Uit de Pers
Rumoer rond bestuur en beheer
In een deel van onze kerk, vooral in de rechterflank, is nogal rumoer ontstaan over de voorstellen die van de zijde van de synode op de kerkeraadstafels zijn beland betreffende de wijziging van Ordinantie 16 en 18. Deze Ordinanties regelen respectievelijk 'de kerkelijke financiën' en 'het toezicht' op deze financiën. Om het sterk vereenvoudigd te zeggen voor de lezers die zich tot op heden niet of nauwelijks in deze materie hebben kunnen of willen verdiepen: blijft het beheer van de stoffelijke goederen en gelden van de plaatselijke gemeente in handen van het college van kerkvoogden (en notabelen) voorzover in zulk een gemeente de nog niet aangepaste beheersvorm van de kerkorde van 1951 is ingetreden òf zullen straks de gemeenten waar men nog altijd kerkvoogden heeft, verplicht worden over te gaan tot de éne beheersvorm waarbij kerkvoogden ouderling-kerkvoogden zullen gaan worden? Dit laatste is reeds in twee derde deel van de Hervormde Kerk het geval. Opmerkelijk is, dat tot nog toe in vooral het rechterdeel van onze kerk op dit punt de kerkorde nog altijd niet wordt nageleefd. De trouwe lezers van ons blad hebben een aantal weken geleden een zeer uitvoerig exposé van het hoofdbestuurslid mr. G. Holdijk over deze materie kunnen lezen. Daarnaast is de tegenstem gepubliceerd van de kerkvoogdij van de Hervormde Gemeente in Putten. In het 'Gereformeerd Weekblad' van 16 november 1990 stond een artikel te lezen van de hand van ds. W. van Gorsel met als opschrift 'Waar komen de kerkvoogdijen vandaan?' Het lijkt me goed voor de meningsvorming in dezen, mede ook ter voorbereiding van de landelijke vergadering die het hoofdbestuur heeft uitgeschreven voor D.V. zaterdag 15 december in Barneveld, te luisteren naar de stellingname van ds. Van Gorsel, historisch en tegelijk principieel. Eerst geeft hij een stukje historische achtergrond.
'Een oude kwestie
Het vraagstuk van het beheer der kerkelijke goederen is al heel oud. Tot 1795, het jaar van de Franse Revolutie, was het nauwelijks een probleem. Toen kende de overheid aan de "Gereformeerde Kerk", die een monopoliepositie had, alle kerkelijke goederen toe. Maar de Franse overheersing maakte, in naam van "vrijheid, gelijkheid en broederschap" een einde aan die toestand. Alle richtingen werden toen voor de Wet gelijkgesteld en ieder kerkgenootschap zou voortaan verplicht zijn te zorgen voor het levensonderhoud van de predikanten en voor het in stand houden van de gebouwen.
Kerken en pastorieën behoorden niet meer — zoals voorheen — vanzelfsprekend toe aan "de voormaals heerschende Kerk", maar aan de grootste groep ter plaatse. Als gevolg van deze bepaling kwamen voornamelijk in het zuiden tal van monumentale kerken weer in roomse handen! De torens werden eigendom van de burgerlijke gemeenten, een situatie die in de meeste plaatsen tot op de dag van vandaag voortduurt.
Het spreekt vanzelf dat de Hervormden door een en ander voor geweldige financiële lasten kwamen te staan, en dat juist in een tijd van economische teruggang!
"Self-supporting"
Intussen werd de soep nog niet zo heet gegeten als ze was opgediend. De bepalingen werden enigermate verzacht en tot 1802 verklaarde de staat zich bereid de salarissen van de Hervormde predikanten te betalen.
Maar na veel geharrewar — inmiddels was Napoleons broer Lodewijk "koning van Holland" geworden! — werd bepaald dat vanaf 1810 geen overheidsinstantie zich meer mocht bemoeien met kerkgebouwen en pastorieën. Van toen af hadden de kerkelijke gemeenten zelf te zorgen voor het onderhoud van hun gebouwen en voor de bezoldiging van hun kosters en organisten. Alleen voor het predikantstraktement werd nog een toelage uit de staatskas gegeven. Het zogenaamde "Rijks Traktement", ook wel genoemd "de zilveren koorde", omdat het de laatste band symboliseerde tussen kerk en staat, is nog slechts enkele jaren geleden afgeschaft.
