De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

11 minuten leestijd

Gebedsnood
De gebeden van Gods kinderen zijn de kurken waarop de wereld drijft, werd me vroeger als kind geleerd. Als die gebeden ophouden, zinkt de wereld weg in het niets van Godsvervreemding en verduistering. In wat andere woorden heeft ook iemand als Miskotte zoiets gezegd: 'Het breken met het gebed is een beslissing van wereldhistorisch gewicht.'
Ik kwam deze woorden onlangs tegen in een Ingezonden stuk in het dagblad Trouw van de hand van prof. dr. G.H. ter Schegget. Hij schreef dit ingezonden stuk, omdat er in genoemd dagblad geciteerd was uit een interview dat het blad Kerk onlangs (26 oktober) met hem had. Helemaal aan het eind van dat gesprek laat prof. Ter Schegget zich nogal provocerend uit over het gebed. We citeren nu eerst dat fragment over het gebed uit 'Kerk'.

'Bidt u wel eens?
Ik heb pas in één van mijn preken over het Onze Vader gezegd: "Ik neem aan, gemeente, dat u persoonlijk nauwelijks meer bidt". Dat gaf een soort positieve beroering, de mensen zeiden: "iemand zegt dat nu gewoon eens hardop". Mensen brengen dat vandaag niet meer op. Bidden kàn ook haast niet meer in onze cultuur. Als je praat over het innerlijke, spontane bidden — wat ik zo nu en dan ook wel ken, — dan ben ik daar helemaal niet zo tevreden over of trots op. Dat zijn meer religieuze oprispingen die ik niet vertrouw. Die gebedjes kunnen voor het aangezicht van de waarachtige God niet zo bestaan. Ik denk dat menig atheïst in momenten van nood een schietgebedje doet — hoewel hij God ontkent, — en dat menig gelovige op zo'n moment de spraak vergaat.'

Ik schreef al dat Ter Schegget een week na het verschijnen van genoemd interview een nadere toelichting gaf bij deze uitspraak over het gebed. Hij laat weten persoonlijk het gebed van wezensbelang te achten en van levensbelang voor de wereld. Want 'als het gebed ophoudt, dan gaan we er aan'. Ik laat Ter Schegget via genoemd schrijven in 'Trouw' zelf zijn bedoelingen toelichten.

'Hieruit blijkt, hoop ik, hoe ik denk over de betekenis van het bidden voor de mens en de wereld. Dit neemt niet weg, dat bidden voor mensen in onze technologische, no-nonsense cultuur irrationeel, ja onzinnig lijkt. Deze cultuur heeft afgerekend met oncontroleerbare en onberekenbare factoren. Dit is misschien, goedbeschouwd, gericht tegen de God van natuur en geschiedenis, die "alles doet of tenminste toelaat" en in zoverre iets waarmee een bijbels georiënteerd mens kan instemmen, maar het heeft ook (en misschien nog erger) de bijbelse God in zijn geloofwaardigheid aangetast. Dit mag niet terecht zijn, het heeft toch een zuigkracht waaraan niemand zich kan onttrekken, ook ik niet. Bidden valt ons moeilijk.
Het leek mij goed dit eeriijk te zeggen. Ik weet dat er ook veel mensen zijn, die dit graag bespreekbaar willen hebben. We staan daarin niet alleen, we zijn zelfs in het goede gezelschap van de apostel Paulus, die zegt: we weten niet wat we bidden moeten naar behoren.'

Het is goed dat prof. Ter Schegget deze nadere toelichting heeft gegeven. Ik denk dat hij terecht de vinger legt bij de gebedsnood die vandaag bij veel mensen wordt aangetroffen, ook onder ons, al zullen velen het niet zo vrijmoedig durven toegeven als hier wordt gedaan. Prof. dr. K. Runia pakt de opmerkingen van Ter Schegget op in een artikel in het Centraal Weekblad van 23 november. Runia voelt zich voor een deel ook aangesproken door de woorden van Ter Schegget. Hij erkent soms ook mensen tegen te komen die gelijksoortige gevoelens hebben. Prof. Runia schrijft: 'Nog niet zo lang geleden zei iemand tegen me: 'Ik ben maar met bidden opgehouden, want ik merk nooit dat er Iemand naar mij luistert.' Het was duidelijk, dat hij dit niet zei met een opgelucht gevoel. Hij was er eerder wat depressief onder. Het was eigenlijk een moeilijke beslissing geweest, maar hij vond dat hij ze in alle eerlijkheid toch moest nemen', aldus prof. Runia.
En ik denk, als iedere lezer van ons blad eens eerlijk zou opbiechten hoe arm en leeg het vaak niet is in het persoonlijk gebedsleven? Is de onder ons almaar verhardende polarisatie niet mede een gevolg van grote geestelijke armoede, gepaard gaande met biddeloosheid? Zolang je nog samen en voor elkaar bidt, kun je elkaar ook niet afschrijven zoals nu helaas zo vaak wel gebeurt. Wie zou niet wenen?

