Globaal bekeken
In Kampen promoveerde dezer dogen aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (vrijg.) dr(s) J.J.C. Dee, hervormd predikant te Ellecom, op een proefschrift getiteld 'K. Schilder, zijn leven en werk, deel I (1890-1934)'.
We feliciteren dr. Dee van harte met het behalen van de doctorsgraad. Na de promotieplechtigheid zei de rector, prof. dr. J. Douma, dat in kritiek op het werk van dr. Dee wel is geuit, dat hij te weinig kritisch op Schilder is. Uit enkele stellingen blijkt wel, dat dr. Dee zich veel van het gedachtengoed van prof. Schilder (wiens geboortejaar dit jaar werd herdacht) heeft eigen gemaakt. Hier volgen enkele stellingen:
• De visie van hervormde zijde op de verhouding tussen de kerk en het joodse volk dient vanuit de theologie van K. Schilder gecorrigeerd te worden.
Zie H. Vreekamp, Zonder Israël niet volgroeid. Kampen 1988.
• Bestudering van de theologie van K. Schilder stelt voor keuzes, niet in de laatste plaats inzake de kerk.
• Voor K. Schilder is het gelovige denken van de wedergeboren mens het gewillig instrument in de beoefening van de wetenschappelijke theologie.
• De leer van de predestinatie dient niet in de christologie, maar in de Godsleer geplaatst te worden.
Contra Th.L Haitjema, Dogmatiek als apologie, Haarlem 1948, p. 217.
• Door Artikel 2 van de Kerkorde, waar naast lidmaten en doopleden ook tot een Hervormde gemeente gerekend worden te behoren 'zij die uit Hervormde ouders zijn geboren', wordt de Nederlandse Hervormde Kerk belemmerd in haar functioneren als kerk.
• De belijdenis van de Christus der Schriften is onverenigbaar met het in de Nederlandse Hervormde Kerk gemeengoed geworden spreken over de 'Christusbelijdende volkskerk'.
Zie J. Kamphuis, Op zoek naar de belijdende volkskerk, Groningen 1967, p. 61-72.
Bij Kok te Kampen werd opnieuw uitgegeven de befaamde rede van dr. Abraham Kuyper op het eerste Chrlstelijk-sociaal congres (9 november 1981), onder de titel 'Het sociale vraagstuk en de christelijke religie'. Hier volgt de passage waarin Kuyper enkele dichters sprekende invoert:
'Zoo valt ons optreden niet te vroeg, maar eer te laat, en komen we achter anderen aan, waar vóórgaan ons mogelijk ware geweest. Of hadden niet reeds Bilderdijk, Da Costa en Groen van Prinsterer, nog eer onder de Christenen buitenslands een enkele stemme vernomen werd, óns op dezen socialen nood gewezen? Bilderdijk, die reeds in 1825 de lagere bevolking toezong:
't Is armoé en verval waar ge in verkwijnt en zucht, /
Daar weelde tergend brast van uwer handen vrucht; /
en die, in het aangezicht van dien nood, de valsche weldadigheidstheorie persifleerde, toen hij het oud-Liberalisme aldus sprekend invoerde:
Ja, 't land bezwijkt van de armen! / Naar Frederiksoord daarmeê, dan zijn we er van verlost. / 't Is rasphuisboeverij waarover we ons erbarmen. / Wien is 't niet reeds te veel wat eerlijke armoê kost? / Zij hongeren, ja, 't is waar, sij vinden niet te werken, / Doch waartoe zijn ze nut, zoo 't werk voor hen ontbreekt? /
Waartegen over Bilderdijk dan, den vinger op de wonde leggende, de Christenen tot boete opriep met dien snijdenden aanhef van zijn snerpende Oprakeling:
Wanneer een volk in zonden moet vergaan, / Vangt in de Kerk de zielsmelaatschheid aan. /
Vijftien jaren later geeselt Da Costa in zijn Lied van 1840 even meedoogenloos de Plutocratie, de 'oppermacht van 't geld', gelijk hij ze noemt, en teekent ons den socialen nood, die toen te komen stond, en nu gekomen is, in deze tegenstelling:
HIER weelde ontwassen aan zichzelf, van buiten bloeiend / En schitterend van jeugd, maar innerlijk verschroeiend / En sapbedervend als een kanker, en, of 't waar' / Der standen evenwicht verbrekend... DAAR /
Gemor bij d'arbeid, die geen brood geeft; jokdierbanden / Geworpen om den hals van vrijen, waar de wanden / Van hitte blaak'ren dag en nacht, en eeuw'ge rook / De steden zwart en verweerd, en de ziel verstikt in smook /
Zoo profeteerde Da Costa, niet het Socialisme nasprekend, maar het vierde eener eeuw, vóór nog Karel Marx in 1864 te Londen zijne Internationale stichtte. En het was op de helft van den tijd, die daartusschen inligt, dat Groen van Prinsterer in 1853 de toen nog zoo deftige heeren op het Binnenhof schrik aanjoeg door zijn krasse verklaring: "Tegenover de socialistische begrippen lette men op den inderdaad kommervollen toestand der lagere bevolking; en zij bovenal indachtig aan het nadeel hetwelk de hoogere standen door zedebederf en valsche wetenschap bij het volk hebben gesticht." Hij sprak het uit, dat in het socialisme "een waarheid gemengd ligt, die het kracht geeft".'
