De twee-eenheid van bestuur en beheer
Op 15 december l.l. werd in de Goede Herderkerk te Bameveld een door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond uitgeschreven vergadering gehouden over 'Bestuur en beheer', dit naar aanleiding van de wijzigingsvoorstellen in de ordinanties 16 en 18 van de Kerkorde, die beogen te komen tot één vorm van kerkvoogdelijk beheer in de Nederlandse Hervormde Kerk. Ruim 700 kerkvoogden, notabelen en ambtsdragers uit een groot aantal hervormd-gereformeerde gemeenten woonden die bijeenkomst bij, zodat de kerk tot de laatste plaats bezet was. Bijgaand treffen de lezers aan het referaat van ondergetekende, onder de titel 'Twee-eenheid van bestuur en beheer'. Mr. G. Holdijk heeft enige tijd geleden uitvoerig aandacht gegeven in ons blad aan de kwestie, n.a.v. het rapport van een commissie vanwege het hoofdbestuur onder zijn voorzitterschap. Op de bijeenkomst in Barneveld heeft hij nu gerefereerd over het thema 'Een uitweg uit de beheerskwestie in de Nederlandse Hervormde Kerk'. Mr. Holdijk gaf opnieuw een doorkijkje in de hoofdzaken van de voorliggende problematiek, alsook in de inhoud van de nota van de G.B., terwijl hij tevens inging op vragen, die n.a.v. één en ander waren gerezen. De teksten van de referaten worden, samen met een bijdrage van de heer K.A. Gort te Putten (lid van de commissie), bevattend een historisch, gedocumenteerd overzicht van de beheerskwestie, binnenkort in een boekje uitgegeven. Een exemplaar ervan zal, evenals is geschied met de nota van de G.B., aan de kerkeraden worden toegestuurd, met het verzoek het ook door te geven aan de kerkvoogdij en met een formulier om meerdere exemplaren te bestellen. Op de bijeenkomst in Barneveld was ruimschoots gelegenheid tot het stellen van vragen. Gegeven het feit dat zowel kerkvoogden, c.q. kerkeraadsleden uit gemeenten met vrij beheer, als uit gemeenten met zgn. aangepaste kerkvoogdij aanwezig waren, waren de vragen van uiteenlopende aard. Sommigen wezen de figuur van ouderling-kerkvoogd af, anderen memoreerden met dankbaarheid hun bezig-zijn als ouderling-kerkvoogd. Sommigen vonden de synodevoorstellen mild, anderen wensten een radicaal 'nee'. Vragen werden gesteld over dreigende dwang, uitholling van de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Samen op Weg ('we zaten hier niet als S.O.W. niet speelde'), de bijbelse fundering van de ouderling-kerkvoogd (hoe zit het met het bevestigingsformulier?), de kwestie van het toezicht, de problematiek van kleine gemeenten, de terminering van de overgangsbepalingen en de relatie diakonie-kerkvoogdij. Aan het eind van de bijeenkomst werd unaniem een verklaring (een 'signaal') aanvaard, die werd gezonden naar de generale synode van de Nederlandse Kerk en (in afschrift) naar de classicale vergaderingen en de Vereniging van Kerkvoogdijen in de Ned. Herv. Kerk. In januari moeten de classes considereren. De Vereniging van Kerkvoogdijen raadpleegde de kerkvoogdijen in de vorm van een enquête. Het woord is nu aan de gemeenten en de classes. Wij hopen van harte dat het gegeven signaal ter harte zal worden genomen, zodat in de hele kerk valt te leven met een nieuwe regeling voor het beheer. In ons blad zullen we op verschillende aspecten nog nader terugkomen.
Op 10 October 1988 vond in deze zelfde kerk een drukbezochte ambtsdragersvergadering plaats, óók belegd door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond. Gesproken werd over Samen op Weg en de knelpunten daarin voor gemeenten, die principiële bezwaren hebben tegen 'Samen op Weg' en zich in dat proces meegenomen voelen van hogerhand. In grote eensgezindheid werd door de achthonderd aanwezigen een manifest aanvaard, waarin de zorg werd verwoord en de synode werd opgeroepen zorg te hebben óver die zorg, die uitgesproken werd. Die zorg werd ingegeven door het verlangen naar een kerk, die ook in de toekomst belijdende kerk zal zijn in de zin van de belijdenis. Eén en ander heeft z'n uitwerking niet gemist.
