Geen eenstemmigheid met betrekking tot jongeren aan het Avondmaal
Combi-synode
De conclusie van de gereformeerde synode-praeses ds. E. Overeem, dat de combisynode de avond tevoren met betrekking tot Avondmaalsviering een royaler gebaar had gemaakt naar rooms-katholieken dan nu naar eigen jongeren, typeert waarschijnlijk het best de sfeer waarin de discussie over bovengenoemd onderwerp plaatsvond.
Tot tweemaal toe vroeg op de laatstgehouden combisynode het Heilig Avondmaal de aandacht van de synodeleden. Op vrijdag 26 oktober sprak de synode over een ruimer gebruik van de openstelling van het Heilig Avondmaal voor met name rooms-katholieken en vervolgens op zaterdag 27 oktober over het rapport 'Draagt elkanders vieringen', geschreven door een hervormd-gereformeerde studiecommissie die zich had gebogen over de vragen betreffende jongeren aan het Avondmaal. Inderdaad, zo royaal het gebaar van de synode naar rooms-katholieken was (slechts 13 synodeleden stemden tegen het voorgestelde besluit om royaler gebruik te maken van de kerkordelijke mogelijkheid tot openstelling van het Avondmaal met name voor rooms-katholieken), zo zuinig sprak de synode over de mogelijkheden van jongeren aan de tafel des Heeren.
Het rapport
Ook dit rapport heeft een geschiedenis achter zich. In 1984 liep ter gereformeerde synode de besluitvorming over een kerkordelijke regeling voor kinderen aan het Avondmaal vast. De Gereformeerde Kerken in Nederland hebben de Nederlandse Hervormde Kerk toen gevraagd om samen met hen een commissie samen te stellen die de vele vragen rondom de viering van het Heilig Avondmaal en de toelating van jongeren moest bestuderen. Belangrijk is de opdracht die daarbij werd gegeven: dat de invalshoek voor de studie met name zou moeten liggen bij de visie op de gemeente en de betekenis van de openbare belijdenis. Enkele jaren later werden ook de vragen over herdoop en ambtsbediening in studie genomen, alsook het opdragen van kinderen als alternatief voor de kinderdoop. Terwijl vanuit het moderamen van de hervormde synode in 1987 het verzoek de commissie bereikte om het punt 'kinderen aan het Avondmaal' met voorrang te behandelen. Dit vanwege een bezwaarschrift dat tegen een wijkkerkeraad van Zoetermeer was ingediend door een lid van die gemeente over de toelating van kinderen aan het Avondmaal. Een zaak die tegen de kerkorde inging en nog steeds ingaat.
De commissie, die met bovengenoemde vragen aan het werk is gegaan, heeft gemeend de oplossing niet te moeten zoeken in beantwoording van de vraag hoe het Avondmaal gevierd moet worden, maar veelmeer wie het Avondmaal mogen vieren. Dat nu raakt aan de visie op de gemeente. Deze vraag speelt dan ook in het rapport de hoofdrol. En de visie op de gemeente die hier de toon zet, neemt z'n vertrekpunt in de doop. 'Ligt in de Doop niet reeds de roeping (tot viering van het Avondmaal – PvdK) besloten?'
Wie nu meent dat het rapport bovenstaand uitgangspunt van een deugdelijk theologisch fundament voorziet, wordt diep teleurgesteld. Verder dan een beperkte toelichting op enkele Schriftwoorden die in deze richting zouden wijzen, gaat het rapport niet. Evenmin worden principiële keuzen gemaakt. Het zet de kerkelijke Avondmaalspraktijken die gegroeid zijn naast elkaar en spreekt in dit verband van een driestromenland.
Als eerste wordt genoemd de klassiek-gereformeerde visie op het Avondmaal waarin, zo stelt het rapport, elk wrikken aan de volgorde kinderdoop-belijdenis-avondmaal op grote weerstand stuit. Het rapport noemt als oorzaak hiervan de overtuiging, dat beleving van het heil vraagt om een bewuste vreze des Heeren. Deze geloofsbeleving wordt in het rapport individualistisch genoemd.
Als trefwoord voor een andere beleving van het Avondmaal valt het woord 'koinoonia', gemeenschap. De gemeente viert. Dan is de tafel toegankelijk voor ieder die tot die gemeente behoort. En men behoort bij de gemeente door de doop.
Als derde mogelijkheid wordt genoemd de doop op grond van belijdenis. De geloofskeuze beslist over de doop. Deze mogelijkheid laat de commissie enigszins links liggen omdat ze, althans in de kerk, tot op heden slechts bij wijze van uitzondering voorkomt.
