarop dat gebeurt, zouden dan grenzen zijn gesteld. Die grenzen worden op allerlei terreinen vastgesteld, omdat de menselijke samenleving eenvoudig niet zonder kan. Waarom zouden die grenzen nu opeens in de media niet nodig zijn?
Tenslotte, de EG-richtlijn benadert de omroep als een economische activiteit. Hoofddoel is de informatievrijheid van de burgers van de EG-landen te vergroten, zodat de kijkers zelf kunnen uitmaken, wat ze willen zien. Daartoe zijn er gemeenschappelijke regels in het leven geroepen. Momenteel zijn namelijk de reclameregels in de Europese Gemeenschap zeer verscheiden. Om enkele voorbeelden te noemen: sommige landen verbieden tabaksreclame op de tv geheel; andere laten het beperkt toe. Alcoholreclame is in het ene land verboden, in het andere laat men het vrij. In Nederland is geen reclame toegestaan op zondag, elders wel. Ook het percentage van de zendtijd, dat aan reclame besteed mag worden, verschilt van land tot land. Over al dit soort zaken heeft men in de richtlijn bepaalde minimumafspraken gemaakt en voor de wijze waarop is men bepaalde voorwaarden overeengekomen. Zo zijn grensoverschrijdende uitzendingen voor de landen onderling aanvaardbaar gemaakt. Al deze regels zijn bindend. Het is nu aan de EG-lidstaten om voor eind 1991 hun mediawetgeving hieraan aan te passen. In een aantal opzichten is daarbij weer de nodige ruimte gelaten aan de nationale overheden.
Al met al is het te betreuren, dat er een EG-richtlijn gekomen is. Niet omdat er bezwaar tegen zou bestaan, om in internationaal verband afspraken te maken over het mediabeleid. In feite is dat door het grensoverschrijdend karakter, dat veel uitzendingen hebben gekregen, onontkoombaar. Wildgroei kan daarmee worden tegengegaan. Maar het internationale forum, waarin dat moet gebeuren, is niet de EG, maar de Raad van Europa. Binnen deze organisatie is het mediabeleid een onderdeel van de cultuurpolitiek en tracht men tot overeenkomsten te komen, zonder dat een afzonderlijk land tegen zijn wil gebonden kan worden. Daardoor blijft er meer ruimte voor de 23 aangesloten landen om de eigen cultuur te beschermen en aan het nationale beleid een eigen invulling te geven.
De richtlijn van de Europese Gemeenschap daarentegen is bindend voor de 12 EG-landen en heeft als doelstelling een centraal EG mediabeleid, dat economisch gezien optimaal kan worden geëxploiteerd. Hoewel de EG-richtlijn nu is aangenomen, is het te hopen dat het in ons land ook komt tot ratificatie van de conventie. Deze biedt in ieder geval houvast om tot een zekere normering van tv-programma's te komen. Zal van die mogelijkheid gebruik gemaakt worden?
Van beslissende betekenis zal zijn wat de overheid — en in geval van een beroep op de rechter — de rechterlijke macht in de praktijk met de beperkende regelgeving zal doen. In de zedelijke verwording van de media weerspiegelt zich de ontkerstening van ons volk. Natuurlijk kan de overheid in zulke omstandigheden ook niet alles. Maar ze kan wel iets willen. De vraag is daarom, of de overheid het beleid zal voortzetten, waarbij aansluitend op het veranderende rechtsgevoel in de samenleving in feite aan elke meningsuiting en elk gedrag ruimte en vrijheid wordt gegeven. Of dat zij ernaar streeft om naar de maatstaven van Gods Woord het kwaad, dat in het hart van de mens zijn oorsprong heeft, op het publieke terrein tegen te gaan. Op haar roeping in deze zal de overheid als Gods dienares moeten worden aangesproken. Terwille van de waarheid van Gods Woord en daarmee verbonden het welzijn van land en volk. In het bijzonder nu — in internationaal verband aangegane verplichtingen — haar (bescheiden) instrumenten in handen geven om daaraan gestalte te geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's