Een reveil nu? (2)
3. Een reveil komt niet zonder gebed
Vervolgens zien we in Hand. 2 dat de apostelen en de anderen eendrachtig bijeen zijn. Ondanks alle verschillen is er eendracht. Petrus is een heel ander persoon dan Jakobus en deze is niet te vergelijken met Johannes, toch is er eendracht. De Heere wil verscheidenheid. De Heilige Geest levert geen massaprodukten, maar unieke vruchten.
Wat doet men samen? Is men samengekomen om de treurige toestand van die tijd nog eens breed uit te meten, enkele klaagtonen aan te heffen en het hoofd nog verder te laten zakken om zich zo comfortabel te kunnen gevoelen? Of zijn deze getrouwen samengekomen om zich af te vragen hoe zij met behulp van de joodse geleerden zoveel mogelijk invloed moeten proberen te krijgen in de samenleving om zo de opdracht van hun Meester te verwerkelijken? Vragen zij zich af welke machtsblokken het meest voordelig zullen zijn voor het christelijke geloof? Overleggen zij samen welk boek zij zullen schrijven om het geloof in Jezus van Nazareth zo weinig mogelijk aanstootgevend uiteen te zetten? Neen. In Hand. 1 : 14 vinden we het antwoord: Met een groep van ongeveer 120 personen volhardt men in het bidden en smeken.
Wat heeft de Heere grote dingen gedaan op het gebed! In de bijbelse geschiedenis en in de kerkgeschiedenis zijn daarvan treffende voorbeelden aan te wijzen. Jacob worstelde met God en hij overwon. Daniël ging in zijn drukke ambtelijke werkzaamheden iedere dag driemaal in de binnenkamer. Jozua bad tot God en de zon en de maan stonden stil. Het goddeloze Nineve bad en de Heere keerde het niet om. We weten van Luther dat hij juist in drukbezette perioden drie uren per dag bad. Hij stond bekend als een man die alles van God kon krijgen wat hij begeerde.
Zal dit aanhoudende gebed niet alles te maken hebben met hun gevoel van krachteloosheid? Zij hebben van hun Meester de opdracht ontvangen om het evangelie te preken, beginnende te Jeruzalem, via Judea en geheel Samaria tot aan de einden der aarde. Moet Petrus in Jeruzalem het evangelie prediken? In Jeruzalem wonen heel serieuze kerkmensen, die echter geen belangstelling voor Christus hebben. Ja erger. Hem doden... Als zij de Zaligmaker zo behandelen zullen zij dan Zijn volgelingen ontzien? En dan Petrus, wat is er van hem voor een verwachting? Hij verloochent zijn Meester voor een eenvoudig dienstmeisje. Hij blikt niet in de loop van een geweer, er wordt geen dolk op zijn borst gezet, toch verloochent hij de Zaligmaker. Moet zo iemand bij zulke vijanden van het evangelie van het kruis gaan prediken? Moet zo iemand bij Grieken het evangelie verkondigen, die er verachtelijk hun neus voor op zullen halen, omdat het zo weinig nieuws biedt? De apostelen lijken op Jona: liever laten zij een miljoenenstad verloren gaan dan dat zij zelf voor leugenaar staan... Mensen die slapen als Christus droevig en zeer beangst begint te worden, moeten onverschrokken de wereld be-evangeliseren. Dat is van tevoren tot mislukken gedoemd!...
Weten wij ons zo afhankelijk van God? Zijn wij zoals de Emmaüsgangers die Christus heilig dwingen om met ons te gaan? Hoeveel eigen kracht en eigen wijsheid schuilt er in ons!... Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12 : 9)... Zonder Hem kunnen wij niets doen...
Tegelijkertijd is hun aanhoudende gebed verbonden met Gods belofte. De scheidende Zaligmaker heeft gesproken: 'Gij zult de kracht van de Heilige Geest ontvangen'. Dat is hun gebed: niet hun wensen, maar wel Gods beloften zullen vervuld worden.