Het karakter van déze vergadering is geheel anders. In de eerste plaats gaat het vandaag niet rechtstreeks om zaken, die het belijden der kerk in diepere zin raken. En verder is het zo, dat niet deze vergadering maar de kerkeraden afzonderlijk hun mening moeten gaan kenbaar maken over de synodale voorstellen met betrekking tot het bestuur en het beheer in de gemeenten. Wat wij vandaag hier doen is samen nadenken over de materie, die op tafel ligt, opdat elke kerkeraad, c.q. kerkvoogdij voor zich een juiste beslissing kan nemen. Het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond heeft niet méér willen doen dan — op veler verzoek overigens — een stukje dienstverlening geven voor de meningsvorming.
Waar het om gaat
Waar het vandaag om gaat behoeft nauwelijks nog toelichting. Sinds 1951, toen de nieuwe kerkorde werd ingevoerd, kent onze kerk drie vormen van beheer: nieuw toezicht (de aangepaste kerkvoogdij), oud toezicht en vrij beheer. Voor goed verstaan geef ik puntsgewijs nog even een stukje geschiedenis ten aanzien van het beheer.
Vóór de franse revolutie had de Gereformeerde Kerk hier te lande een monopoliepositie. De overheid kende aan deze kerk alle kerkelijke goederen toe. Met de franse revolutie werd dat anders. De goederen werden toegekend aan de grootste groepering ter plaatse. In de zuidelijke provincies vervielen bijvoorbeeld kerkgebouwen aan Rome. De kerktorens bleven eigendom van de overheid.
Toen de franse overheersing voorbij was bracht Koning Willem I de kerk onder de Reglementenbundel (1816). Toen werden het bestuur en het beheer van elkaar gescheiden. Het beheer werd door de koning toe vertrouwd aan plaatselijke kerkvoogden, die onderworpen waren aan een provinciaal college van toezicht. Boven die provinciale colleges stond de minister van eredienst. De koning was om zo te zeggen de hoogste kerkvoogd.
In 1866 werden bij koninklijk besluit de goederen aan de kerk overgedragen en ging het ministerie voor eredienst ter ziele. De gemeenten konden toen kiezen voor vrij beheer of toezicht. Ongeveer 400 kerkvoogdijen kozen voor vrij beheer, 800 voor toezicht, het huidige óúd toezicht.
Het is goed hier nog eens te onderstrepen wat ds. W. van Gorsel schreef in het Gereformeerd Weekblad, namelijk dat de beheerskwestie, die zo in de vorige eeuw in onze kerk is ontstaan, in feite een gevolg is van de scheiding tussen kerk en staat, als uitvloeisel van de franse revolutie. Hij zegt: 'Wanneer men bedenkt, dat de kerkvoogdijen zijn ontstaan uit het beginsel van de scheiding van kerk en staat, en dat die kerkvoogdijen hun bestaan te danken hebben aan de staatscreatuur, dat Koning Willem I de kerk van bovenaf oplegde — een organisatie, die vreemd is aan het wezen der kerk — dan kan men toch deze vorm van beheer niet op bijbelse gronden verdedigen?'
In 1951 kwam, na een kerkstrijd van meer dan een eeuw, eindelijk een eind aan de Reglementenbundel, waaronder de kerk zo lang had gezucht. Toen moest ook orde op zaken worden gesteld ten aanzien van het beheer in relatie tot het bestuur. Het grondprincipe van de nieuwe kerkorde in deze was, dat de regering van de kerk werd teruggebracht tot de ambtelijke vergaderingen. Het beraad van de ambten gezamenijk speelt in het leiding geven aan de gemeente een centrale rol. Daarbij behoort ook de beheerskwestie. Ook de stoffelijke aangelegenheden van de kerk werden binnen ambtelijke beddinggebracht. Daarom werd in het ambt van ouderling ook de kerkvoogd begrepen, ouderling-kerkvoogd genaamd, als ouderling namelijk met een bepáálde opdracht. Omdat historische gegevenheden echter niet op slag en stoot zijn om te buigen werd geen dwang opgelegd om alle gemeenten van de ene dag op de andere aan te passen aan het nieuw beheer. Overgangsbepalingen maakten het mogelijk, dat gemeenten met vrij beheer of oud toezicht naar de situatie van nieuw beheer konden toegroeien.
