Over engelen gesproken
Oriëntatie
Bij de herdenking van Christus' geboorte krijgen ook de engelen wat meer aandacht dan gewoonlijk. We horen van hun betrokkenheid bij de geboorteaankondiging van Johannes de Doper en van Christus. In oude kerstliederen herleven ze voor een ogenblik in de herinnering van velen. Toch is de vraag alleszins gewettigd of de engelen nog wel die plaats in ons leven ontvangen die ze verdienen. Zeker, velen loochenen wel niet het bestaan van engelen, maar het lijkt wel eens of demonen meer tot de verbeelding van de hedendaagse mens met zijn hang naar het occulte spreken dan engelen. De gedachte aan engelenwezens brengt de moderne mens wat in verlegenheid. Horen zulke wezens niet bij een antiek wereldbeeld, waar de kloof tussen hemel en aarde moest worden overbrugd door zulke tussenwezens? Ook de meeste huidige theologen zijn over dit onderwerp erg terughoudend. Al met al voldoende reden om eens wat nader over de engelen te spreken.
Engelen in het Oude Testament
Het OT biedt slechts schaarse gegevens over de wereld van de (goede) engelen. Het Hebreeuwse woord voor engel is malak, dat door de Griekse overzetters is vertaald met angelos, het Griekse woord voor bode. Een malak kan een gewone menselijke bode zijn, zoals in Gen. 32 : 3, maar wordt ook gebruikt voor door God gezonden hemelwezens, de engelen. Van onze bespreking zonderen we één engel nadrukkelijk uit: de Engel des Heeren (de Malak Jahwe). In deze Engel hebben we te doen met de Heere Zelf; Gods Naam is in het binnenste van Hem.
Behalve deze Engel des Heeren is er in het OT dus ook sprake van andere hemelwezens. Het geloof aan het bestaan en de werkzaamheid van zulke hogere wezens is oud-israëlitisch. Steeds is in Israël het besef aanwezig van een engelenheir rondom Jahwe. Israëls God is wel een enig God, maar Hij is niet alleen. De opvatting dat Israël zijn engelengeloof vooral vanuit de Babylonische ballingschap zou hebben meegebracht, waar het joodse volk in aanraking kwam met religies met een sterk ontwikkelde engelenleer (angelologie), is niet staande te houden. Ook voor de ballingschap is de voorstelling dat God wordt omringd door een heir van hemelse wezens, die Hem bij de wereldregering ondersteunen. Hem loven enz. heel gangbaar.
Als Jakob zijn droom heeft bij Bethel, ziet hij 'engelen Gods' op- en neerdalen langs de hemelladder. Ps. 103 : 20 behelst een krachtige opwekking voor de engelen om God te loven: 'Looft de Heere, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn Woord doet'. Lang niet altijd wordt in het OT het woord malak gebruikt om een engel aan te duiden. In Job 1 en 38 b.v. wordt gesproken over 'kinderen Gods', in Ps. 89 over 'heiligen' en in Dan. 4 over 'wachters' waarmee ongetwijfeld engelen worden bedoeld.
Ofschoon de Schrift veel meer de nadruk legt op de eenheid dan op de verscheidenheid bij de engelen, kan onder hen een grote rijkdom aan verscheidenheid worden vermoed. Zo spreekt het OT ons over cherubijnen en serafijnen. De eersten bewaken de ingang naar de hof van Eden, de Heere woont tussen hen (Ps. 80 : 2) en rijdt op hen (zie bijv. Ps. 18 : 11). Hun afbeeldingen staan boven het verzoendeksel. De serafijnen treden op in het roepingsvisioen van Jesaja (Jes. 6). Zij bedienen het altaar en hebben een taak in de dienst der verzoening. In het boek Daniël horen we van twee belangrijke engelen, Gabriel en Michael. In het NT keren deze beide namen terug. En alvast vooruitgrijpend op het NT horen we daar van overheden, tronen en machten in de hemel, van kracht en heerschappij, waardoor ongetwijfeld wordt gezinspeeld op onderscheid binnen de engelenwereld (vgl. Ef. 1 : 21; 3 : 10; Col. 1 : 16; 2 : 10). Nergens biedt de Schrift echter enige grond voor uitgebreide speculaties over allerlei klassen van engelen zoals we die vindeh in de geschriften van Pseudo-Dionysius over de hemelse en kerkelijke hiërarchie en op welk spoor de Roomse kerk is verder gegaan. Augustinus zei niet te weten hoe de engelenwereld is geordend en Calvijn, de grote Schrifttheoloog, verwerpt al dergelijke speculaties terecht. Toch lijkt het ons vanzelfsprekend dat God, Die een God van orde is, onder Zijn talloze engelen, die niet als wij in een familierelatie met elkaar staan, orde heeft aangebracht.