In Opbouw (Nederlands Gereformeerd) schrijft de ooit in Schotland woonachtige D.W. Milo steeds curieuze artikelen. Uit zijn laatste bijdrage 'Wat zegt een naam?' de volgende passages. Misschien zien de lezers er een aansporing in iets curieus over hun naam door te geven:
'What's in a name?' vroeg Shakespeare. Een wijze vraag, om niet mee te spotten. Want wat zit er in úw naam verborgen? Als 'de naam het wezen uitdrukt', zoals we filosofisch zeggen, dan is een kleine studie naar de herkomst van namen altijd belangwekkend. Dat willen we graag illustreren (om elk misverstand te voorkomen: dit wordt geen typisch kerstartikel) met enkele Schots-Keltische namen.
Bonny Prince Charlie
Prins Charles Stuart van Schotland was, na de slag van Culloden (1746) bij Inverness, drie weken ondergedoken onder de naam Dugald MacCullony. Bijna was het hem gelukt de troon van Schotland voor zijn vader te heroveren, maar nu was hij vluchteling met een enorme prijs op het hoofd.
Wat betekende nu die schuilnaam? De juiste schrijfwijze zou zijn Mac 'III Domhnaich, hetgeen betekent: Zoon van Gods dienaar. Kon een prins een betere schuilnaam kiezen dan deze, alleen voor Kelten verstaanbare? Geen Engelsman zou er achter kijken, zoals u nu doet. De naam is, met vele varianten, nog steeds gangbaar (...)
Maclean
Een van de meest voorkomende namen is Maclean. De vroegere Lord Chamberlain (= hoogste kamerheer, hoofd van de koninklijke huishouding) was een Lord Maclean, van het eiland Mull. Ook onze plaatselijke arts heeft deze naam.
Al jaren wisten wij dat de naam met Johannes verband houdt. Maar pas onlangs kwamen wij er achter, dat deze naam is samengesteld uit Mac Gil Lain, of zoon van Johannes' leerling, knecht. (Die Johannes zal wel een van Columbus' gezellen zijn geweest.) En u herkent de naam Gilians, die in ons land voorkomt. (...)
En de Nederlandse namen?
Het loont de moeite, de herkomst van uw eigen familienaam uit te zoeken. Wie zich in de studie van de genealogie stort (studie van voorgeslachten) kan rechts en links de vruchten plukken. Daar zijn voortreffelijke vruchten bij, soms ook wrange en bittere.
Wat denkt u van namen als Dekwaadsteniet, Niemandsverdriet, Naaktgeboren en andere minder appetijtelijke namen? U treft ze vooral op de eilanden aan, bij koppige voorouders. Ze herinneren ons aan de Franse instelling van de burgerlijke stand en de verplichting voor gezinshoofden om een achternaam te kiezen. Velen gehoorzaamden onder protest, waarbij soms de omstanders een duit in het zakje deden.
Maar ook zijn diverse namen geladen met een geschiedenis, waarop u trots zult zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's