Welnu, vandaag is de situatie zó, dat 987 gemeenten zijn aangepast (69 procent van het totaal), terwijl 267 gemeenten vrij beheer hebben en 185 gemeenten oud toezicht. In grote meerderheid is het nieuw beheer en daarmee de ouderling kerkvoogd geaccepteerd binnen de kerk. In hervormd gereformeerde kring ligt de zaak heel verschillend. Ik wil bepaald niet zeggen verdeeld. Als we bedenken, dat van de gemeenten met vrij beheer er 95 in Friesland liggen, of in totaal 117 in provincies waar nauwelijks hervormd gereformeerde gemeenten te vinden zijn, dan is duidelijk dat in hervormd gereformeerde kring ook slechts een deel van de gemeenten vrij beheer heeft. Er zijn ook veel gemeenten met een aangepaste kerkvoogdij, hetzij omdat men daarvoor ten principale koos, hetzij doordat de gemeente na 1951 ontstond en tot aanpassing verplicht was, hetzij doordat de gemeenten 'gemengd' zijn wat betreft de modaliteiten.
Enkele jaren geleden bijvoorbeeld (in 1985) riep de classis Alblasserdam nog in grote meerderheid (vier stemmen tégen) de gemeenten in het ressort — vrijwel uitsluitend hervormd gereformeerde gemeenten — op om tot aanpassing over te gaan. We zouden dan ook een verkeerde indruk wekken als we vanmorgen zouden zeggen, dat hervormd gereformeerde gemeenten, wat het beheer betreft, gekenmerkt zijn door een principiële keuze voor vrij beheer. Daarom zullen we vandaag ook waken voor absolute keuzen.
Mij dunkt, dat we het zwaartepunt van onze bezinning vanmorgen niet moeten leggen bij de kwestie van de ouderling-kerkvoogd. Het is volstrekt duidelijk dat deze ouderling een ouderling is met een bepáálde, niet-pastorale opdracht. Het gaat nu echter om voorstellen, die heden ter tafel liggen.
Geestelijk
De vraag is wèl of de arbeid van de kerkvoogden, aangepast of niet aangepast, geestelijk is of niet. Mij dunkt, dat het in gemoede niet vol te houden is dat kerkvoogdelijke arbeid niet geestelijk van aard zou zijn. Geld en goed zijn op zich al niet waarden-vrij (ik zeg waarden-vrij, niet waarde-vrij), laat staan dat dat in de gemeente van Christus het geval zou kunnen zijn. Niet zonder reden wordt in de bezinning ten deze nogal eens gewezen op Titus 1 : 7vv, waar over de opziener als 'huisverzorger Gods' wordt gesproken. Hij is een beheerder, een oikonomos, econoom van het huis Gods. We brengen onze gaven, onze geldelijke gaven in het huis Gods voor het Aangezicht des Heeren.
Het géven is zo een verantwoordelijke zaak. Het onthóúden van gaven is een ernstige zaak, het beheer van de gelden, die aan de gemeente zijn toevertrouwd, is een hóógst verantwoordelijke zaak. Alles voltrekt zich Coram Deo, voor het Aangezicht des Heeren. De profeet Maleachi zegt: 'Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijs is in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heerscharen, of Ik u dan niet open doen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen' (Mal. 3 : 8). Onze geldelijke gaven en geestelijke zegen hebben alles met elkaar te maken. De keerzijde is dat ongeestelijk beheer het tegendeel van zegen kan oproepen, zodat de gééstelijke zegen wordt verspeeld.