Bovengeschetste benadering nu is typerend voor de wijze waarop de commissie voorstelt de problemen op te lossen. Namelijk door elkaars vieringen te dragen. Niet te verdragen. Dat is, zo werd in de discussie gesteld, te zuinig. Overeenkomstig het goddelijk gebod elkaars lasten te dragen, dienen we ook elkaars vieringen te dragen. Vanuit deze op de praktijk afgestemde benadering werd door de commissie een pleidooi gevoerd om een kerkordelijke vereenvoudiging met betrekking tot de kwestie te introduceren, waarbij wordt uitgegaan van het principiële punt dat iedere gedoopte een legitieme plaats krijgt in de avondmaalskring, zoals de voorzitter van de commissie, ds. J.H. Uytenbogaardt, stelde.
Uit de bespreking
Uiteraard is het niet mogelijk de discussie van een hele morgen hier weer te geven. Grofweg verliep ze langs twee lijnen met allerlei nuances daartussenin. Van de ene kant kreeg de commissie kritiek te verduren omdat ze nog niet met een besluitvoorstel was gekomen tot wijziging van de kerkorde van de beide betrokken kerken dienaangaand. Sprekers die op deze wijze spraken, meenden dat het rapport niet ver genoeg ging en spoorden de commissie aan om zo snel mogelijk met een voorstel tot besluit te komen, zodat de gemeenten die reeds geruime tijd jongeren tot het Avondmaal toelaten de 'geur van overtreding' zouden kwijtraken. Van de andere kant werd bij herhaling gesteld dat het toch niet aangaat om (scheef)gegroeide praktijken voetstoots te aanvaarden door de kerkorde aan te passen. Ouderling-kerkvoogd H. Reurink ('t Harde, herv.) sprak op deze manier. Hij stelde dat het Avondmaal was voor 'Zijn kinderen'. Met een kerkvoogdelijke toespeling op de kerkordelijke regeling van de beleid- en beheerskwestie (de ordinanties 16, 18) stelde hij dat we ook ten aanzien van de Avondmaalsviering uit de wanorde terug moeten naar de kerkorde. Op dezelfde wijze sprak ook ds. C.L. de Rooij (Terneuzen, herv.) die stelde dat we niet met een open kerkorde kunnen blijven leven en oud. B. van Bokhoven (Linschoten, herv.) die benadrukte dat kerkorde en confessie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat de confessie niet onduidelijk is over de vraag wie er aan het Avondmaal mogen worden toegelaten. Hij pleitte voor een besliste keuze tussen Doop en Avondmaal in. Daarbij kan niet worden uitgegaan van de koinoonia-gedachte, de gemeente die in haar geheel viert met allen die gedoopt zijn. Onderscheiden we dan nog wel het lichaam des Heeren, zo vroeg hij aan de vergadering. Bij deze massieve kijk op de gemeente (alle gedoopten behoren een plaats te krijgen in de kring van de Avondmaalsviering) sloot ds. P.M. Breugem (Barneveld, herv.) aan. Zijn er geen tweeërlei kinderen des verbonds, vroeg hij. De gedachte was bij hem opgekomen dat de commissie kennelijk bang was om het geloof op persoonlijke wijze te benaderen en wanneer dat toch gedaan wordt (terzake de klassieke viering van het Avondmaal), weet ze de juiste toon niet te vinden. Ook ouderling M. Geleijnse (Rotterdam, herv.) sprak zich op deze manier uit door op te merken dat in de nota de dingen veel te veel worden opgehangen aan de gedachte van de gemeenschap. Spreker meende dat voluit moet gehandhaafd blijven de Bijbelse spanning dat een kind van het verbond door ongeloof kan worden buitengesloten. Ook voerde hij een pleidooi om het gesprek met de evangelische beweging aan te gaan omdat hij daarheen veel kerkelijke, enthousiaste jongeren ziet verdwijnen.
Ook van gereformeerde zijde kwam kritiek. Ds. O. Doorn (Zwartsluis, geref.) suggereerde dat de daling in het ledental van de Gereformeerde Kerken wel eens zou zijn kunnen ingezet op het ogenblik dat sprake was van een open Avondmaalsviering. Ds. J. de Kievit (Barendrecht, geref.) bracht bezwaren in tegen de massieve koinoonia-gedachte die in het rapport de toon aangeeft en vroeg zich af of de gemeenschap een middel op zichzelf is om de gaven van de Geest te ontvangen. Is zo niet het gevaar aanwezig dat de gemeenschap gaat heersen over het individu? Ds. R. Holwerda (Pijnacker, herv.), die stelde dat voor kinderdoop kiezen inhoudt ook kiezen voor kindercommunie, vroeg zich af of de toelating van kinderen aan het Avondmaal in die gemeenten waar dat gewoonte is overwogen is gebeurd. Is dat opgekomen uit het verlangen om de kinderen in de warmte vast te houden? Als visitator zei spreker de ervaring te hebben, dat er in zulke gemeenten, vanwege de twistappel die het open Avondmaal vormt, ook veel kou is. Ook ds. M. Ravenhorst (Muiden, herv.) plaatste kritische kanttekeningen bij het rapport door te stellen dat de commissie zich aan zijn opdracht niet had gehouden. Die was immers om de vragen rond het Avondmaal te bestuderen en ze is gekomen met een rapport dat geschreven is vanuit het vooringenomen standpunt dat kinderen aan het Avondmaal dienen toegelaten te worden. Met betrekking tot de steeds meer aanvaarde praktijk om de kerkorde aan te passen aan het kerkelijk experiment, stelde hij dat onze tijd gekenmerkt wordt door ongeduld: we willen hebben wat we verlangen, een typisch welvaartsverschijnsel. Ds. L. Korevaar (Bussum, herv., namens visitatie-generaal) merkte op, dat de zaak waar het om gaat niet van middelmatig, maar van fundamenteel belang is. We kozen op deze combisynode, zo hield hij de gezamenlijke synoden voor, voor een belijdende kerkorde. Daar kunnen we dan ook in deze zaak niet omheen. Spreker stelde voor om het uitgangspunt voor deze zaak in de doop te nemen, daarna onderwijs te geven opdat de jongere zijn doop leert verstaan en het verdere verloop aan de verantwoordelijkheid van de kerkeraden over te laten.
