Christelijke ethiek vandaag
Een tweetal publicaties
Het heeft er veelal de schijn van dat onze tijd bepaald niet gunstig is voor de ontwikkeling van christelijke ethiek. Deze wil systematische bezinning op goed en kwaad doen plaatsvinden op basis van de Heilige Schrift als Gods gezaghebber, de openbaring. Helaas wensen velen binnen de keuken niet meer onvoorwaardelijk te buigen voor het gezag van Gods Woord. Ze zeggen: 'de Bijbel bevat Gods Woord' of: 'de Bijbel is een menselijk getuigenis aangaande Gods Woord, een feilbare menselijke oorkonde van de openbaring? Dit betekent in de praktijk dat er selectief met de Schrift omgegaan kan worden. Bepaalde bijbelse gegevens worden wèl aanvaard, andere worden als achterhaald en tijdgebonden terzijde geschoven. Sommigen gaan nog een stap verder: in de ethiek wensen ze alleen met rationele (redelijke, verstandelijke) argumenten te werken. De Bijbel speelt dan eigenlijk geen enkele rol van betekenis meer in de ethiek.
Gelukkig wordt er ook in onze tijd dwars tegen deze hoofdstroom in nog gewerkt aan voluit christelijke ethiek. Op een tweetal publicaties, die daarvan getuigenis afleggen wil ik in dit artikel gaarne de aandacht vestigen.
Velema: oriëntatie in de christelijke ethiek
Van de hand van de bekende Apeldoornse hoogleraar verscheen dit boek, dat een inleiding wil bieden tot een aantal problemen die voor de christelijke ethiek fundamenteel zijn. Zo gaat Velema in op onder andere de veelzijdigheid van het ethische, de samenhang van en het onderscheid tussen dogmatiek en ethiek, de vragen rond de toepassing van Gods normatieve wet in de wisselende situaties waarin mens en wereld zich bevinden. De schrijver voert een krachtig pleidooi voor het eigene van de christelijke ethiek. Mijns inziens volkomen terecht staat hij een aparte christelijke ethiek voor, die overigens zoveel mogelijk het kontakt en de communicatie met andersdenkenden moet zoeken. Andere hoofdstukjes zijn: casuïstiek, het geweten, adiafora, botsing van plichten en het compromis.
Het boek is vergelijkbaar met een andere inleiding tot de christelijk ethiek. Verantwoord handelen, geschreven door prof. dr. J. Douma. Het is verhelderend beide boekjes naast elkaar te gebruiken. Opmerkelijk is de grote overeenstemming in principieel opzicht. Op één punt verschilt Velema met Douma van mening. Het gaat dan over de botsing van plichten, bijvoorbeeld wanneer kinderen de gehoorzaamheid aan hun ouders moeten opzeggen omdat deze hen bevelen iets te doen wat tegen Gods wil ingaat. Hier schijnt de gehoorzaamheid aan het vijfde gebod te botsen met de liefde tot God boven alles. Overbekend is ook het voorbeeld van mensen die gedurende de Tweede Wereldoorlog onderduikers in huis hadden. In geval van huiszoeking door de Duitsers ontkenden zij de aanwezigheid van die onderduikers. Hadden ze hun schuilplaats verraden, dan hadden ze het zesde gebod overtreden, maar nu spraken ze opzettelijk onwaarheid en kwamen daardoor in botsing met het negende gebod!
Douman heeft hierover geschreven (Van-antwoord handelen, blz. 128): 'Iemand kan genoodzaakt zijn de gehoorzaamheid aan zijn ouders op te zeggen, maar dan kunnen we nog niet zeggen dat hij in strijd komt met het Vijfde Gebod. Want God gebiedt hem in die situatie juist om zijn ouders niet te gehoorzamen. Wie van alle geboden in de Dekaloog absolute wetsparagrafen maakt, die los te denken zouden zijn van de Wetgever, moet wel tot de conclusie komen dat het Derde Gebod gehoorzaamd en het Vijfde overtreden kan worden op hetzelfde moment (nl. wanneer een kind weigert op bevel van zijn ouders te vloeken, J.H.). Maar wie gelooft dat hij doet wat God op een concreet moment vraagt, houdt deze botsing van plichten voor onmogelijk. Dan zou er van dualisme in God gesproken moeten worden. Hij zou van ons op hetzelfde moment volstrekt tegenstrijdige dingen vragen.'
Douma maakt dan — in navolging van o.a. Voetius en Geesink — binnen de Tien Geboden, onderscheid tussen geboden die 'absoluut' genoemd kunnen worden omdat ze onder alle omstandigheden gehoorzaamd moeten worden (bij. het 1e, 2e en 3e gebod) en andere geboden, zoals het vijfde en negende, waaraan niet dezelfde absoluutheid kan worden toegekend.
