De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Over de lichamelijke verrijzenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Over de lichamelijke verrijzenis

'Geding over de Opstanding' op de synode

12 minuten leestijd

'Mijn man is agrariër. Momenteel zaait hij het zaad in de akkers en doet dan een tijd niets eraan, 's Morgens sta ik altijd voor het raam te kijken en dan is er een morgen — het is altijd in de morgennevels dat het geschiedt — dat er opeens een groene waas ligt over de akkers. Dan vier ik het nieuwe leven. Wanneer je dan naar de akker gaat en het zaad op delft, dan is het dood'.
Zo ongeveer vertolkte mevr. L.C.C. van Bergen-Meijers, Wieringerwerf, haar geloof in de opstanding (het stervend tarwegraan) aan het eind van het gesprek ter synode, waarin over en weer gesproken was over het geheimenis van dit grote Heilsfeit.
Even eerder had oud.-kerkvoogd R. Giethoorn, Arnhem, getuigenis gegeven van zijn geloof in dit geheimenis. Al wat er gebeurd is, is 'aan de andere kant' gebeurd. Maar hij was blij dat de Opstanding geduid is in de richting van de lichamelijkheid daarvan. Het gaat Jezus niet alleen om de ziel maar ook om het lichaam, om de totale mens en ook om de schepping. De lichamelijkheid van de Opstanding is de garantie voor onze totale verlossing.

Van Gennep
Aanleiding voor het gesprek op de synode was in feite de visie van wijlen prof. dr. F.O. Van Gennep, die de geruchtmakende uitspraak deed niet in de lichamelijke opstanding van Christus te kunnen geloven en ook niet in wonderen. In het rumoer, dat daarover in de kerk ontstond, is door enkele classicale vergaderingen de vraag naar een kerkelijke behandeling van dit vraagstuk op tafel gelegd. Nadat een eerdere poging tot een nota hierover (van de hand van dr. K. Blei) schipbreuk had geleden, lag er nu een rapport, opgesteld door ds. K.M. Witteveen, ds. A.W. Berkhof en dr. L.J. van den Brom (een vierde concept trouwens).
De nota is te uitgebreid dan dat we er hier een verantwoorde samenvatting van zouden kunnen geven. Uitvoerig wordt gesproken over het het huidige (natuurwetenschappelijk bepaalde) wereldbeeld, waardoor mensen moeite hebben met het geloof in de lichamelijke opstanding. Verder gaat het rapport in op 'de veelkleurige berichtgeving' aangaande de opstanding in de Evangeliën en op 'het opstandingsbegrip' bij Paulus. 'Voor het moderne besef is het wonderbare verhaal over de Emmaüsgangers nog het meest herkenbare van alle verschijningen', zo wordt vervolgens gezegd. 'Want juist daar zien we mensen worstelen met de verwarring, die het getuigenis van de vrouwen heeft gesticht'. Het gaat in dat verhaal niet om 'het herkennen van een aards of geestelijk lichaam. Het gaat om de herkenning van de persoon'.
'Lichamelijk en toch niet gewoon' (lichamelijk) is een van de opschriften in de nota. De uiteindelijke conclusie is dat het Emmaüsverhaal onze fixatie op het 'hoe' van de Opstanding betrekkelijk maakt. Maar over het 'dat' van de opstanding mag geen onduidelijkheid bestaan. 'Het Paasgeloof belijdt allereerst Jezus Christus als de levende Heer en is niet in de eerste plaats een oordeel over het "hoe" van de verrijzenis.'

