Een reveil nu? (1)
In een drietal artikelen willen we samen nadenken over het verschijnsel opwekking. We willen dit doen vanuit Hand. 2, de grootste opwekking aller tijden. Het spreekt voor zichzelf dat we ons goed bewust moeten zijn van het unieke karaktervan Hand. 2. Niet alles wat daar gebeurd kunnen we zondermeer overplaatsen naar onze tijd. In het boek Handelingen zitten heilshistorische aspekten die we niet verwaarlozen mogen. Zo zien we in Hand. 5 dat Ananias en Saffira op de daad van het bedrog sterven. Hoevaak heeft deze zonde zich in de geschiedenis van de kerk niet herhaald! En toch heeft het niet deze uitwerking gehad. Hetzelfde geldt ook voor de bekering van Paulus. Als het gaat over het wezen van de zaak is iedere bekering natuurlijk een Paulus-bekering, maar als het gaat over het bijzondere en helderschijnende licht is niet iedere bekering een Paulus-bekering. Dit zijn unieke elementen in het boek Handelingen. We zien in dit boek hoe de kerk van alle eeuwen gegrond en ontwikkeld is. Dit zendingsboek bij uitstek is meer dan een verslag van het werk van God in zondaren. Dit neemt aan de'andere kant echter niet weg dat we wel lessen mogen en kunnen trekken uit Hand. 2 als het gaat over het grondpatroon van het werk van de Heilige Geest. We zien in de kerkgeschiedenis dat er opwekkingen plaatsvinden die in zekere zin herhalingen zijn van de pinksterdag in Jeruzalem.
1. Een reveil komt niet uit de massa
Het valt ons op dat het werk van God begint bij de voorgangers. Moet het hier niet beginnen? Enerzijds is het heel erg waar dat de vrucht op de prediking niet afhankelijk is van de gesteldheid van de voorganger. Aan de andere kant zien we in het Woord van God en in de daden van God in de kerkgeschiedenis duidelijk dat de Heere mensen gebruikt. Een opwekking komt nooit uit de massa. Altijd uit enkelingen. Elia was een eenzame profeet die door God gebruikt werd. Maarten Luther was een eenzame worstelaar om het licht van het evangelie. George Whitefield preekte in de Great Awakening zo dat dat een belangrijk instument in Gods hand was. En zo zouden we door kunnen gaan.
Als de Heere op de pinksterdag deze krachtige openbaring van Zijn Geest geeft, begint dat niet bij de Farizeeën en schrift geleerden, het begint niet bij de groten van die tijd, bij de kerkelijke leiders en de machtigen in de politiek, het begint bij een klein en onbetekenend groepje van Galileeërs. Een opwekking begint niet in de staat, maar in de kerk.
2. Een reveil komt niet in een tijd van geestelijk welzijn
Een tweede aspekt wat ons op moet vallen bij de bestudering van dit tweede hoofdstuk van het boek Handelingen is het feit dat het de meest donkere tijd was die we ons maar voor kunnen stellen. Niet slechts omdat de Romeinen over Israël heersten, ook nog niet eens alleen omdat het godsdienstige bedrijf uitgehold was, maar vooral omdat Gods oordeel op Israël lag. In Jes. 6 lezen we hoe de Heere de volgende boodschap aan de profeet voor het volk geeft: 'Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart van dit volk vet en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren horen, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze'. Het oordeel is niet over Israël gekomen wegens hun verwerping van Christus, maar andersom. Zij hebben de Christus gekruisigd omdat zij verblind waren. Deze verblinding was reeds een oordeel van God!
In Matth. 13 lezen we de herhaling van dit oordeel. Als de Zaligmaker uitlegt waarom Hij in gelijkenissen spreekt, haalt Hij deze tekst uit Jes. 6 aan. De Heiland zal in het vervolg niet in duidelijke taal spreken, maar verhaaltjes vertellen om zo het evangelie af te sluiten voor de menigte.
Als Paulus in Rome gekomen is, en daar voor de Joden spreekt, haalt hij ook deze woorden van Jesaja aan. Daarmee wil hij aangeven dat zelfs na pinksteren dit niet is weg te denken. In zijn tweede brief aan de gemeente van Korinthe verklaart hij dat er nog steeds een deksel op het aangezicht van zijn broeders naar het vlees ligt. Zo zijn zij blind voor de heerlijkheid van de Messias.