Velema stelt zich vrij scherp tegenover Douma op. Hij bespeurt bij Douma een bepaalde relativering van de geboden. In bepaalde situaties zouden bepaalde geboden niet van kracht zijn. Dat betekent dat die geboden gerelativeerd worden in de situatie. Velema vindt dit een vèrstrekkende stelling. Hij stelt tegenover Douma: het gebod van God blijft in elke situatie van kracht, maar het kan zijn heilzame uitwerking niet hebben omdat mensen het misbruiken in hun zonde (blz. 130).
Douma heeft zich in het Nederlands Dagblad van 23 juni 1990 tegenover Velema verweerd. God zegt niet tegen een kind: 'Je moet zowel Mij (Derde Gebod) als ook je ouders (Vijfde Gebod) gehoorzamen'. God zegt niet tegen Nederlanders die bedreigde landgenoten onder de vloer of waar dan ook verborgen hielden: 'Jullie hebben de plicht jullie onderduikers te redden, maar tegelijk ook de plicht nooit te liegen.' God legt ons geen tegenstrijdige, elkaar uitsluitende plichten op. Dat betekent dat in bepaalde situaties het ene gebod moet wijken voor het andere gebod. Richtinggevend is daarbij de hoofdsom van de Wet: liefde tot God bovenal en tot de naaste als onszelf.
Interventie
Ook drs. J.P. de Vries heeft in deze boeiende discussie een verhelderende bijdrage geleverd (Nederlands Dagblad, 11 augustus 1990). Met veel inlevingsvermogen in de motieven van beide discussiepartners stelt De Vries: Douma deinst ervoor terug dat de een-voudige God ons in bepaalde concrete situaties een tweevoudig gebod zou geven en er dus een echte botsing van plichten zou ontstaan. Er is toch geen tegenstrijdigheid in of bij God? (Ex. 3 : 14; Jak. 1 : 17; art. 1 N.G.B.). Anderzijds wil Velema niet dat er gemorreld wordt aan het absolute karakter van Gods geboden en ziet deze in Douma's positie een tendens in de richting van relativering van de Tien Geboden in hun betekenis voor deze tijd. De Vries zoekt de uitweg uit dit dilemma in een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de betekenis en strekking van elk van de geboden. Zo is het bijvoorbeeld bij het Vijfde Gebod opmerkelijk dat er staat 'Eert uw vader en uw moeder'. Het woord 'gehoorzamen' wordt hier niet gebruikt. In normale omstandigheden zal 'eren' neerkomen op gehoorzamen. Maar als kinderen volwassenen geworden zijn en het ouderlijk huis verlaten hebben, is van gehoorzaamheid in strikte zin geen sprake meer (vgl. Gen. 2 : 24). 'Zo zullen we ook moeten aankijken tegen de extreme situatie dat een kind door zijn ouders tot zondigen wordt aangezet. Gehoorzamen zou dan zonde zijn, maar wordt dan door het Vijfde Gebod ook niet geëist: de brede strekking heeft hier een grens. Tot eren blijft het kind wel verplicht: daarin is het gebod absoluut.'
Ook bij het Negende Gebod is het van belang in te zetten bij de specifieke letterlijke betekenis. Het gaat immers in eerste instantie om het afleggen van een getuigenverklaring voor de rechtbank. Wie vals getuigt tegen de naaste, schendt dit gebod. Dit geldt dan in wijde strekking van alle vormen van liegen 'tégen de naaste'. De diepe zin van het Negende Gebod is: 'u mag uw naaste niet door uw spreken schade toebrengen.' De Bijbel geeft er verschillende voorbeelden van dat de waarheid verzwegen wordt omwille van de bescherming van de naaste (Ex. 1 : 20; Hebr. 11 : 31). Sifra en Pua worden hierom geprezen! De conclusie van De Vries luidt: 'het letten op de letterlijke tekst, die we absoluut moeten nemen, kan ons wel helpen om, Schrift met Schrift vergelijkend, zicht te krijgen op de grenzen van die reikwijdte.'
Ik acht dit een meesterlijke interventie van De Vries tussen Velema en Douma! Het lijkt mij dat er inderdaad van een echte botsing tussen twee geboden van God geen sprake kan zijn. Maar dat wil dan niet zeggen dat het ene gebod absoluter geldt dan het andere. De strekking van de afzonderlijke geboden kan alleen in samenhang met de andere geboden bepaald worden. Gods Wet is immers geen verzameling losse artikelen en bepalingen, maar een samenhangend, organisch geheel.
Het mag duidelijk zijn dat het boek van Velema hartelijk kan worden aanbevolen als een goede bijdrage tot voortgaande bezinning binnen de christelijke ethiek.
Douma: Ethiek en recht
In de serie Ethische Bezinning, geheel van de hand van de vrijgemaakt-gereformeerde Kamper hoogleraar J. Douma, verscheen deel 15, 'Ethiek en recht'. Vijf onderwerpen komen hierin aan de orde: het natuurrecht, mensenrechten, strafrecht, de doodstraf en apartheid.