Als we het beheer van de gemeente ontdoen van zijn geestelijk karakter zou het woord van Jezus van toepassing kunnen zijn, als Hij namelijk de wisselaren in de tempel verwijt, dat ze het huis Gods tot een huis van koophandel hebben gemaakt. Kerkvoogden zijn geen kooplieden of bankiers.
Kerkvoogdij/kerkeraad
Dit brengt ons op de verhouding tussen kerkvoogdij en kerkeraad. Laat ik voorop stellen, dat kerkvoogden, onder welke beheersvorm ze ook werken, met grote toewijding voor het welzijn van de gemeenten hun krachten geven. De schrijnende verhalen uit het verleden zijn vaak meestal ook verleden tìjd. In een gemeente, niet ver van de gemeente waar ik mijn jeugd doorbracht, stond in de pastorie een bord met opschrift: 'deze pastorie wordt onderhouden door de kerkvoogdij van de hervormde gemeente...'. Nee ik noem geen naam. De kerkvoogdij van die gemeente zal hier overigens zeker niet aanwezig zijn. Zulke toestanden lijken mij voorgoed voorbij te zijn. Een situatie met een áángepaste kerkvoogdij behoeft in dit verband overigens nog geen garantie te zijn voor een góéde relatie tussen kerkeraad en kerkvoogdij, terwijl onder vrij beheer de verhouding en de samenwerking met de kerkeraad uitermate harmonieus kan zijn.
Maar welke arbeid in de gemeente zou zich nu ten diepste aan de invloedssfeer van de kerkeraad mógen onttrekken? Laten we eerlijk zijn: in veel gemeenten, zo niet alle, wordt toch door de kerkeraad nauwlettend toegezien, dat gemeentelijke activiteiten, zoals verenigingswerk en kringwerk, zich niet buiten of te vèr buiten het toeziend oog van de kerkeraad voltrekken! Zou dit dan wel het geval mogen of kunnen zijn bij zo'n vitaal onderdeel van het gemeentelijke leven, namelijk het beheer van kerk en goed? Er is geen gereforméérde kerk buiten de Nederlandse Hervormde kerk of haar kerkorde, haar gereformeerde kerkorde, kent eenheid van bestuur en beheer. Daar kijkt men met knipperende ogen tegen de complexe beheerssituatie in onze kerk aan. Als zodanig betekende de kerkorde van 1951, wèlke bezwaren men ook daartegen moge aanvoeren, een terugkeer tot een gereformeerd uitgangspunt.
In 1922 al kritiseerde ds. I. Kievit de scheiding van bestuur en beheer, tijdens een bijeenkomst van kerkeraden in het kader van het door hem geleide Convent, dat ook de afschaffing van de Reglementenbundel beoogde. De kerkeraden, zei hij, komt ook het het beheer van de stoffelijke goederen toe, en al is in de praktische situatie niet zo gemakkelijk verandering aan te brengen, kerkvoogdijen dienen wel nauw met de kerkeraden samen te werken.
Gegeven wat ik tot nu toe gezegd heb kan het geen verbazing wekken, dat in de beleidsstukken, die het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond de jaren door over de beheerskwestie heeft uitgegeven, één en ander maal is gepleit voor een nauw bijeen houden van bestuur en beheer oftewel van kerkeraad en kerkvoogdij. De praktijk is overigens geweest dat, óók wanneer kerkvoogdijen niet aangepast waren, kerkvoogden soms ouderling waren of ouderlingen tevens kerkvoogd.
Nu de nieuwe voorstellen van de synode dan ook ter tafel liggen, waarin een uniforme beheersregeling wordt beoogd, kan dat op zich ons bezwaar niet hebben. In het recent vanwege het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond uitgegeven rapport is dat ook duidelijk gesteld. Mr. Holdijk zal dit nog verder toelichten. Waar het nu voornamelijk om gaat is, dat in de synodale voorstellen tevens wordt bepleit de scheiding tussen bestuur en beheer geheel op te heffen. In ieder geval moet een meerderheid van het college van kerkvoogden uit ouderling-kerkvoogden bestaan.