Bezwaren
Een commissie van rapport (rapporteur ds. P. van der Kraan, Bleskensgraaf) had als kritiek, dat in de nota over de lichamelijkheid van de Opstanding gesproken wordt als 'een iets', los van Iemand, de Opgestane. 'Zodat het perspectief ontbreekt waarin de heerlijkheid van God wordt ontvouwd, waardoor het licht van de Opstanding valt over schepping, verlossing, voleinding'. De vraag werd ook gesteld of het wereldbeeld van vandaag nog wel zo gesloten is als in het rapport wordt gesuggereerd. 'We beleven toch een tijd, waarin we enerzijds meemaken dat we gekomen zijn aan de grenzen van wat tientallen jaren vaststond, terwijl zich anderzijds zoveel bij ons aandient dat (nog) niet verklaard kan worden. Zijn juist deze wankelende zekerheden niet de oorzaak van veel onzekerheid?'
Ds. F.S.J. van der Sar, Maasbracht, lid van de commissie van rapport, stelde in alle scherpte, dat het rapport niet trinitarisch genoeg was en dat daardoor geen perspectief werd geboden op schepping, verlossing en voleinding. En van Gennep èn zijn kritici zijn niet recht gedaan in dit rapport, aldus Van der Sar.
In de discussie stelde ds. A. Terlouw, Hardegarijp, dat Van Gennep exegetische, hermeneutische en theologische bezwaren had tegen de lichamelijkheid van de opstanding. Van Gennep noemde de lichamelijkheid van de verrijzenis exegetisch onjuist, hermeneutisch onoverdraagbaar en theologisch aanvechtbaar. Het hoofdbezwaarvan Van Gennep was: 'als God ervoor heeft gekozen zo nu en dan op fysieke wijze in te grijpen in de geschiedenis hoe zullen we dan na Auschwitz en Cambodja nog in zo'n God kunnen geloven?' De nota — aldus ds. Terlouw — is nauwelijks op de motivatie van Van Gennep ingegaan, zeker niet waar Van Gennep spreekt over de Opstanding als 'een mystieke topervaring'.

Fundamentele kritiek
In vijf punten vatte dr. J. Hoek, Veenendaal, zijn fundamentele kritiek op de nota samen. Hier volgen de punten:

1. Klopt de titel wel met de inhoud? In eerste instantie: neen. In tweede instantie: ja, maar dan ondanks het betoog van de opstellers!
Betoogd wordt immers dat de opstanding in de discussie, die door wijlen prof. Van Gennep is opgeroepen, helemaal niet in geding was. Het ging slechts om bepaalde voorstellingen aangaande de opstanding, die in geding waren.
Mijns inziens is de titel niet in lijn met het betoog in het rapport, maar wél van toepassing op de discussie rond Van Genneps uitlatingen. Daarin was de opstanding wel degelijk in geding!

2. Maar op blz. 8 wordt toch terecht gezegd dat in deze discussie de geheel symbolische, zeg maar klassiek-vrijzinnige interpretatie van het Paasfeit niet aan de orde was?
Dat is juist, maar Van Gennep verdedigde een partieel-symbolische opvatting en nam afscheid van een voluit feitelijk verstaan van het Paasgebeuren.
Hier ligt het grote dilemma. Bij de partieel-symbolische opvatting behoeft het graf op de Paasmorgen niet écht leeg te zijn geweest. De symboolwaarde blijft, ook al is het lichaam van Jezus van Nazareth in werkelijkheid tot ontbinding overgegaan. Daartegenover staat het voluit-feitelijke verstaan, dat het lege graf essentieel acht als historisch gegeven.

3. Het is in het rapport te prijzen dat dit dilemma helder is gesteld.
Tegelijkertijd is het uiterst teleurstellend dat geen duidelijke keuze wordt gemaakt.
Er wordt getendeerd naar de keuze voor het voluit-feitelijk verstaan, maar er is alle mogelijke begrip voor de keuze van de partieel-symbolische interpretatie. Hiermee doet het rapport geen recht aan het heldere getuigenis van de Schrift. Immers, niet alleen de evangelisten, maar ook Paulus laat geen twijfel bestaan aan de feitelijkheid van het lege graf
Het mag waar zijn dat de apostel in 1 Cor. 15 daarvan niet met zoveel woorden melding maakt. Maar waarom is geen aandacht gegeven aan de duidelijke uitspraak van Paulus, die overgeleverd is in Hand. 13 : 37 uit zijn mond opgetekend door zijn reisgenoot Lucas: 'Maar Hij, dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien'. Trouwens, ook in 1 Cor. 15 ziet de apostel duidelijk een continuïteit tussen ons lichaam nu én het nieuwe opstandingslichaam. Deze continuïteit in de discontinuïteit (een doorgaande lijn ondanks groot verschil) geldt dan ook en allereerst (proleptisch – vooruitgrijpend – en exemplarisch – een voorbeeld stellend –) voor het lichaam van Christus als de Eerstgeborene uit de doden.