Dat de engelen geschapen geesten zijn is zeker, maar de Bijbel zegt ons niet wanneer ze geschapen zijn. Ofschoon we kunnen aannemen dat de engelverschijningen in lichamelijke, zichtbare gedaante hebben plaatsgehad, vindt de gedachte als zouden engelen lichamen hebben van een bijzondere stof nergens in de Schrift enige grond. Engelen zijn geesten, geroepen tot dienst en lof. Hoezeer de mens naar zijn geestelijke zijde ook verwant moge zijn met de engelen, nergens lezen we dat de engelen zijn geschapen naar Gods beeld. Dat wordt alleen van de mens uitgezegd, die daarmee een uniek schepsel is! Een samenlezen van de bijbelse gegevens leert, dat engelen verstand en wil hebben, dat ze zich verheugen over een zondaar die zich bekeert, dat ze voortdurend bezig zijn in de aanbidding van God, dat ze ook hebben kunnen zondigen (denk aan de gevallen engelen), enz.
Engelen in het Nieuwe Testament
De OT-ische zienswijze dat engelen de hemelse wereld vertegenwoordigen en boden van God zijn, wordt door het NT als vanzelfsprekend overgenomen. Zij representeren de 'andere' wereld (de wereld waarin men niet huwt, Mk. 12 : 25 par.). Als Stefanus voor de raad staat is zijn gelaat als dat van een engel. Daarmee weerspiegelt hij iets van de andere wereld.
In het NT ontmoeten we de engelen op de knooppunten van de heilsgeschiedenis. Ze kondigen de geboorte van Johannes de Doper en van Christus aan, ze bezingen Gods lof boven Efratha's velden bij Christus' geboorte, ze dienen Christus na Zijn verzoeking in de woestijn, er komt een engel van de hemel om Christus te versterken in Zijn gebedsstrijd in de hof, ze zijn er op de dag van Christus' opstanding en hemelvaart, ze zullen er zijn op de dag van Zijn wederkomst om Christus' gericht uit te voeren (vgl. Matth. 13 : 49 en het boek Openbaring). Dat Christus' gang naar, over en van deze aarde omlijst is met dienende engelen, wijst op de tegenwoordigheid Gods in de Zoon des mensen. Voor gevallen mensen wordt de toegang tot het oude paradijs door engelen versperd, maar op de Zoon des mensen dalen engelen vanuit een geopende hemel neer en klimmen van Hem op om ook tijdens de tijd van Zijn vernedering het verkeer met de hemel ononderbroken in stand te houden (vgl. Joh. 1 : 52).
Alhoewel de Schrift geen voedsel geeft aan de speculatie dat elk mens of elke gelovige een beschermengel heeft, weten we wel dat God Zijn engelen uitzendt als gedienstige geesten om hen te dienen die de zaligheid zullen beërven (Hebr. 1 : 14) en we denken ook aan het mooie Schriftwoord uit Matth. 18 : 10 waar de Heiland waarschuwt tegen het verachten der kleinen, want hun engelen zien altijd het aangezicht van Zijn hemelse Vader.