Ook wij hebben beloften van God. De Heere heeft de kerk van alle tijden en plaatsen beloofd dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen (Matth. 16 : 18). Zijn laatste woorden op aarde waren: 'Ziet, Ik ben met ulieden al de dagen, tot aan de voleinding der wereld' (Matth. 28 : 20. Heeft Petrus het niet onfeilbaar gezegd dat de laatste dagen de dagen van de Heilige Geest zijn? 'En het zal zijn in de laatste der dagen (zegt God) Ik zal van Mijn Geest uitstorten op alle vlees' (Hand. 2 : 17). Het woord 'uitstorten' heeft betrekking op volheid en kracht. De Heere geeft mild en overvloedig. Hij doet meer dan overvloedig boven alles wat wij bidden of denken (Ef. 3 : 20). En nog meer: er liggen nog onvervulde beloften ten aanzien van het joodse volk. Heeft de Heere ook daarvan niet gezegd dat de volheid van de joden tot zegen, overvloedige zegen, voor de niet-joden zou zijn (Rom. 11 : 12)? Verlangen wij naar een nieuwe reformatie, een nieuwe opwekking, een nieuwe krachtige doorbraak van de Heilige Geest, dan is dat onlosmakelijk verbonden met ons gebed voor Israël. Als de olijfboom bloeit, zullen ook de ingeëente takken vruchten van geloof en bekering dragen.
Gebed en geloof
Opwekkingspredikers van alle tijden zijn altijd mannen van gebed geweest. Het zijn mannen geweest die heel klein en onbetekenend in zichzelf waren. Mensen die gevoelden dat zij zonder God wel hun gehoor konden boeien, maar nooit de harten zouden treffen. Als de tijden donker waren, bleven zij niet klagen, maar zij bestormden des te meer de hemel met hun gebeden.
Evenals de apostelen kenmerken opwekkingspredikers zich hierdoor dat zij mannen van geloof zijn. Geloven is niet zien op de omstandigheden... Als we zien op de omstandigheden, kunnen we slechts moedeloos worden. De omstandigheden hebben sinds het paradijs nog nooit aanleiding tot verwachting gegeven. Uit de omstandigheden is nog nooit een reveil geboren. Een reveil komt uit God! Geloven wij in God?... Geloven wij in de Heilige Geest?... Geloven wij dat Gods Geest sterker is dan de geest van onze tijd? Geloven wij in Gods openbaring of houden we de verlichting voor de laatste gezaghebbende openbaring?...
Waar een gelovig gebed is, dat steunt op de Heere en Zijn toezeggingen alleen, daar is verwachting. Daar is de Geest der gebeden. En is het niet waar dat daar op Gods tijd (!) en op Gods wijze (!) ook de vervulling zal komen! 'Indien gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen', zo staat er tot tweemaal toe in Joh. 14 : 13-14. Als we hartelijk betrokken zijn op Gods eer, Gods Naam, Gods zaak, Gods kerk en Gods Koninkrijk, kan de Heere deze gebeden niet niet-verhoren... Hij zal nooit toestaan dat iemand op deze wereld reden heeft om God te verdenken. Zo bad Mozes: 'Toon mij nu Uw heerlijkheid'. Zo bad Jozua: 'Wat zult Gij dan met Uw grote Naam doen?' Zo bad Elia: 'Heere, God van Abraham, Izak en Israël, dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israël zijt'. Hij keek terug naar het verleden en zei niet dat het vroeger zo goed was en nu niets meer. Neen, uit Gods daden in het verleden trekt hij bemoediging voor het heden. Laat dit onze vurige bede zijn: 'Heere, dat het bekend worde dat Gij God in Nederland zijt'. Is er zulk een passie voor Gods eer en Gods Naam onder ons? Zo'n bidder is nuttiger voor onze kerk dan tientallen organisaties...