Gebedsnoodzaak
Prof. Runia reageert naar aanleiding van de woorden van Ter Schegget o.a. door in te stemmen met de suggestie dat het afnemen van het gebed alles te maken heeft met de cultuur, met de tijd waarin we als christelijke gemeente beland zijn. Maar moet je daar dan maar in berusten? Moet je dat dan maar over je heen laten komen en wachten op andere, hopelijk betere, tijden?

'Sommigen zeggen: je moet toch maar blijven bidden. Het is maar een fase in je leven en je komt er straks wel weer doorheen. Blijf maar bidden. Op een gegeven moment zal je toch weer ontdekken, dat het werkelijk de moeite waard is.
Ik geloof dat daar beslist iets in zit. We kennen allemaal perioden in ons leven, waarin het geloof ons niet veel meer zegt. Je gaat wel naar de kerk, maar de preek en de liturgie doen je niet veel. Je leest de bijbel nog wel, maar hel heeft iets mechanisch gekregen en de woorden zeggen je niet veel meer. En zo is het ook met het bidden: Je sluit je ogen, je vouwt je handen en zegt de bekende woorden, maar ze schijnen niet verder dan je eigen kamer te komen. Door alle tijden heen hebben gelovige mensen dit soort perioden meegemaakt en ze zijn er in de regel ook weer doorheen gekomen, omdat op een gegeven moment het "leven" toch weer terugkwam in de dode vormen. (...) Het mag vreemd klinken, maar ook hier weet ik eigenlijk geen ander antwoord dan: toch doorgaan! Wie ophoudt met bidden (en bijbellezen en naar de kerk gaan), raakt God hoe langer hoe meer kwijt. Voordat we het weten is de God-op-afstand de God-achter-de-horizon geworden. Hij is nergens meer en je komt Hem dan ook nergens meer tegen.'

Kan bidden vandaag nog?
Prof. Runia citeert uit een artikel van de in 1987 overleden Chr. Gereformeerde hoogleraar prof dr. J.P. Versteeg. Runia geeft het zelf niet aan, maar het hoofdstuk dat hij bedoelt, is te vinden in 'Het gebed volgens het Nieuwe Testament' (A'dam 1976). Het is hoofdstuk V uit dit boek en er staat boven 'Is bidden vandaag nog mogelijk?' Versteeg somt dan een viertal bezwaren op die in onze tijd tegen het gebed worden ingebracht. Het eerste bezwaar komt van de kant van de psychologie. Bidden zou een uiting zijn van egoïsme. Men ziet het op één lijn staan met de magie. Het volgende bezwaar komt van sociaal-ethische kant. Bidden heet dan een vlucht uit de verantwoordelijkheid voor de samenleving. De mens wil God laten doen wat hij beter zelf kan gaan doen. Een derde tegenwerping komt uit het natuurwetenschappelijke kamp. Bidden berust op een illusie. De wetmatigheden van oorzaak en gevolg liggen zo vast, dat het gebed daar geen vinger tussen kan krijgen. Het vierde bezwaar komt vanuit de theologie. Versteeg wijst dan op het gedachtengoed van bisschop Robinson, die indertijd vrij shockerend overkwam met de stelling dat God niet een persoon boven of buiten onze werkelijkheid is. God is niet een 'Iemand' tegen Wie we zouden kunnen spreken.
Prof. Runia haakt op Versteegs artikel in. Heeft het wel zin als je een wetenschapper bent en eigenlijk inderdaad geen ander wereldbeeld meer kent, dan het gesloten wereldbeeld van oorzaak en gevolg, om toch door te gaan met bidden? Runia geeft terecht aan dat ook niet-wetenschappers veel sterker door dit denken zijn beïnvloed dan ze zelf soms door hebben.

'Het is overigens goed te bedenken dat het op zichzelf niet een nieuw idee is. Wèl in de strikt wetenschappelijke zin, maar niet als idee. In een artikel over "Is bidden vandaag nog mogelijk?" heeft wijlen prof. Versteeg van Apeldoorn er eens op gewezen, dat we de idee zelf ook al tegenkomen in de tijd van het Nieuwe Testament. Hij wijst dan op Seneca, een van de grootste vertegenwoordigers van de Stoa en een tijdgenoot van Paulus. De Stoa (een fdosofische richting) ging ook uit van de gesloten keten van oorzaak en gevolg, maar dan niet in wetenschappelijke zin, maar in de zin van het "fatum", het noodlot.
Seneca schrijft ergens: "Het fatum leidt ons en het eerste uur van onze geboorte heeft er reeds over beslist, hoeveel tijd een ieder nog toegemeten blijft. Oorzaak schakelt zich aan oorzaak, persoonlijke en openbare aangelegenheden zijn in een lange keten met elkaar verbonden." Op een andere plaats zegt hij: "De fata volvoeren wat in hun vermogen is zonder onderscheid te maken. Door geen gebed worden zij bewogen. Geen medelijden doet hen afwijken. Ze kennen geen genade. Onherroepelijk gaan zij voort op de baan die zij eenmaal begonnen, overeenkomstig de orde die voor hen is vastgesteld".'