4. Kernbezwaar tegen dit rapport is dat het niet écht helpt weren wat het belijden der kerk weerspreekt. Het laat zich lezen als een pleidooi voor een verregaande vrijheid van de theologie. Deze vrijheid moet er ook zijn. Ik onderschrijf dat als het gaat om de kritische doorlichting van bestaande geloofsvoorstellingen en het creatieve ontwerp van nieuwe voorstellingen. Maar het gaat dan om niet meer en niet minder dan de ver-woording van de bijbelse kerninhouden.
Deze kernen zelf mogen niet worden aangetast. Blijkens het Nieuwtestamentisch getuigenis behoort de lichamelijke verrijzenis van Christus tot deze kern. Het leeg zijn van het graf op de Paasmorgen is geen verpakking, maar inhoud van de heilsverkondiging.

5. Helemaal aan het eind van het rapport schemert dan toch nog iets door van een keuze voor de niét partieel-symbolische, maar voluit feitelijke opvatting.
Het blijft zeer mager: Het lege graf en het lichamelijke karakter van de opstanding zijn theologisch 'niet volstrekt onbelangrijk'.
Terughoudender kun je het nauwelijks formuleren! Maar wat dan vervolgens op de laatste anderhalve bladzijde geponeerd wordt, is adembenemend. Een krachtig verzet tegen spiritualiserende beperking van het evangelie.
Je zou denken: Nu begint het! De prolegomena (formele opmerkingen, die aan het inhoudelijke voorafgaan) zijn gepasseerd, nu kómt de éigenlijke handreiking over de vér-gaande implicaties (gevolgen) van de lichamelijke verrijzenis van Christus.
Maar helaas, dan stopt het abrupt. Ik zou zeggen: Commissie maak de nota nu eens af door nog eens zo'n 16 bladzijden toe te voegen over wat in de laatste alinea's is aangeduid. Dán zou ook beter kunnen worden ingegaan op de diepte van de vraagstelling van prof. Van Gennep, zoals deze duidelijk is geworden in diens boek 'De terugkeer van de verloren Vader'.
Het gaat écht om meer dan een wettige variatie in wijzen van voorstellingen en verwoording. Inderdaad – de opstanding is in geding – de opstanding in de concrete, reële, bijbelse, joodse zin van het woord.

Ds. S.W. Bijl, Markelo, stelde dat de volgelingen van Jezus na diens dood nooit meer een plek hebben aangewezen waar het lichaam van Jezus was. En een lichaam van een geliefde dode koester je toch! Dat werpt licht op het verhaal. De vrouwen kwamen met de onthutsende boodschap van het lege graf tot de mannen. Waarom zijn wij dan zo sceptisch? Waarom kunnen we nu dit getuigenis niet gewoon doorgeven?
Ds. R. van Kooten, Soest, ging uitvoerig in op de Schriftgegevens bij de evangelisten en bij Paulus. Hij legde sterk de nadruk op het woord zien bij de evangelisten. Johannes ging het graf in. Hij ziet het en gelooft. En bij Paulus ligt de nadruk op het feit dat Christus is opgewekt ten derden dage naar de Schriften. Ds. Van Kooten sloot af met te zeggen: 'Bovendien mis ik de betekenis van Pasen zelf! De heilsbetekenis voor nu in de unio cum Christo (vereniging met Christus): dat ik met Hem gekruisigd, met Hem begraven, met Hem opgewekt ben. En ook de verwachting van de toekomende eeuw dat toch een leven zal zijn op de nieuwe aarde met een verheerlijkt lichaam'.
Oud.-kerkvoogd H. Reurink, 't Harde, legde er de nadruk op dat het gaan moet om Wie uit de doden is opgestaan. 'Indien Hij niet, dan wij ook niet. Toen Hij heen ging, had Hij ons op het oog'.