Dit was de kracht van John Knox, de Schotse Reformator. Zijn gebeden werden door Maria Stuart meer gevreesd dan een leger van duizenden soldaten. Het was geen vriendelijke oude man met een pijp in zijn hand, met wie je vrijblijvend een discussie kon aangaan. Door zijn geestelijke kracht en moed deed hij de gevreesde vorstin beven... Zijn geestelijke moed kon door het vuur van de brandstapels niet geblust worden. Als een Amos preekte hij: 'Gij koeien van Bazan', als een Jesaja zei hij: 'Gij oversten van Sodom' en als een Paulus was hij onverschrokken: 'Gij uitzinnige Galaten'. Hij was geen dienaar van mensen, maar met profetisch getuigenis richtte hij zich tot kerk en staat. Omdat hij God alleen en geheel diende... en vertrouwde...
Elia was een man van gelijke beweging als wij! Hij bad en het regende drieëneenhalf jaar niet. Hij bad en de Heere kwam opnieuw met een overvloedige regen. Waarom zou dit in de Schrift staan? We hoeven geen profeten en apostelen te zijn om zo te bidden... om zo de Heere te manen op Zijn eigen Woord!
4. Een reveil is een vervulling met de Heilige Geest
In Hand. 2 : 4 lezen we dat de biddende apostelen vervuld worden met de Heilige Geest. Dat is hun kracht en het geheim van hun zegenrijke bediening. Dit geeft hun kracht en het geeft tegelijkertijd geur en fleur van de prediking. Wij zijn altijd erg onder de indruk van de woorden van Kohlbrugge 'Werp het Woord er maar in en gij zult wonderen zien'. Dit is een troostvolle waarheid. Het herinnert ons eraan dat God niet afhankelijk is van de gesteldheid van de prediker. Aan de andere kant kunnen we er misbruik van maken. We kunnen lauw zijn in de begeerte naar Gods kracht in onze bediening.
Lezen we de Schrift, dan moeten we concluderen dat de prediking en de prediker onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Ook in de geschiedenis van opwekkingen kunnen we dit herkennen. Whitefield zegt: 'We kunnen het evangelie van Christus niet verder preken dan we de kracht ervan ervaren hebben in onze eigen harten'. Zegt Jeremia niet dat het Woord van God een vuur in zijn beenderen is? Zo gaat de liefde van Christus ons dringen. Zo bewegen wij de mensen tot het geloof, wetende de schrik des Heeren.
In 1 Thess. 1 : 5 lezen we: 'Want ons evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in veel verzekerdheid'. Al te gemakkelijk wordt het woord 'kracht' soms uitgelegd als 'wonder'. In het geheel van de Schrift bezien is dit allerminst noodzakelijk. We lezen dat het evangelie een kracht Gods tot zaligheid is. Moeten we daarom niet meer denken aan de kracht van de Heilige Geest in de bediening van het Woord? Ook in 1 Kor. 2 : 4-5 is het duidelijk dat het hier niet gaat over de met de prediking gepaard gaande wonderen, maar over de kracht van Gods Geest in de prediker en in de prediking. Ook van de richters lezen we keer op keer dat de Heere Zijn Geest op hen zond zodat zij bekwaam waren om het volk te leiden en te verlossen uit de hand van de vijanden. Door de Heilige Geest worden mensen aangevuurd. Nooit lezen we dat mensen de kracht van de Geest ontvangen en dan lui worden.
Doop
De vervulling met de Heilige Geest moeten we niet verwarren met de doop met de Heilige Geest. De doop met de Heilige Geest heeft een uniek karakter. Zoals onze kinderdoop ook een eenmalig feit is, dat gepaard gaat met een bijzondere ceremonie, zo is ook de doop met de Heilige Geest een eenmalig heilshistorisch feit, dat verbonden is met bijzondere tekenen.
