Mijn tankje is leeg...
Wij zaten tegenover elkaar in de stille kamer van de inrichting. De regen tikte droefgeestig tegen de holle, hoge vensters van het oude gebouw. Buiten soezelde de wind door de bomen en in de diepte op straat zag je de mensen gebogen voorbij gaan. Maar het was erg stil in dit vertrek, zodat het gesprek zich rustig kon ontwikkelen.
Het was een van die voorname naturen, die je midden in de gemeente nogal eens aantreft. Zeer smaakvol gekleed. Met een welsprekend handgebaar vertelde ze haar levensgeschiedenis. Gescheiden. Alleen gelaten door haar man. Waarom? Een groot geheim, zei ze. Vermoedelijk kon hij er niet tegen, dat ik nogal eens ziek was. Toen is de wind in zijn hoofd gevaren en nu is hij er met een toneelspeelster vandoor gegaan. Een echte troela. En weet u, wat nu zo gek is? Hij komt nog altijd in de kerk en dan zie ik hem helemaal aan de overkant zitten. U vindt het misschien heel gek, dominee, maar ik kijk hem uit de verte nog aan. Hij ontwijkt dan schichtig mijn blik, maar ik gevoel dat hij mij wel ziet. Hij heeft heel doffe ogen, blikken ogen. Neen, zei ze: poppenogen. Het is zo'n stumper geworden. Ik houd nog steeds van hem en bid nog vol overgave voor hem. Ik ging gedwongen alleen verder en heb aan de Heere gevraagd of Hij mij verder wilde helpen. Onze oude dorpsdominee met wie ik sprak, toen ik bij hem op catechisatie was, zei voordat wij trouwden in een stil moment tegen mij: Mien, Jan is een knappe jongen. Maar ik geloof niet, dat hij zo standvastig is. Wat heeft hij gelijk gekregen!
Kijk, en toen Jan mij alleen liet, heb ik tegen de Heere gezegd: Op U verlaat ik mij. Ik klem mij aan U vast, geheel en al. U bent mijn enige Toeverlaat. Met mijn twee kinderen moest ik voort. Ik kreeg wat ondersteuning en de rest verdiende ik erbij om mijn kinderen netjes te kunnen kleden. Het zijn schatten. Zo ben ik het ergste doorgekomen met de Heere en vooral met het Onze Vader. Weet u, dat Onze Vader is een kracht voor mij geweest. Alles zit er in. Vooral wanneer je de catechismusuitleg daarvan leest, zie je wat voor een inhoud het heeft. Dat heb ik jaren gedaan. Door de regels van de uitleg van het Onze Vader heen, zoals de catechismus dat zegt, heb ik ook mijn noden en behoeften voor de Heere neergelegd. En hoewel er emmers tranen door mij gehuild zijn, ik ben niet omgekomen. De Heere heeft mij geholpen. Het viel ons op dat de handen gevouwen waren in de loop van het gesprek, terwijl haar levensgeschiedenis voortging.
Maar nu, ben ik òp. Daarom ben ik ook hier. Alle reserve is verbruikt. Ik kan niet meer. Ik zie de Heere niet meer. Alles is donker en duister om mij heen geworden. Soms denk ik, hoe heb je toch geleefd? Moe, moe ben ik van alles wat er gebeurd is. Ik kan nergens meer bijkomen. Ik zit bij een groot gat. Leeg, donker en dood.
In welgekozen zinnen vertelde ze dit alles. Met een taalgevoel en een distinctie, die het geheim van sommige vrouwen is. Stil dachten wij, als er heldinnen van het geloof zijn, zit er hier één voor mij.
Het bleef stil in de kamer. In de verte speelde een carillon. Toen ging ze voort: Ik moet dikwijls denken aan die eerste regel van het Onze Vader. De catechismus vraagt dan: waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt? Opdat wij van de hemelse majesteits Gods niet aards denken, en van Zijn almacht alle nooddruft der lichaams en der ziel verwachten.
Vroeger zei onze dominee: Wanneer denken wij aards van God? Wij denken aards van God, als wij menen, dat Hij ons iets onthoudt, omdat Hij het ons niet gunt, of dat Hij onze noden niet begrijpt! Nu, dat denk ik in deze toestand ook wel eens. God is weg. Het is alles weg. Mijn tankje is leeg. Ik heb totaal geen gevoel meer. Ik ben dood. U moet niet denken, dat ik in opstand ben. O neen, ik geloof wel alles, maar ik heb nergens gevoel van, noch van de gunst, noch van de toorn van God, noch van de hemel, noch van de hel, noch van Godzaligheid, noch van zonde. Alles is mij alsof ik het eens gedroomd had. Ik ben in een Egyptische duisternis. Noch uit het Woord, noch uit de preken gevoel ik iets. Straf beweegt mij niet. Troost verblijdt me niet. Ik ben alleen een houten bezemsteel.