Van die tijd af dateert ook de "hoofdelijke omslag", een bedrag waarvoor ieder lidmaat werd aangeslagen, en dat hij verplicht was te betalen, wilde hij lidmaat blijven in volle rechten. Ook deze "kerkelijke belasting" heeft in tal van gemeenten stand gehouden tot diep in onze eeuw, tot ze bijna overal werd vervangen door de meer sympathieke "vrijwillige bijdrage".'
Scheiding kerk en staat: beheerskwestie
Ds. Van Gorsel laat dan zien hoe de tot vandaag toe voortdurende scheiding van bestuur en beheer nota bene zijn achtergrond heeft in de scheiding van kerk en staat opgekomen vanuit de beginselen van de Franse Revolutie.
'Onder staatsvoogdij
De Franse tijd was in alle opzichten een droevige en slechte tijd voor de kerk. Ondanks de grote offervaardigheid die vele gemeenten aan de dag legden, konden ze vaak toch hun voorgangers en gebouwen niet goed onderhouden. In tal van pastorieën werd dan ook armoede geleden. En na de inlijving bij Frankrijk (1810) dreigden nog hardere maatregelen. Maar gelukkig werden deze snode plannen doorkruist door de val van Napoleon.
Koning Willem I, die in 1813 aan de macht was gekomen, scheen het goed met de kerk te bedoelen. De Grondwet bepaalde namelijk: "Aan de christelijke Hervormde Kerk wordt bij voortduring verzekerd de voldoening uit 's lands kasse van alle zodanige tractementen als voormaals zijn betaald geworden". Maar achteraf bleek de koning voor die schijnbare vrijgevigheid een hoge prijs te vragen. Hij eiste inspraak in alle kerkelijke zaken en legde de vaderlandse kerk een bestuursvorm op die vreemd was aan het wezen van die kerk: de zo berucht geworden Reglementenbundel, die tot 1951 van kracht zou blijven...
De Reglementen hadden slechts ten doel dat de kerk goed werd bestuurd. Over de leer werd geen enkele uitspraak gedaan. Ook het beheer van de kerkelijke goederen was van het bestuur gescheiden. Dàt vertrouwde Koning Willem I, of althans het departement, toe aan plaatselijke kerkvoogdijen, die weer onderworpen waren aan een provinciaal College van Toezicht. En boven deze tien provinciale colleges stond niet de Synode, maar het ministerie van eredienst. In feite was de koning "opperkerkvoogd".
Deze toestand heeft voortgeduurd tot 1862, toen de laatste minister van eredienst aftrad.
In 1866 werd bij Koninklijk Besluit ook het beheer van de goederen aan de kerk overgedragen. Men had de keuze tussen vrij beheer of toezicht. Ongeveer 400 kerkvoogdijen kozen voor het eerste, de andere 800 voor het laatste.
Het is onjuist wanneer soms wordt beweerd dat de Koning het beheer aan de Kerk teruggaf. Er kon immers van teruggave geen sprake zijn, omdat de plaatselijke gemeenten nooit het beheer hebben gehàd, want dat was vóór 1795 in handen van de overheid. Pas als gevolg van de scheiding van kerk en staat kon de "beheerskwestie" ontstaan.'
Principieel?
Had men in de kerk veel verweer tegen de door de koning opgelegde organisatie, ook en juist in het gereformeerde deel van de Hervormde Kerk?
'Zwak protest
We kunnen ons heden ten dage nòg verwonderen over het feit dat de kerk, vrijwel over de hele linie de nieuwe organisatie zó gelaten heeft aanvaard. Er is tegen de bevoogding van de kerk door de overheid nauwelijks geprotesteerd. Alleen de Classis Amsterdam liet in 1816 een waardig protest horen, waaruit bleek dat de bedoeling uitstekend werd doorzien. Maar verder boog men het hoofd of klonk het protest uiterst zwak.
Die gelatenheid was er ook inzake het beheer van de kerkelijke goederen. Slechts een enkele kerkeraad weigerde het hoofd in de schoot te leggen. In Amsterdam bijvoorbeeld had reeds in 1810 de kerkeraad het beheer in eigen hand genomen, en ook onder de nieuwe organisatie weigerde hij dat beheer uit handen te geven, tot diep in de 20ste eeuw toe! En in mijn eerste gemeente. Oude Tonge, heeft de kerkeraad, onder leiding van de bekende ds. J.J. Ie Roy (1813-1850), geweigerd een kerkvoogdij in te stellen en tot op de dag van vandaag bestaat dat "instituut" er nòg niet! Pas zo'n halve eeuw geleden is er een Commissie van Beheer in het leven geroepen om de "stoffelijke belangen" te behartigen, maar deze is volledig verantwoording schuldig aan de kerkeraad. Maar dat zijn slechts een paar uitzonderingen, die de regel bevestigen.