Hoe donker is het in deze tijd! Was er ooit een geestelozer tijd? Juist is de Messias gekruisigd. Heel het godsdienstige Israël heeft zich tegen Hem verklaard... Men ergerde zich aan Zijn leer; aan een Zaligmaker Die Zich ontfermt over hoeren en tollenaren. Een Zaligmaker Die ernstige kerkmensen voorbijgaat en zo velen eersten de laatsten doet zijn.
Aan godsdienstig bedrijf mankeerde het niet in die dagen. De tempel was opgeknapt met behulp van Herodes. De joodse godsdienst floreerde. Grote massa's mensen waren van duizenden kilometers afstand gekomen om in Jeruzalem het pinksterfeest te vieren. Maar alle wezenlijke kracht ontbrak. Veel vormen, veel ijver, veel toewijding, maar geen verbroken hart en geen gelovig steunen op Christus alleen. Dikke geestelijke duisternis! Geen leven ondanks al het leven dat gemaakt werd.
Dat is de pinksterdag! Een dag van Gods oordeel over Israël. En dan toch zulk een heerlijk wonder; zulk een krachtige doorwerking van Gods Geest. De tijd was stikdonker, maar God gaf licht in deze inktzwarte duisternis. Is niet onze verlegenheid Gods gelegenheid? Kan de Heere niet juist in de meest donkere tijden Zijn Majesteit en heerlijkheid openbaren?
Dit is ook de grote les die we uit de geschiedenis van opwekkingen kunnen leren. Daar waar alle mogelijkheden afgesloten zijn, laat God Zijn mogelijkheden zien. Opwekkingen kwamen nooit in lichte tijden, maar altijd in tijden van verval. Het is met het woord 'opwekking' reeds gegeven. Het is een opwekking uit een afgegleden toestand.
In de Reformatie zien we hiervan een helder voorbeeld. Hoe donker was het in de wereld en in Europa. Buiten Europa geen christendom, in Europa een verduisterd evangelie. Ook in kultureel opzicht een roerige tijd. In deze stikdonkere tijd verwekt de Heere mannen die het licht op de kandelaar stellen. Niet in de eerste plaats geleerden, maar in de eerste plaats mannen Gods. Erasmus is een geleerde, Luther een door God bekeerde. Het Woord, de leer van de genade en Christus in het evangelie worden tot onuitsprekelijke troost van duizenden opnieuw in het middelpunt gesteld. Deze aanblazing van de Heilige Geest heeft wereldwijde betekenis gekregen. Landen zijn er door hervormd en gevormd. De wetenschap heeft er na de Renaissance een nieuwe impuls door ontvangen. Nederland zou Nederland niet zijn zonder de Reformatie.
Edwards
Als Edwards in zijn gemeente in 1734 een uitstorting van de Heilige Geest meemaakt, is het een tijd om moedeloos van te worden. Van de oude godsvrucht van de pilgrimfathers is niets meer overgebleven. Dwalingen zijn bedekt de kerk binnengeslopen. Toelating tot de kerkelijke inzettingen is steeds gemakkelijker geworden. Materialisme viert hoogtij in deze welvaartstijd. Sexuele ontsporingen komen in deze tijd ook al voor. Roddel, liegen en lasteren zijn geen vreemde zaken. Ten diepste leeft de gedachte dat men door een net leven een heel eind op weg is naar de hemel. Het echte onderscheid tussen natuur en genade is verwaterd. Vraagt men aan mensen uit die tijd: 'Zult u zalig worden?' dan is het antwoord steevast: 'Dat kun je niet zeker weten'.
Zo preekt Edwards wel 7 jaar en het schijnt wel alsof al zijn preken vruchteloos is. Hij preekt voor mensen, maar het komt hem vaak voor alsof hij voor de muren staat te spreken. Hij merkt niets van weerklank. De levenspraktijken veranderen niet. Er is niets te bespeuren van boete en berouw en zeker niet van een eenvoudig geloof in de Heere Jezus Christus, dat doet roemen in Hem en in de vergeving van de zonden.