Ten besluite
Tot zover een greep uit de discussie op de synode. Toen de commissie, die het stuk had opgesteld, op de kritiek inging gaf dr. L.J. van den Brom nog eens uitvoerig aandacht aan het (gesloten) natuurwetenschappelijke wereldbeeld. Kennelijk had oud.-kerkvoogd H. Nagel Soepenberg, Haarlem, deze beschouwing met kromme tenen aangehoord. Want bij interruptie zei hij nog eens in enkele glasheldere zinnen, dat het natuurwetenschappelijk wereldbeeld van vandaag allang niet meer zo gesloten is als werd gesuggereerd. In het huidige natuurwetenschappelijk denken is allang afscheid genomen van een bepaald wereldbeeld, op grond waarvan een opstanding uit de doden niet mogelijk zou zijn.

Prof. dr. H.W. de Knijff, lid van de Raad voor de Zaken van Kerk en Theologie, benaderde de kwestie meer fundamenteel bijbels-theologisch. Hij beaamde dat het bij Paulus ook gaat om het 'opgewekt tot onze rechtvaardiging'. Daarom viel hij met name dr. Hoek bij door te zeggen dat de Opstanding niet alleen teken maar ook zegel is. Toen hij had toegezegd dat dit element, samen het gehéél van de kritische opmerkingen, die gemaakt waren, in het voorliggende stuk verwerkt zouden worden lieten de kritici (dr. Hoek en ds. Van Kooten) hun wens om een geheel nieuw stuk te laten opstellen, vallen. Een bijgewerkt stuk zal nu opnieuw de synode (en niet het breed moderamen, zoals eerst is voorgesteld) passeren en dan naar de gemeenten worden gezonden.


Doordenkende over de gevoerde discussie kwamen nog enkele zaken bij mij boven.
1. Ter synode werd gezegd, dat we het feit van de Opstanding beter kunnen vieren dan bediscussiëren. Daarop heeft ds. Berkhof geantwoord, dat er sprake is van een eerste naïviteit (gewoon geloven) en een tweede naïviteit (belijden in de context van de moderne kritiek). Maar dr. Van den Brom sprak al over een boekwerk zo om­vangrijk als de Kirchliche Domatik om alles te verwoorden. Ik moest toen denken aan de belijdenis van Pascal, waarin hij sprak over de God van Abraham, Izak en Jacob, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, niet de God der filosofen. Heel zachtjes zeg ik daarachter en der theologen. Alles kan theologisch zó genuanceerd en beredeneerd worden dat er helemaal geen sprake meer is van bijbelse naïviteit en het geloofsgetuigenis gaat stollen tot een theologisch idee. Laten we maar eenvoudig nazeggen wat de Schrift vóór zegt. Dat het geloof dan soms door aanvechting en twijfel heen gaat is waar. Maar de Heilige Geest leert toch ook vandaag het nochtans van het geloof in het wetenschappelijk onverklaarbare. Misschien mag dat dan de derde naïviteit heten. Laat de theologie hier hoedster van het geheimenis zijn. Zo niet dan komt ze in de buurt van de 'Hure Vernunft' (Luther).
2. De theologie is maar al te vaak nog gevangen in een wereldbeeld dat opgeroepen is door een geseculariseerde wetenschap. Nog afgezien van het feit dat het gesloten wereldbeeld vandaag al weer is achterhaald, wordt maar al te weinig beseft dat de natuurwetenschappers van het eerste uur juist in het geloof in Gods Openbaring in de wetenschap hebben gestaan en vandaaruit de grenzen van de wetenschap hebben aangegeven en hebben beleden dat het hart zijn redenen heeft die de rede niet kent (Pascal). Het zou heilzaam zijn als eens expliciet aandacht zou worden gegeven aan de verhouding van geloof en wetenschap zoals dat bij de grondleggers van de natuurwetenschap in de 16e eeuw heeft gefunctioneerd. We zouden van de kramp van natuurwetenschappelijke bevangenheid worden bevrijd.
3. Hopelijk mondt de discussie, die nu gevoerd is, uit in een belijdend, getuigend stuk. De pagina' s over het wereldbeeld zouden aanmerkelijk kunnen worden bekort en vervangen kunnen worden door een getuigende lofzang op het feit dat de Heere waarlijk opgestaan is; lichamelijk, met een verheerlijkt lichaam, om de garantie te zijn van onze totale verlossing. Opdat de gemeente wordt geleid in de grazige weide van het Woord. We mogen, na de gevoerde discussie hoop hebben dat er 'nochtans' iets goeds uit komt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Over de lichamelijke verrijzenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's