Prof. Versteeg merkt in zijn boek terecht op, dat nooit gesteld kan worden dat de natuurwetenschappen het gebed onmogelijk en overbodig maken. God is God en geen mens en daarom in Zijn doen nimmer gebonden aan onze natuurwetenschappelijke benadering van de werkelijkheid. Hij is de God van een meerdimensionale benadering van de werkelijkheid. Eenvoudiger gezegd: Hij is de God van het wonder. Hij heet de God die de doden opwekt. Wel, in een keten van oorzaak en gevolg is de dood altijd het einde van zulk een keten. Bij onze God echter niet. Daarom blijft bidden zinvol en gewenst. Prof. Runia vat Versteegs gedachten in zijn artikel aldus samen:

'Het christelijk geloof gaat uit van een volstrekt andere denklijn. De kern van dit geloof is dat God juist wel in deze wereld heeft ingegrepen, zozeer zelfs dat Hij in Zijn Zoon deze wereld is binnengekomen. Het is en blijft Zijn wereld, die Hij draagt in de holte van Zijn hand en die Hij leidt naar Zijn doel. Hoe Hij dat doet, is ons vaak een raadsel. Maar we weten dat het een "goed" doel is: Zijn Koninkrijk. Binnen dit kader blijft er ruimte voor bidden. Wij mogen soms het gevoel hebben dat Hij heel ver weg is, een God-op-afstand. Misschien is Hij dat in bepaalde perioden van ons leven ook wel. Maar "op afstand" wil niet zeggen dat Hij er niet is. In zijn lofzang zingt Zacharias: "Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar Zijn volk en heeft het verlossing gebracht" (Lucas 1 : 68).
Dat is de basis van het gebed. En daarom is het goed om ermee door te gaan, zelfs in een tijd van Godsverduistering.'

Altijd bidden, niet vertragen
Kent de bijbel dan geen begrip voor gebedsmoeite? Bij de voorbereiding van een preek over Lukas 18 : 6-8 bleek me onlangs treffend hoezeer Jezus oog had en heeft voor de moeite om het gebed vol te houden, juist voor Zijn gemeente in de eindtijd. Hij vertelt een tamelijk kleine gelijkenis 'daartoe strekkende dat men altijd bidden moet en niet vertragen'. Kennelijk is Jezus ons zo nabij gekomen, dat Hij onze aanvechting kent om er maar mee op te houden.
De Heiland zegt dan niet vlotweg: wat doet u toch moeilijk? Neen, in een aantal zinnen vertelt Hij een gelijkenis waarmee Hij als het ware de menselijke kansloosheid in het bidden aangeeft. Zo kan een mens zich voelen als hij bidt tot God: gelijk de weduwe tegenover de onrechtvaardige rechter, even weerloos en hulpeloos. Dat je denkt: wat haalt bidden eigenlijk uit. Jezus loopt als het ware met ons mee op in deze gebedsnood. Maar dan zet Hij zich ook ineens, bij de wending in de gelijkenis, vóór ons. 'Zal God dan geen recht doen aan Zijn uitverkorenen die Hem dag en nacht bidden?' Hier getuigt Jezus vanuit Zijn kennis van het Vaderhart van God voor Zijn uitverkorenen, voor Zijn gemeente.
In deze gelijkenis die wil aansporen tot een volhardend gebed, juist en óók in het laatste der dagen, wordt eigenlijk gevraagd: hoe kijkt u tegen uw God aan? Zoals de weduwe tegen de onrechtvaardige rechter? Of naar het getuigenis van Jezus luidt over Zijn hemelse Vader? Voor dat laatste komt het op het geloof aan. Als Jezus komt (Advent), zal Hij dan hèt geloof, dit geloof vinden op aarde? We worden aangespoord te blijven bidden en niet te verslappen. Want de mogelijkheid en de werkelijkheid van het gebed wordt proefondervindelijk ervaren. Maar meer dan ooit hebben we vandaag, in deze kille verzakelijkte wereld, het gemeenschappelijk bidden nodig. Het is waar wat Ter Schegget als laatste regel schrijft in zijn stukje in 'Trouw': 'Het persoonlijk gebed moet worden gedragen door het gebed van de gemeente, anders verkommert het in de kortste keren'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's