Het valt ons in het vervolg van het Nieuwe Testament ook op dat er in de brieven van Paulus nergens op aangedrongen wordt om met de Geest gedoopt te worden. Bij alle aansporingen tot heiligmaking ontbreekt deze vermaning. Wel lezen we eenmaal van de doop met de Geest in 1 Kor. 12 : 3. Hier zien we dat het niet betekent dat bepaalde gemeenteleden niet gedoopt zijn met de Geest, maar dat er juist gesteld wordt dat iedere gelovige wel met de Geest gedoopt is. Het is onmogelijk een christen te zijn zonder met de Heilige Geest gedoopt te zijn... Wie tot bekering en geloof komt, wordt in de met de Geest gedoopte gemeenschap opgenomen.
De oplossing van Lloyd-Jones acht ik minder geschikt. Hij stelt in zijn boek 'Joy Unspeakable' dat Paulus aan de gemeente van Korinthe kon schrijven dat alle gemeenteleden met de Geest gedoopt waren, omdat dit zo'n bijzonder geestelijke gemeente was. Dus alle gemeenteleden van Korinthe zouden die bijzondere Geestesdoop ontvangen hebben. Overzien we wat voor een gemeente Korinthe is, dan is dit niet waarschijnlijk. Paulus schrijft ervan, dat zij vleselijk zijn (1 Kor. 3 : 1). De meest onchristelijke praktijken komen juist in Korinthe voor. Zelfs de opstanding wordt geloochend.
De doop met de Heilige Geest heeft betrekking op het feit dat de Geest uitgestort is op de pinksterdag. In dit verband is het ook dat we de verschijnselen hiervan ook in Hand. 8, 10 en 19 tegenkomen. Had Jezus niet gezegd dat het evangelie gepredikt moest worden in Jeruzalem, geheel Judea, in Samaria tot aan het einde van de aarde (Hand. 1 : 8). In Hand. 8, 10 en 19 zien we de uitwerking van deze opdracht; de grondlegging van de kerk ook buiten Jeruzalem.
Het feit dat de doop met de Heilige Geest een eenmalig heilshistorisch feit is waar het boek Handelingen ons van getuigt, wil niet zeggen dat de vervulling met de Heilige Geest eenmalig is. In tegenstelling tot de doop met de Heilige Geest lezen we van de vervulling met de Heilige Geest wel dat dit meermalen plaatsvindt. Van de apostelen lezen we in Hand. 4 : 8 en 31 opnieuw dat zij met Gods Geest vervuld worden. We lezen het van Stefanus in Hand. 7 : 55. We komen het tegen bij Paulus (Hand. 9 : 17 en 13 : 9). In de brief aan de gemeente van Efeze vermaant Paulus: 'Wordt vervuld met de Geest'. Zo'n dertig jaar na pinksteren richt hij deze vermaning tot deze christelijke gemeente. Hij schrijft het in deze betekenis: 'wordt aldoor vervuld'. Overigens blijkt hieruit dat we de vervulling met de Heilige Geest niet moeten degraderen tot een eenmalige beleving. Het is een voortgaand proces.
De vervulling met Gods Geest is werkelijk en bijbels. Derhalve moeten we deze verdieping en ervaring van het geestelijk leven met kracht verdedigen. Ligt hier niet ons manco? Waar zijn de predikanten en gemeenteleden die werkelijk met Gods Geest vervuld zijn en voortdurend worden? Wie vervuld is met Gods Geest is leeg van eigen kracht, eigen wijsheid en eigen eer. Wie vervuld is met Gods Geest zal ook een diep inzicht hebben in de heerlijkheid van Christus. Dat is immers het eigenlijke werk van de Geest van Christus: 'Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijn nemen, en zal het u verkondigen' (Joh. 16 : 14). Vervuld met de Heilige Geest zal ook in ons leven de gelijkvormigheid met Christus gestalte krijgen in zelfverloochening en zelfopoffering. Door de Geest zullen de werkingen van het lichaam gedood worden (Rom. 8 : 13). Wordt op deze wijze ons leven niet een middel om anderen te winnen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's