Onbegrijpelijk
In het licht van de geschiedenis is het voor mij een beetje een raadsel, dat juist in dàt deel van de kerk, dat opkomt voor Schrift en belijdenis, vandaag de dag zoveel verzet is tegen de afschaffing van het "vrije beheer". Wanneer men bedenkt dat de kerkvoogdijen zijn ontstaan uit het beginsel van de scheiding van kerk en staat, en dat die kerkvoogdijen hun bestaan te danken hebben aan het staatscreatuur dat Koning Willem I de kerk van bovenaf oplegde — een organisatie, die vreemd is aan het wezen van de kerk! — dan kan men toch deze vorm van beheer niet op bijbelse gronden verdedigen?
Christus regeert Zijn Gemeente door middel van de ambten, dat wil zeggen, door middel van de kerkeraad. Dan kan er mijns inziens naast de kerkeraad niet een instantie bestaan die los van de kerkeraad en soms zelfs tegen het beleid van de kerkeraad in, zeggenschap heeft over de "stoffelijke goederen". Maar misschien ben ik nu bezig te vèr gaande conclusies te trekken uit de les van de geschiedenis...'
Er is, denk ik, tegen deze visie van ds. Van Gorsel niet zoveel in te brengen. In 'Delen of helen?' van de hand van ir. J. van der Graaf staat op pagina 56 te lezen dat ds. I. Kievit op 17 augustus 1922 op een vergadering van bij het 'convent' aangesloten kerkeraden de scheiding van bestuur en beheer kritiseert. 'De kerkeraden komt ook het beheer van de stoffelijke goederen toe en al is in de praktische situatie niet zo gemakkelijk verandering aan te brengen, kerkvoogdijen dienen wèl nauw met de kerkeraden samen te werken', aldus ds. I. Kievit op genoemde vergadering.
Voorzichtigheid
Dat er toch zoveel tegenstand leeft in veel gemeenten waar 'oud toezicht' of 'vrij beheer' bestaat, heeft minder een principiële dan wel een psychologisch verklaarbare reden. De angst voor Samen op Weg is kennelijk zo groot (en ik begrijp die angst voor een belangrijk deel heel goed) dat men in ieder geval de kerkelijke goederen en financiën buiten, wat men wel noemt, de macht van de landelijke kerk wil houden. In veel Hervormd-Gereformeerde gemeenten leeft het gevoel: we hebben nog één pijl op onze boog om het niet begeerde proces van SoW te dwarsbomen en dat is dat we als kerkvoogden buiten de greep van de macht van hogere organen kunnen blijven door ons niet aan te passen aan de kerkorde op dit punt.
Om misverstaan te voorkomen: dat dwarsbomen heeft niets te maken met een weigerachtige solidariteit met het geheel van de kerk, maar wordt ingegeven door een grote zorg voor het toekomstig gereformeerd karakter van onze kerk in de confessionele zin van het woord. Uiteindelijk wil het verzet dus toch principieel geladen zijn. Ook al zijn er bij deze stellingname vragen te stellen, toch zullen we er goed aan doen rekening te houden in onze kerk met deze diep liggende bezwaren. Wanneer daar overheen gewalst wordt met een overgrote meerderheid, kunnen we weleens moeilijke jaren tegemoet gaan in veel gemeenten van onze kerk. Het zal goed zijn elkaar op principiële en historische gronden duidelijk te maken dat 'bestuur en beheer' in één hand horen te zijn. Stoffelijk en geestelijk zijn niet echt van elkaar te scheiden als het gaat om de regering van Christus' gemeente. Opnieuw wordt intussen duidelijk hoe ver soms de afstand is tussen wat leeft in de plaatselijke gemeenten èn wat 'hogerop' in de kerk wordt aangedragen en voorgesteld. We hebben ons ervoor in te zetten dat deze voor een deel van onze kerk zo zwaarwegende zaak met beleid wordt opgelost en niet wordt doorgedrukt. En voor ons als Hervormd-Gereformeerden zal het nodig zijn werkelijk door te vragen naar onze principes in dezen. Zijn ze werkelijk bijbels geladen en confessioneel te funderen? Of speelt al teveel kerkpolitiek in deze, bewust of onbewust, een rol?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 november 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's