Wij konden een glimlach niet onderdrukken. Wat een trefzekere beschrijving van geestelijke dodigheid. Is het ooit beter weer te geven? Wij begonnen met te antwoorden, dat veel godvrezende mensen in deze zelfde toestand zijn geweest. U zult de laatste niet zijn. Dat moet u nu als punt van uitgang nemen, dat er toch nog hoop voor u is.
Weet u, het is met u niet zo ellendig als u denkt. U gaat enkel op de emoties leven. U houdt de gevoeligheid van de aandoeningen voor het leven. Maar dat is helemaal verkeerd. Het komt niet op het gevoel allereerst aan. De verstandige wil naar God en de weg Gods tot zaligheid door Jezus Christus – dat is de eerste uitgang der vereniging der ziel met God, waarin het geestelijk leven der ziel bestaat. De koele heldere overlegging der ziel in uitgang naar de Heere, het neerwerpen van uzelf voor uw Koning in het duister van de nacht, dat is geloofsleven. Laten wij eens kijken, goddelozen houden het met goddelozen, schijnvromen met schijnvromen. Als u helemaal dood was, zoudt u met hen dezelfde liefde en haat hebben. Maar het is van binnen in u geheel anders. U eert degenen, die de Heere vrezen. U hebt lief degenen, die de Heere vrezen. Uw hart verenigt zich met hem in de liefde. Gaat uw begeerte niet uit naar nieuw leven? Zenuwachtig trilden haar handen op de tafel. Er klonk door de kamer een stille zucht!
Hoe komt het toch, dat ik van u één klacht hoor over uw dodigheid en ellende? Een dode gevoelt toch niet? Uw droefheid over uw leegte van binnen toont toch dat er leven is? 'k Wed, dat u nog elke dag bidt om nieuw leven!
Ja, klonk de stem aan de overkant van de tafel. Ik vraag nog iedere maal of de Heere mij weer een druppeltje olie in mijn tankje geeft. Ik bid zelfs elke dag voor mijn boze man. Ik vraag ook of hij de troela bekeert, maar dat heb ik niet altijd gedaan. Ik heb ze allebei dood gewenst. Nu durf ik dat niet meer. Ik was o zo verhard. Maar ik heb nu geleerd, dat de Heere heilig is in de kastijdingen van zijn volk. Ja, ik meen zelfs, dat de Heere zich nu aan mij ontrekt om de gemeenschap met God weer op volle prijs te stellen. Ik verlang toch weer naar Hem. Ik smeek om zijn tegenwoordigheid in Christus. Weet u, dominee, in deze donkere tijd, denk ik vaak aan mijn vader. Dat was een godvrezend man. Hij was visser van beroep. Hij leefde heel dicht bij God. Als kind moest ik hem nogal eens helpen met zijn gereedschap schoon te maken. Wij zaten dan op het plaatsje achter het huis. Daar heb ik hem menig keer horen bidden tot Zijn hemelse Vader. Toen ik op een keer vroeg, wat hij toch allemaal aan God vroeg, zei hij: Ik vraag, Mien, om Gods barmhartigheid over mijn leven. Vergeving van zonden. Daarop komt het bovenal aan. Vergeving en niet op genieting allereerst.
De mensen willen allemaal meemakingen hebben. Opgetrokken toestanden, geestelijke invallen en gezichten. Maar het komt aan op vergeving der zonden. Dat lieve kind, is het voornaamste, het andere is alleen maar vrucht van bijgeloof en wondergeloof. Ik begreep dat allemaal toen niet. Maar na deze woestijntocht van mijn leven begin ik het een beetje door te krijgen. Gods verlating doet ons eerst de verschrikkelijkheid onzer zonde zien. Ik begin daar nu iets van te vatten. Ik weet het wel, mijn verstand is wat overspannen. Daarom ben ik hier. Maar ik heb wel gevraagd: Heere, help mij!
Gelooft u, dat de Heere u helpen zal, vroeg ik? De handen trilden en beefden. Er blonk iets in het oog. Ik wist niet meer, wat ik zeggen moest. Een ziel had haar levenstocht opgebiecht. Wat zou ik nog meer moeten zeggen? Deze ziel zou wel terechtkomen. Door de Heere zelf. Door de verlatenheid heen zou alles ten goede keren.
De tijd was gekomen om afscheid te nemen. Wij gaven elkaar de hand. Nog een paar woorden spraken wij. Er was ook niet veel meer nodig. De vrouwenfiguur stond op van de stoel. Het carillon speelde weer. Zacht deden wij de kamerdeur dicht en gingen de gang op.
Lang nadien zoefde dit gesprek door mijn hoofd. Ik ben er zelfs nu nog niet los van. Een pastoraal gesprek is maar niet een onderhoud. Het is een spiegel in elkaars ziel. Het vermoeit zeer. Zulke gesprekken voer je niet als een routine. Je ziet iets van jezelf
De psychologie weet misschien veel betere technieken. Ach, ik weet het niet zo precies.
U vindt het misschien heel gek, maar sedertdien versta ik, dat echt bidden niet veel meer is dan zeggen: O God, wees mij zondaar genadig!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's