Kerstfeest in een mystieke traditie
Inleiding
In een Kerstpreek van Luther komt de zin voor dat, al werd honderdmaal gepredikt dat Christus geboren was en er werd niet aan toegevoegd dat Hij u geboren is, het alles verloren was. Dat is, voorzover we kunnen nagaan, een verandering van een gevleugeld woord uit de Middeleeuwse mystiek: Al werd Christus honderdmaal geboren en Hij werd niet in ons hart geboren, dan was het al verloren. De bedoelde wending is daarom zo interessant, omdat zij ons laat zien wat de Reformatie met de mystiek heeft gedaan. Zij heeft niet de geboorte in ons hart uitgespeeld tegen het heilsfeit, maar zij heeft de toepassing van het heilsfeit en de daarin uitgedrukte waarheid voor het hart, verklaard.
In de mystieke traditie zelf bestaat een zekere spanning rond de geldigheid en belangrijkheid van de heilsfeiten. Het al dan niet erkennen en herkennen van die spanning bepaalt de manier waarop 'de' mystieke traditie wordt gewaardeerd. En we hebben bovendien te bedenken dat er niet één mystieke traditie bestaat, maar dat de late Middeleeuwen er reeds twee of drie kenden.
Jan van Ruusbroec
In de zogenaamde Brabantse mystiek staat de kluizenaar van het Soniënbos, Jan van Ruusbroec (1293-1381), model voor wat men christelijke mystiek mag noemen. Het bijzondere van Ruusbroec is dat hij wel diepgaand door een stroming als het neoplatonisme is beïnvloed, maar toch heeft vastgehouden aan de heilsfeiten en, zoals Moereels terecht heeft geschreven, dat hij in zijn mystieke belevenissen en rapporten weet dat Christus de enige weg is tot de Vader in de eenheid van de Heilige Geest. De ware ontmoeting met God is er alleen door gelijkvormigheid met de gekruisigde Christus, welke een genadegeschenk is. Ruusbroec bleef in de orthodoxe lijn.
Het boek dat speciaal over het komen van Christus, de Bruidegom, gaat heet: De verhevenheid van de geestelijke bruiloft of de innige ontmoeting met Christus. De Bruidegom komt op drie manieren, in het hart, in de hogere vermogens en in de eenheid van de geest. 'De reden waarom God mens werd, was Zijn onbegrijpelijke liefde en de nood van alle mensen; want zij waren ten onder gegaan door de val in de erfzonde en konden dit zelf niet ongedaan maken.' Vier redenen had Christus om naar Zijn Godheid en mensheid al Zijn werken op aarde te verrichten: Zijn ongemeten goddelijke liefde, de geschapen liefde in Christus' ziel, de grote nood van de menselijke natuur en de eer van Zijn Vader. Dit zijn de beweegredenen van de komst van Christus onze Bruidegom en van al Zijn werken, zowel inwendige als uitwendige. Door ootmoed, liefde en lijden verdragen realiseert Christus deze liefde op aarde. Maar dit alles is een komen van Christus in het zgn. werkende leven, dit wil zeggen: in de laagste stand van het christenleven. Ook al zegt Ruusbroec dat hierbij behoort, dat God dagelijks in de ziel van de goede mensen komt met Zijn genadegaven, en dat dus Christus als Bruidegom komt in een dagelijks heden in onze ziel, toch heeft dit nog niet met het diepere mystieke leven te maken. De tweede vorm van leven is het innige of Godbegerende leven. De ziel ziet met verlichte ogen van het verstand de inwendige komst van Christus haar Bruidegom. De eerste komst van Christus in het Godbegerende leven is een inwendig voelbare aandrang van de Heilige Geest, Die ons stuwt en aandrijft tot alle deugden. Zijn tweede komst bestaat uit een overmaat van vertroosting, waardoor een mens wordt verheven tot ongekende hoogte en in de zoetheid van deze ervaring Christus hoort spreken: Gaat uit... De derde wijze is dat God het hart met begeerten en krachten der ziel ten hemel trekt en in het hart spreekt: Gaat uit uzelf en komt tot Mij op de wijze waarop Ik u aantrek en nodig. Ruusbroec gaat hier en van hier af het begrip 'vereniging' gebruiken, dat straks uitloopt in de zalige eenheid en gemeenschap met God. Overeenkomstig Hooglied volgt nu dat Christus de ziel gaat verlaten en Zich verbergt. Maar dat doet Hij om te spreken: Gaat uit naar de wijze die Ik u nu toon. En vooral wordt de geest van de mens armer, doordat zij in deze verlating lijdt om Christuswil en zich dit bewust wordt. Naast deze vier gestalten van komen van Christus in het hart of de ziel is er dan bij de tweede komst van de Bruidegom ook nog Zijn komst in de hogere vermogens van de mens, namelijk herinnering, verstand en wil. En dan nog een komen van Christus, dat een aanroering in de eenheid van de geest omvat. God beweegt op dit punt de ziel en bereidt haar voor op de innigste oefening.