Als engelen verschijnen, vertonen ze iets van hun hemelse heerlijkheid. De gedaante van de Paasengel is als de bliksem, Cornelius zag een man in een blinkend kleed, de zeven engelen die de zeven plagen hadden verschijnen in rein en blinkend lijnwaad, de twee mannen die bij de discipelen staan direct na Christus' hemelvaart worden juist door hun witte kleding als hemelbeden gekarakteriseerd.
Ofschoon de Schrift ons geen speciale engelenleer biedt, zijn de engelen in de Schrift wel nadrukkelijk aanwezig. Zij zijn krachtige helden, heerlijke geesten, hemelse liturgen, die door God werden ingezet op buitengewone momenten in de heilshistorie, maar van wie ook de gewone dienst ter wille van Gods Kerk onverminderd voortduurt; hun strijd tegen demonische machten wordt ons in de apocalyptische gedeelten van de Schrift soms in felle kleuren geschilderd.
Engelengeloof in de crisis?
Het geloof aan engelen kent altijd al wel z'n bestrijders. Tegenover de uitgewerkte angelologie bij het rabbijnse jodendom staat het rationalisme van de Sadduceeën, die niet alleen de opstanding, maar ook het het bestaan van engelen loochenden (vgl. Hand. 23 : 8). In de vroege kerk kwam al spoedig een ongeoorloofde engelenverering op, waartegen verschillende kerkvaders hebben gewaarschuwd (vgl. ook Col. 2 : 18). In het Rooms-Katholicisme heeft de leer der engelen en hun verering wijde verbreiding gevonden. Wat onze reformatoren betreft, zij verwierpen terecht de Roomse engelenverering en hebben veel ingehoudener over dit onderwerp gesproken. Dat betekent intussen niet dat mannen als Luther en Calvijn de engelenleer hebben veronachtzaamd. Luther wist zich in zijn vaak bovenmenselijke strijd tegen de demonen gesterkt door de beschermende nabijheid van de goede engelen. Dat geldt ook voor de hervormer uit Genève, alhoewel Calvijn zich veel meer door de Schrift laat begrenzen dan Luther in zijn spreken over deze zaken.
Opvallend is de geringe aandacht die onze confessies aan de engelen schenken (zie NGB art. 12 en de HC, Zd 49) en de vraag kan opkomen of aan de engelen niet wat meer eer had mogen worden toegekend. Door het opkomend rationalisme van de Verlichting komt het geloof aan engelen — zowel aan de goede als kwade — in de crisis. De hemel werd 'ontvolkt'. Ook voor een invloedrijk theoloog als Schleiermacher hadden engelen geen wezenlijke betekenis. Pogingen tot eerherstel voor de engelen werden ondernomen door mannen als A. Kuyper en H. Bavinck. Van W. Aalders is de mooie opmerking dat 'het hele geloofsstuk van de voorzienigheid Gods een bloedeloze abstractie wordt, als wij geen ernst maken met de engelen in hun veelsoortige en menigvuldige dienst op aarde'. Ook K. Barth heeft uitgebreid aandacht aan de angelologie gegeven. Hij meent dat over deze werkelijkheden alleen in de vorm van 'sage' kan worden gesproken. Wij hebben echter niet de indruk dat de goede engelen het verwachte eerherstel hebben gekregen nu in onze tijd de ogen zijn opengegaan voor allerlei demonisering. En dat is jammer, want gezien de plaats die zij in Gods voorzienig bestel ontvingen, met name met het oog op het volk van God op deze aarde, verdienen ze onze eer en achting. Het spreken van de Schrift over de engelen is bedoeld om ons te bemoedigen en te vertroosten, om ons in onze zwakheid te sterken, om ons heimwee gaande te maken naar een andere, betere wereld dan deze zo vol demonie. Engelen daalden uit die andere wereld tot ons neer als boodschappers van blijde tijding. Christus' Kerk moet naar die andere wereld heen om de engelen te vertellen over het wondere geheim van de verzoening. Opdat zo uit mensen- en engelenmonden tot in alle eeuwigheid zal opklateren Gods veelvoudige lof.
Bijschrift foto: De Gouden Poort in Jeruzalem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's