Ds. A. Borman (Assen, geref.) behoorde tot degenen die het rapport niet ver genoeg ging. Hij had liever gezien dat de commissie zich had uitgesproken voor Avondmaalsviering voor de hele gemeente. Ook ds. W. Barendrecht (H. I. Ambacht, geref.) vond het rapport te mager juist omdat zijn ervaring was, dat de toegang van kinderen verdieping aan het Avondmaal heeft gegeven. Drs. K. van der Horst (vice-voorzitter van de Evangelisch-Lutherse Kerk – de Luthersen waren die dag niet meer als synode aanwezig, hij was er als waarnemer) hield de synode voor dat in zijn kerk al sinds 1968 sprake is van kinderen aan het Avondmaal en dat er overigens niets geregeld is ten aanzien van de toelating tot de tafel des Heeren 'omdat het de Heer Zelf is die tot Zijn tafel nodigt en dan is het niet aan ons om welke omheining ook er omheen te zetten'. Hij spoorde de commissie aan om ten spoedigste ruimte te scheppen in de kerkorde waardoor jongeren ten Avondmaal kunnen gaan.
Van de commissie werd, halverwege de sprekersrij, eerst het woord gevoerd door prof. dr. H.B. Weijland (Geref. en lid van de commissie). Hij zei gestoken te zijn door de vraag of de commissie zich wel aan zijn opdracht had gehouden. Het was, zo antwoordde hij, de commissie niet om één lijn te doen geweest, maar om een ontspannen benadering van de werkelijkheid vanuit een bepaalde geesteshouding. Vanuit welke geesteshouding, zo stelde hij hardop denkend de vraag, gaan we om met de verscheidenheid aan vieringen die er onder ons zijn? De commissie meende die gevonden te hebben: de Heilige Schrift toont dat de doop geschiedde door onderdompeling. Spreker pleitte ervoor dat kinderen op hun zesde of zevende jaar op deze manier zouden worden gedoopt. 'Wat zou er dan in de gezinnen veel over de doop en het geloof gesproken worden', verzuchtte hij. De bespreking werd afgerond door dr. W.W. Verhoef (Vlaardingen, herv. commissielid) die iets zou zeggen met betrekking tot de bezwaren in de richting van de bevinding. Hij begon met te stellen dat hij uit bevindelijke hoek kwam en benadrukte daarom het legitieme van de bevinding. Dat werd door hem echter gezet in het kader dat de gedoopte gemeenschap ook vierende gemeenschap is. Die twee kunnen niet van elkaar worden gescheiden en in het verleden is het teveel gebeurd dat Doop en Avondmaal uit elkaar werden gerukt voor respectievelijk een groep van mondigen en onmondigen.
De commissie kreeg veel en niet eensluidend huiswerk mee. Opvallend was dat van weerskanten, zij het uit de ene kerk wat meer dan de andere, kritische vragen gesteld werden bij de gegroeide praktijk en het verlangen om daarnaar de kerkorde steeds weer aan te passen. Dat verdraagt zich niet, zoals meerdere synodeleden opmerkten, met het belijdend karakter van de kerkorde. Welnu, daarmee is fundamentele kritiek geleverd en in feite de toon gezet voor welke discussie ook nu en in de toekomst. Want, zoals u uit het verslag van de combisynode in het nummer van vorige week hebt kunnen lezen, die keuze is gemaakt en daarop zijn beide synoden voortaan aan te spreken. Het is zeer te wensen dat de commissie daarmee sterk rekening zal houden. Dan zal ongetwijfeld het geluid van de Schrift in verdere doordenking van de zaak meer meeklinken dan tot nu het geval was. En daarnaar te luisteren is nog steeds hoogste roeping van de kerk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's