Tenslotte is daar het Godschouwende leven, waarbij de komst van de Bruidegom wordt voorgesteld als een eeuwige geboorte van God, die zich zonder ophouden vernieuwt in de edelheid van onze geest. Ruusbroec noemt het de nieuwe geboorte van het Woord en een nieuwe, altijddurende verlichting. Hij roept uit: 'Hier moeten alle schepselen werk en alle oefening van deugd achterwege blijven, want hier werkt God Zichzelf alleen in de edelheid van de geest, en hier is anders niets dan het eeuwige Licht schouwen en aanstaren met het Licht en in het Licht.'
Als orthodox mysticus zet Ruusbroec aan de ene zijde wel degelijk de zich altijd vernieuwende eeuwigheid en ook de geestelijke vernieuwing van de heilsfeiten — wat de kerk nooit voor een ketterij heeft gehouden — en houdt hij aan de andere kant vast dat het niet komt tot een uitwisseling van de zelfstandigheid van God en het schepsel. Daarom legt hij ook hier nadruk op de Evangeliewoorden: Gaat uit Hem tegemoet. Hij spreekt er in dit hoogste. Godschouwende leven van dat onze geest genodigd wordt om uit te gaan en te schouwen. Die eeuwige geboorte van God laat er overigens geen twijfel over bestaan, dat Ruusbroec zich zou kunnen vinden in de uitspraak van Christus' geboorte in ons hart, die door Luther opzettelijk gewijzigd werd.
Eckhart
In de zogenaamde Duitse mystiek treffen we in de eerste plaats Meester Eckhart (1260-1327) aan. Ook hij had zich als doel de verwerkelijking van het geestelijk leven gesteld, maar hij wees daartoe een weg aan, die met de kerk schijnbaar niets te maken had. Eigenlijk gaat Eckhart de weg van de vroegchristelijke gnostiek: het edelste deel van de ziel, de vonk, is met God verwant en wie dat vat, heeft God bij en in zich. Geen wonder dat vroeger en nu de kerk deze leer voor een groot deel veroordeelde en Eckhart voor een dwaalleraar hield. Zo maakt hij onderscheid tussen de neiging tot zondigen en de wil tot zonde. De eerste maakt de mens slechts vromer, de tweede is werkelijk zonde. God aanvaardt de schade van de zonde, ook van de doodzonden, opdat degenen die Hij verkoren heeft, tot berouw komen. En wanneer het berouw vermeerdert, neemt ook de liefde toe. Heeft Ruusbroec het werkende leven als een eerste fase van het uitgaan tot de Bruidegom ernstig genomen. Meester Eckhart wijst dit uiterlijke leven af Het is hem totaal onverschillig, waar een mens woont, temidden van een stad of als kluizenaar in de eenzaamheid. Elke plaats is de beste plaats, elke tijd is de beste tijd. De goede werken bestaan ook slechts daarin, dat de mens zich van alles afkeert wat niet goddelijk aan hem en aan alle schepselen is, en zich wendt tot wat goddelijk is. Nog één stap en we bevinden ons bij de twijfelachtige Middeleeuwse uitspraak: 'Gelukzalige schuld, die ons zo'n Middelaar bezorgd heeft'. Eckhart had betrekkelijk weinig belang bij Jezus Christus. Even weinig als de gnostici in de vroege kerk. Christus is wel Verlosser, maar slechts in zoverre dat Hij die goddelijke vonk in ons tegemoet komt en tot ontvlammen brengt en met God verenigt. Overigens benadrukt Eckhart Jezus' voorbeeld. Men verdenkt hem er onder andere van, dat hij de triniteit niet werkelijk serieus heeft genomen.
