Globaal bekeken
In Hervormd Weekblad (Confessionele Vereniging) schreef ds. J.G. Barnhoorn (Strijen) een meditatie in dichtvorm 'Aan de Jabbok'.
Het duister van de nacht staat dreigend om hem heen,
als Esau's tweelingbroer verbeidt wat toeft te kommen:
man van de wereld, herdersvorst zo groot als geen,
gezegend boven zelfs het Bethel van zijn dromen,
waar hij weleer zijn eisen God heeft voorgelegd,
bij voorbaat voor de tegenheên zijn ziel geborgen:
'Als Gij U naar mijn wensen schild…', heeft hij gezegd;
slechts hem helpt God, die voor zichzelf vermag te zorgen.
Nu weet hij zich alleen, omgeven door de nacht;
wat hem het leven schonk, veelal door list verkregen,
heeft hij met overleg in veiligheid gebracht:
aan gene zijde van de beek vernacht zijn zegen.
Daar treedt hem uit het tastbaar donker tegemoet
de schim van een daadwerk'lijk overstemd verleden;
een tegenstander, die hem dra beseffen doet,
dat God zijn zegen slechts wil hebben afgebeden.
Viel hem een veelvoud van hetgeen hij vroeg ten deel,
niet echter naar zijn huis in vrede weer te keren:
het éne, dat het leven vormt tot een geheel
en dat de veelheid als verijlend doet ontberen.
'Wie zijt gij, die mij uit het duister tegentreedt,
het tweegevecht begeert met een ontrust geweten?'
De strijd vangt aan, verduurt de nacht, die straks haar kleed
verliest, terwijl die twee nog steeds hun krachten meten.
Daar slaat de vreemde Jacob op het heupgewricht:
'Laat mij nu gaan: de dageraad is reeds verschenen!'
'Ik laat u niet van mij, tenzij gij uw gezicht
mij openbaart en mij uw zegen wilt verlenen!'
'Mijn zegen is het, wat gij wenst? Noem mij uw naam!
Zijt gij niet Jacob? Israël zal men u noemen,
want in de worsteling met God en mensen saam
vermocht gij vorst'lijk in de zegepraal te roemen!'
'En úw naam?', vraagt nu Jacob, 'wie toch wel zijt gij?'
'Waarom wilt gij, dat ik mijn naam u prijs zou geven?
Mijn zegen schenk ik u, dat deze met u zij
en gij, in waarheid nu gezegend, voort moogt leven'.
Herschapen nu, geen hielelichter als voorheen,
doet Israël die plaats van Gods ontferming spreken:
'God mij van aangezicht tot aangezicht verscheen
in Pniël, waar nochtans de dood mij is ontweken!'
Ter plaatse waar God Jacob van zijn schuld ontdoet
– goedgunstig schenkt Hij hem vergeving van zijn zonden –
gaat Isrel kreupelend de opgang tegemoet,
in zwaar bevochten vrede met zijn Borg verbonden,
die voor der wereld schuld de dood is ingegaan,
tot zonde is gemaakt, als offerlam verkoren,
opdat een Jacobsganger in het licht zou staan,
lichamelijk geknakt, doch naar de geest herboren.
Recent verscheen een boek 'Vele vaders en moeders' (uitgave Ambo; zie 'aankondigingen'), een boek met : herinneringen aan het Amsterdamse Maagdenhuis uit de tijd dat het nog r.k. weeshuis voor meisjes was. Uit dit boek een episode over 'Koninklijke bezoeken':
'In het begin van de eeuw werd het Maagdenhuis verscheidene malen bezocht door de koninklijke familie. Dat begon al in 1852 toen koning Willem III er een bezoek bracht. Een unicum, omdat het een katholieke instelling betrof. Het veroorzaakte dan ook de nodige verontwaardiging en kritiek. In 1858 volgde een bezoek van koningin Sophia.
In 1895 waren de jonge kroonprinses Wilhelmina en koningin-regentes Emma te gast aan het Spui. Bij ieder bezoek kregen de kinderen een traktatie.
De alleroudsten hebben nog een herinnering aan 26 april 1907, toen de koningin-moeder een tweede maal op bezoek kwam. Een enkeling weet zelfs na tachtig jaar nog de woorden van de door de rector, Mgr. Eygenraam, gecomponeerde cantate, en zong een gedeelte van de melodie:
Wees welkom, welkom duizend malen,
Vorstin, die deze woon betreedt!
Hoe troostvol komt de Liefde stralen
In 't huis, zoo vol van bitter leed.
O! dankbaar juichen wij U tegen
En leggen kransen U te voet,
Van liefde en Eerbied saamgeweven,
O, Koninginne, wees gegroet!
Na dit welkomstlied op de grote zaal werd Hare Majesteit een uur lang rondgeleid door 'dit toevluchtsoord voor wezen'. Bij haar vertrek stelde zij een bedrag van vijfenzeventig gulden ter hand aan Moeder Overste om de kinderen van te trakteren.
Op 4 mei 1912 bezochten koningin Wilhelmina en prins Hendrik het Maagdenhuis. Een 93-jarige oud-pupil heeft over dit bezoek heel kleurrijk kunnen vertellen bij het tienjarig bestaan van tiet bejaardenhuis waar zij verblijft:
"Ik heb de koningin niet gezien. Ik was een van de oudsten, ik geloof een jaar of achttien, en ik was uitgekozen om de koningin bij haar komst een cadeau aan te bieden. Ik moest oefenen, drie stapjes naar voren, buigen met mijn hoofd, en drie stapjes naar achteren. Dagenlang is er geschrobd, gedweild en geboend. Eerst zouden we een welkomstlied zingen en daarna was het mijn beurt. Eindelijk kwam de dag. We werden allemaal nagekeken, want we moesten er netjes uitzien. Allemaal met strikkies en netjes een schortje voor. Ik moest twee trappen af met een grote taart en op die taart stonden twee meisjes, één met het grote pak aan, de ander met een klein boezelaartje. Ik had alles goed gerepeteerd: drie stappies naar voren, buigen, aanbieden, drie stappies naar achteren. Toen kwam ik bij die eerste trap. Maar ik kon die lange rok niet omhooghouden. De schoen kwam in de zoom, en ik glee met taart en al naar beneden. Ik zal helemaal vol, mijn gezicht, mijn kleren. Iedereen blèrde en schreeuwde. Maar in plaats dat de zuster zei: '"Kind, heb je je bezeerd?'" kreeg ik twee draaien om m'n oren. En voor straf heb ik de koningin niet mogen zien".'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's