Toch volhardt hij in deze vaste overtuiging dat het evangelie een kracht Gods tot zaligheid is. Hoe hard de rotsbodem van het menselijk hart dan ook moge zijn, het evangelie is nooit zo zwak dat het de sterkste tegenstand niet kan breken. Het maalt molenstenen fijn. Dat gelooft de jonge Jonathan. En de Heere laat hem niet beschaamd uitkomen. Edwards maakt het mee hoe er zo'n 300 mensen in een half jaar meer of minder helder tot bekering en geloof komen. En dan te bedenken; op een bevolking van ongeveer 1200 mensen... De stad veranderd. Het enige wat nog belangrijk is, is Gods dienst. De gesprekken betreffen geestelijke onderwerpen. Schijnbaar onschuldige zonden worden uitgebannen. Ook 'kleine' zonden. Edwards schrijft ervan dat de stad een stad van God geworden is.
Doet dit ons geen hoop scheppen voor onze tijd? In veel opzichten herkennen we ons in de donkere tijden van weleer. Hoewel we over het woord kunnen twisten, het is niet voor niets dat er gesproken wordt over 'godsverduistering'. De geest van onze tijd is een sterke geest. Relativisme, egoïsme, holisme en materialisme woekeren welig voort op een bodem van ongeloof. Het gezag wordt meer en meer ondermijnd. Het gezag van de Schrift en daarom ook het gezag van gezagsdragers. 2 Tim. 3 : 1-9 spreekt helder over de zonden van onze tijd.
We merken dat Gods Woord gezag en beslag verliest. Was Nederland ooit het Israël van het Westen, thans wordt er wel gesproken over het Sodom van het Westen. Zonden waar we 50 jaar geleden nog voor terug deinsden, worden openlijk aangemoedigd. Landen die jarenlang een zedelijk lager peil vertoonden dan Nederland, zien ons land als een afschrikwekkend voorbeeld. De sporen van het evangelie in de wetgeving worden uitgewist. Euthanasie, echtscheiding en crematie zijn hiervan duidelijke voorbeelden. Het is afschuwelijk als we horen dat in ons beschaafde (?) Westen meer kinderen door abortus omgebracht zijn dan Joden in de Tweede Wereldoorlog...
Hoe komt dit? De oorzaak ligt niet in de wereld!... De oorzaak ligt in de kerk... In de wereld is het nog nooit licht geweest, in de kerk wel. Is het nu licht? Zijn we een zoutend zout en een lichtend licht? Of bestaat onze godsdienst uit niet veel anders dan plichten en vormen? Is er verschil tussen de Islam en het christelijk geloof?
We lezen in 2 Tim. 3 ook over een gedaante van godzaligheid, echter zonder kracht... De gedaante van christelijkheid hebben we zeker. Dat behoeven we niet te ontkennen. Er zitten nog mensen in de kerk. Op sommige plaatsen zelfs heel veel. Er worden nog kerken gebouwd en uitgebreid. Er bestaan nog christelijke gewoonten. We hebben onze organisaties, verenigingen, bonden en unies. We hebben een reformatorische krant, reformatorische scholen, een reformatorisch opinieblad, een reformatorisch familieblad, een reformatorisch politieke federatie, een reformatorisch maatschappelijke unie, een reformatorische zakenvereniging, een reformatorische beurs, enz. We zijn nogal reformatorisch!... Als al deze organisaties een kenmerk van geestelijk leven was, zou het er niet slecht voorstaan met onze gereformeerde gezindte!... Of zou het een middel zijn om het gebrek aan geestelijk leven te camoufleren? ... Als we de geschiedenis van onze eeuw bestuderen, huiveren we. We zien hoe aktief Kuyper was in zijn christelijke organisaties. We horen hem zeggen: 'Wij hebben in Nederland geen opwekking nodig'. Dit zei hij na een bezoek aan Wales in 1905 waar hij een opwekking meemaakte. Is dat niet ons gevaar: zelf-genoeg-zaamheid??? Ik zeg al deze dingen wat sterk, om vooral niet onduidelijk te zijn. Laat ons kritisch zijn tegenover onszelf. Laat ons bedenken: Niet door kracht en niet door geweld, maar door Gods Geest moet alles gebeuren...
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's