De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kinderlijk geloven...

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kinderlijk geloven...

8 minuten leestijd

Ze woonde aan de uiterste grens van de gemeente. Zo ongeveer tussen Gelderland en Holland in. In de gemeente zeiden ze, dat de volksaard daar meer Gelders was dan Hollands. Wij wisten in het begin niet, wat dat nu wel precies was, maar langzamerhand kwamen wij daar wel achter. Gelders betekende iets rommeliger, maar ook iets warmer en gemoedelijker. Hollands had meer de zin van proper en net, maar vooral meer rechtlijnig. Er is nu eenmaal verschil tussen de provincies. Dat is maar goed ook. Er is in de wereld al zoveel precies hetzelfde, dat een beetje variatie goed doet. Katrien was Gelderse van oorsprong, maar Hollands getrouwd. Haar man was al jaren 'weg'. Dat betekende: haar man was al jaren overleden.


Ze leefde daar vrijwel alleen met haar kippen en haar geit. Veel schoons had ze in haar uiterlijk van de Heere niet meegekregen. Het was eigenlijk om te zien een lelijke vrouw. Haar ogen alleen waren wonderlijk zacht en glanzend. Ze wist ook dat ze niet knap was. Want ze bestond het ons eens te vragen: denkt u, dominee, dat ik ook wel eens een aanzoek heb gekregen? Wij wisten niet, wat wij op die vraag moesten antwoorden en lieten het maar in het midden en keken ineens naar de grote spiegel in de kamer. Wij wisten toen niet, dat ze ooit getrouwd was geweest. Ja, vertelde ze ons toen, ik ben met Hannes getrouwd geweest. Dat was toch zo'n beste rnan. Ik had altijd wel getrouwd willen wezen, maar er kwam nooit iemand. En toen eindelijk kwam Hannes. Toch zo'n goede man. Hij heeft zijn moeder aan het eind gebracht en toen op een avond kwam Hannes bij mij en zei tegen me: Wat denk je ervan, Katrien, dat wij samen zouden trouwen? Jong zijn wij beiden niet meer. Knap zijn we ook niet. Ik dacht zo, dat wij samen heel gelukkig zouden kunnen worden, tenminste... O, dominee... hij brak toen zijn zin af. Maar ik wist wel wat hij bedoelde. Hannes vreesde de Heere. Nooit zal ik het vergeten, dominee, maar dat was nu precies waarop ik zat te wachten. Vaak had ik al eens gevraagd of de Heere iemand stuurde. Echt waar, zo heb ik het gebeden en precies zo is het gebeurd. Die lieverd is nu al jaren dood, maar hij had zulk een kinderlijk geloof. Hij praatte soms zo maar in de kamer met de Heere alsof de Heere voor hem op de stoel zat. Alles legde hij dan de Heere voor. Eenvoudig vertelde hij aan God al wat er nodig was. Hij wist, dat God voor het overige zou zorgen. Wanneer ik in het kamertje hierboven bezig was, heb ik meer dan eens zijn gebeden afgeluisterd. Alles bracht hij voor de Heere. Hij bad voor de dominee en de kerkeraad, voor de gemeente en land en volk. En meer dan eens heb ik opgemerkt, dat hij eigenlijk nooit in een bepaalde dreun bad, maar ieders speciale behoeften aan de Heere noemde.


Ik heb ook eens bemerkt, dat hij de dominee goed kende in zijn gebreken. U weet, toen stond dominee Bruyère bij ons. Die liep wat af! Dat vond Hannes niet goed. Dat doet de preek schade, zei hij. Er is stilte nodig voor een dominee. Toen hoorde ik hem een keer zeggen: och, Heere, houd de dominee toch eens meer bij de studie van het Woord. Dat komt de diepte ten goede. Zo legde hij alles neer voor de Heere, ook als wij wel eens ruzie hadden gehad. Ik ben soms zo'n stekelvarken. Hij bracht het naar Boven. En ik dan maar luisteren op het zeil van het zolderkamertje. Ik heb het later wel tegen hem verteld. Maar wat had Hannes toch een kinderlijk geloof!...


Wat vindt u dan wel een kinderlijk geloof, vroegen wij. Waarin bestaat dat dan? Zo vroegen wij aan Katrien. Ja, antwoordde ze, dat is nu het gekke. Ik heb dat aan Hannes ook heel vaak gedaan en gevraagd. Maar ik kan het misschien het beste zo omschrijven. Hannes zei altijd: ik weet helemaal niet of ik een groot geloof heb. Eén ding weet ik alleen, dat ik een grote Heiland heb. Hij had een diep inzicht in de Bijbel en een diepe indruk van God. Hij was altijd bezig met Gods grote beloften en daarbij: hij was diep eenvoudig. De Heere had hem een woord uit Mattheüs op de ziel gelegd. U weet wel, dat woord waar Jezus een kind roept en dat in het midden van de discipelen stelt. Hij zei dan altijd: de Heere wil dat wij kinderen zullen worden. Een klein kind staat daar in de kring van de grote mannen. Het is verlegen, denkt niet iets bijzonders te zijn, het is klein en zwak, voelt zich afhankelijk van hulp van anderen. Zo moeten wij worden, klein als de kinderen, anders gaan wij zelfs niet in in het Koninkrijk der hemelen, laat staan dat wij er groot in zouden zijn.