De samenhang tussen deze hoofdstukken is vrij los, maar de vlag van de titel dekt toch wel de lading van het gehele boekje. Het eerste hoofdstuk biedt Douma de gelegenheid zijn visie, die eerder werd ontvouwd in de publicatie 'Natuurrecht — een betrouwbare gids?', te actualiseren. De term 'natuurrecht' verwerpt hij als verwarringwekkend. Toch is er door Gods werking in de harten van alle mensen nog veel 'natuurlijk', zodat er een draaglijke samenleving is mogelijk gebleven in een door de zonde geteisterde wereld. Christenen varen niet op het kompas van de ratio (de rede), maar halen hun wijsheid uit de Schrift, met een hen daarvoor door Gods Geest geschonken inzicht. Maar waar christenen en niet-christenen een gemeenschappelijke taak hebben, kan er sprake zijn van overeenstemming op basis van 'redelijke' verantwoording. Er blijken gemeenschappelijke beseffen te zijn van wat goed en wat kwaad is. 'Beseffen' vormen echter nog bepaald geen compleet 'natuurrecht'.
Positief kritisch wordt over 'mensenrechten' geschreven. De opmerking dat wij tegenover God geen rechten, maar alleen plichten hebben, acht Douma onjuist. 'De mens kan tegenover God geen beroep doen op inherente rechten, die hem van nature zouden toekomen. Maar hij kan wel pleiten op rechten die God hem verleend heeft, en die daarom door zijn naaste erkend moeten worden.' Rechten, tegenover God zijn dus altijd uit genade verléénde rechten. Mensenrechten vloeien daaruit voort dat Gòd met alle mensen een relatie onderhoudt. We moeten de Bijbel niet annexeren voor de mensenrechten (Douma trekt dan ook niet zoals Velema direkte verbindingslijnen tussen de Tien Geboden en mensenrechten). Verdediging en bevordering van mensenrechten leiden niet tot een werkelijke gezondmaking van de wereld. Wèl moeten christenen zich om de wereld bekommeren, omdat God en Christus dat ook doen. Daarbij hoort dan ook de verdediging van mensenrechten. Interessant zijn ook de hoofdstukken over strafrecht en doodstraf Douma acht de doodstraf op grond van de Schrift te verdedigen. Maar als deze weer zou worden ingevoerd, zou hij minder vaak voltrokken moeten worden dan in de bijbelse tijd op grond van de Mozaïsche wetgeving het geval was. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de doodstraf in tijden van oorlog. De totale afschaffing van de doodstraf is niet anders dan een mooi-weerwetgeving, waaraan men zich in stormgetij niet zal houden (J. Remmelink).
Het boekje sluit af met een zeer evenwichtige verhandeling over apartheid. Apartheid is een onaanvaardbaar systeem. Het vertoont heel duidelijk een gerichtheid op het eigenbelang van de blanke minderheid. Apartheid kan niet verdedigd worden met een beroep op de van God gewilde verscheidenheid. Echter, de kerk moet in haar strijd voor nieuwe, rechtvaardige structuren de macht van het Woord en niet, zoals in het Kairos-document van 1985 gebeurd is, die van gewelddadige middelen aanprijzen. De leiders van de verschillende volken zullen met gelijke rechten rond de tafel moeten plaatsnemen om gezamenlijk naar een oplossing te zoeken. De rechten van de minderheden zullen beschermd moeten worden. Terecht stelt Douma dat in Zuid-Afrika ieder deel uitmaakt van een minderheid! Het is dan ook heel idealistisch om zonder meer uit te gaan van het 'one man one vote'-principe. Er zullen bijzondere maatregelen dienen te worden getroffen om alle individuen, groepen en volken tot hun recht te laten komen. De situatie in Zuid-Afrika is zeer ingewikkeld. Gemakkelijke oplossingen bestaan slechts op papier en in theorie. Duidelijk is in elk geval dat 'apartheid' het sleutelwoord voor een nieuw Zuid-Afrika niet meer zijn mag, al moet de verscheidenheid gerespecteerd en beveiligd worden.
Ik heb uit de verschillende hoofdstukken van Douma's boek enkele kerngedachten aangegeven. Het moge volstaan als 'smaakmaker', zodat u zelf naar dit boek grijpt. Aan de auteur is een gelukwens op zijn plaats vanwege de gestage voortgang van de reeks Ethische Bezinning.
Besproken boeken: Dr. J. Douma, Ethiek en Recht (Ethische bezinning 15), Kampen 1990, 127 blz.
Dr. W.H. Velema, Oriëntatie in de christelijke ethiek (Theologie in reformatorisch perspectief I), 's-Gravenhage 1990, 160 bIz.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's