Theologia Deutsch
Luther geeft in 1516 en 1518 'dit edele boekje' voor het eerst in druk uit. Het bestond sedert het einde van de veertiende eeuw, dus uit de tijd na het sterven van Ruusbroec en Eckhart. Luther was zeer ingenomen met dit boekje, hoewel het duidelijk is dat hij er naast de oorspronkelijke ook zijn eigen gedachten in gelezen heeft. Minder bekend is, dat toen Luther zijn eigen weg ging — en die week toch wel af van de Theologia Deutsch — de spiritualisten, lelijk gezegd: de geestdrijvers onder de wederdopers, zich met vreugde van dit boekje meester hebben gemaakt en het tot hun geestelijk eigendom verheven hebben. Gustav Benrath schrijft dan ook bij zijn uitgave van de Theologia Deutsch, dat deze spiritualisten de eigenlijke erfgenamen waren van de Middeleeuwse (Duitse) mystiek.
Staat Kerstfeest op een of andere wijze centraal in dit boekje? Ook hier is de leidraad dat God in de ziel moet zijn. Ik word slechts zalig, wanneer God en Zijn werk in de ziel is. En het goddelijke, het ene is altijd reeds in de ziel, maar we weten het niet. Het moet geweten worden, en wel van binnenuit. De Duitsers noemen dat: sich inne werden. Dit te smaken is een eeuwig goed. Ware begeerte is slechts dat wij dit eeuwige goed dichterbij komen en het nog beter (van binnen) kennen. Dit leven in vrijheid en liefde is volkomen in Christus geweest en meer of min in degenen die Hem volgen. Wanneer nu Christus in deze volkomenheid wordt voorgesteld, dan spreekt Theologia Deutsch over de vervulling der Wet in de deemoedigheid van Christus. Hij heeft alle werken van ware deemoed gedaan en volbracht, zoals Hij zegt: 'Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart'. Hij heeft de wet en de mensen onder de wet niet versmaad. Maar Hij zegt dat daarin de zaligheid niet ligt. Men moet verder komen. Paulus zegt dat Christus de Wet op Zich nam, opdat Hij degenen die onder de Wet waren, verlossen zou. Daarmee bedoelde hij: opdat Hij hen tot iets naders en beters mocht brengen. Ook sprak Christus: 'Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen'. In Christus' woorden, werken en leven vindt men niets dan ware, zuivere deemoed en armoede. Het boekje eindigt dan met het onderscheid tussen een kennis die niet meer is dan voor-waar-houden, en de ware kennisse Gods, die liefde is en die in tegenstelling tot de natuur, welke zichzelf liefheeft. God liefheeft.
Conclusie
Hoe komt het dat zowel de Brabantse als de Duitse mystiek betrekkelijk weinig aandacht schenkt aan de dogmatische betekenis van Kerstfeest? Allereerst natuurlijk omdat de kerk dit feest vierde als deelname van de kerk (in Maria) aan de vleeswording. Daar had men geen mystici voor nodig. Ten tweede omdat de hele Middeleeuwse mystiek en speciaal die in de dertiende en veertiende eeuw stond in de neoplatonische spanning tussen vlees en geest, stof en geest, materie en het innerlijke. Ten derde omdat de Middeleeuwse mystiek 'vlees' niet als zonde, doch als materie verstond en de zondeleer niet met Christus' vleeswording verbond. Ten vierde omdat de mystiek niet geïnteresseerd was in de uitleg van het heilsfeit van Kerstfeest, maar in de gevolgen daarvan: Christus heeft in het vlees volmaakt geestelijk geleefd. Hoe kunnen wij Hem daarin navolgen? De een is daarbij op meer ketterse wegen gekomen en heeft de materie zo ongeveer achter zich gelaten (gedachten over Christus' schijnlichaam), de ander heeft de vleeswording als een feit van lagere orde aanvaard en in het kader van een werkend leven gezien, dat wel een eerste fase is van het komen van de Bruidegom, maar niet het eigenlijke (Ruusbroec). Het zou nog lang duren, voordat zich een reformatorische mystiek ontwikkelde, die het aardse leven van Jezus Christus niet als een fase onder of naast een geestelijk leven verstond, doch het geestelijke uit Zijn komst in het vlees wist te verstaan.
Bijschrift foto: Kings College Chapel in Cambridge
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1990
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's