Eigenlijk, dominee, is hij al meer kind geworden. Als de Heere naar beneden is gekomen om ons te behouden, kunnen wij dan nog trots zijn — zo redeneerde hij altijd. Ergens heb ik de diepte van mijn lieverd nooit helemaal goed begrepen. Wanneer ik al eens aan het piekeren was hoe dit of dat wel moest, droeg hij dat aan de Heere op. Tot in de kleinste dingen toe. Zo waren wij eens de huissleutels kwijt. Nergens konden wij ze vinden. Overal zoeken. Ik werd toen kwaad en zei tegen hem: sufferd, waarom heb je ze niet beter opgeborgen! Hannes bracht die verlegenheid gelovig en kinderlijk tot de Heere en dat gebeurde met zo heel veel dingen. Wij zijn samen wel diep gelukkig geweest, ook al hadden wij geen kinderen...


Maar 't allermooiste, dominee, was toen hij van mij wegging. Hannes is niet lang ziek geweest. Hij zei nooit zoveel. Maar ik bemerkte wel, dat hij veel stiller was dan gewoonlijk. Er kwam een grote glans op zijn gezicht. En toen op een morgen zei hij zomaar ineens tegen mij: Lieve meid, ik geloof dat ik niet lang meer zal leven. De Heere komt met Zijn trekkende liefde zo over, dat ik meen gauw te zullen heengaan.
Steeds gewoner werd hij. Soms zat hij daar, waar u nu zit, tijdenlang te denken. Af en toe las hij, meest uit de Openbaring van Johannes. Dat deed mij wel erg pijn, maar dan zei hij: de Heere laat Zijn kinderen nooit ongewaarschuwd vertrekken. Hij bereidt ze voor op de verschijning voor de troon. Hij zal voor jou ook zorgen. O, wat hij toen allemaal zei over Gods grote liefde in Zijn Zoon, ik heb het allemaal niet onmiddellijk begrepen. Het ging over de vleeswording van Christus, de tweede Adam, die alles herstelde wat de eerste verdierf. In zijn menswording op aarde ligt onze gerechtigheid voor God. Hij werd kind opdat wij kinderen Gods zouden worden. Zijn gezicht straalde van hemelse glans. Ik kan het nooit vergeten.


Een heel lange tijd zaten wij daar. Door het raam zag je over het landschap heen. De stem van Katrien ging verder. Hannes kreeg een zware griep. Eerst had ik er nog zo'n erg niet in. Maar hij werd al benauwder en toen vroeg hij op een middag of ik eens op de rand van het bed wou gaan zitten. Hij bedankte me toen voor de liefde, voor de zorg. Hij kon bijna niet meer en opeens... toen begon hij te danken voor Gods genade. Hij beleefde het helemaal. Hij beleed zijn schuld en zonde. Hij dankte voor de openbaring van Gods Woord. Weet u, wat hij zei — U bent op aarde gekomen in Christus als een kind. Op een bepaald ogenblik wees hij door het raam heen, naar de torenspits van de kerk, die je nu nog kunt zien. O Katrien, zei hij, daar is het gebeurd! Daar, onder de preek heeft de Heere Zijn Zoon aan mij geopenbaard. Dáár is het gebeurd. Nu weet ik het zeker — Hij heeft voor mij de hemelen verlaten, heeft mij opgezocht, 'k Heb mijn zonde Hem gegeven. Voor eeuwig ben ik nu vrij. Hij straalde van hemelse vreugde. Ik geloof dat wij er zo in de hemel zullen uitzien. Een tijd lang zat ik daar op de rand van het bed. Hannes kon gewoon niet meer. Het einde kwam nader. Hij murmelde in het gebed. Het laatste wat ik hem hoorde zeggen was: Ik weet, dat mijn Verlosser...
Toen was hij weg.


Onder dit stralende verhaal was het donker geworden. Wij moesten dringend naar huis. Katrien deed ons uitgeleide. Een enkele groet. Een eenvoudig woord. Over de stille landweg. Een enkele trekker kwam ons voorbij. Een kind. Maar u begrijpt wel dat wij diep onder de indruk thuis kwamen. Kinderlijk geloven — dat is knielen aan de kribbe. Afhankelijk en hulpeloos worden. De narigheid van tegenwoordig is dat je allemaal wat moet worden. Hoog en groot en voornaam. Het eenvoudige is zo zoek. Een oud catechisatieboekje zegt het zo treffend: Welk nut komt ons door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus toe? Omdat Hij God was en mens werd, kon Hij onze Middelaar zijn. Zijn volmaakt leven vanaf het eerste begin, kan bij God voor ons zondig leven in de plaats treden. Kinderlijk geloven en 't Kerstkind — het behoort bij elkaar.

Bijschrift foto: Pieter Bruegel (1522-1569), De prediking van Johannes de Doper.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Kinderlijk geloven...

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1990

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's