Tegen deze absolute opheffing nu van de scheiding tussen bestuur en beheer hebben we in het rapport bezwaar gemaakt. De vraag is dan natuurlijk wèl waaròm we blijven pleiten voor een scheiding, noem het liever een onderscheiding tussen bestuur en beheer.
Vooropgesteld zij, dat eenheid in beheersregeling binnen de kerk gewenst is. Een kerkorde heeft als het goed is toch een éénduidige visie met betrekking tot ook het stoffelijk beheer, dat als gezegd een geestelijke dimensie heeft? Een kerkorde is zelfs een theologisch stuk. Als wij stáán voor een hervormde kerk in gereformeerde zin, dan zullen wij óók stáán voor een eenduidige hervormde, dat is gereformeerde kerkorde. Maar intussen heeft stòffelijk beheer wel een andere dimensie dan het pastoráál bestuur. Als we het geestelijk karakter van het beheer willen onderstrepen, dan is daarmee dan ook niet gezegd, dat dit ook geheel door ouderlingen moet geschieden. Het stoffelijk beheer vraagt om financiële, economische, beheerstechnische deskundigheid. Als zodanig is het goed, dat voor dit werk in de gemeente kerkvoogden, met hùn concréte deskundigheid, beschikbaar zijn, zonder dat ze nu direct ambtsdrager met een pastorale opdracht móéten of ook wìllen zijn. Ze hebben een bepáálde opdracht. Daarom is het ook te prefereren — zeker in de complexe situatie van het beheer van hervormde kerkelijke goederen, met allerlei historische rechten en plichten — dat een college van kerkvoogden, hoewel nauwgebonden aan de kerkeraad, toch een eigen verantwoordelijkheid heeft. De hervormde Vereniging van Kerkvoogdijen heeft dit ook tot uitdrukking gebracht door te stellen, dat vaststelling van de begroting een zaak moet blijven van de kerkvoogdij. En niet — zoals de synodale voorstellen beogen — een zaak van de kerkeraad. Het is dunkt ons een goede lijn wanneer de kerkvoogdij zelf de begroting vast stelt, hoewel ná goed overleg met de kerkeraad, liever nog dan ìn overleg met de kerkeraad. Terecht is als bezwaar aangevoerd tegen de opheffing van de scheiding — ons bereikten daarover verschillende brieven — dat kerkeraadsvergaderingen dan te veel belast gaan worden met de materiele zaken en de pastorale kanten van het kerkeraadswerk naar achteren gedrongen worden.
Gegeven dit alles is in de beleidsnota van het hoofdbestuur gepleit voor een zelfstandig college van kerkvoogden (dus handhaving van de (onder)scheiding) met een meerderheid van niet-ambtsdragers. Opdat de eigen verantwoordelijkheid van de kerkvoogdij ook blijve.
Laten we ons intussen goed realiseren, dat deze zaak àlle kerkvoogdijen geldt, niet alléén de kerkvoogdijen met vrij beheer. Het gaat hier om de structuur van de hervormde kerkvoogdij in onderscheid van de beheersregeling binnen de Gereformeerde Kerken.
Het voorzitterschap van het betreffende college zal zeker bij een terzake deskundige kerkvoogd moeten liggen. De president-kerkvoogd moet in ieder geval ook gekozen kunnen worden uit de niet-ambtsdragers.
Samen op Weg
We beseffen, dat we intussen niet om de vraag heen kunnen waarom op dìt moment de synodale voorstellen ter tafel liggen. Het is niet helemaal juist om de kwestie zelve helemaal terug te brengen op 'Samen op Weg', al speelt dit een belangrijke rol. Feit is, dat bij de nieuwe beheersregelingvan 1951 het vrij beheer en het oud toezicht geregeld werden in de zogeheten overgangsbepalingen. En overgangsbepalingen — het woord zegt het al — zijn niet altijd-durend. Uit het feit overigens dat de herbezinnig op één en ander zo lang op zich heeft laten wachten, mag gevoegelijk blijken, dat het gaat om een complexe materie. Als zodanig willen we er ook — in de richting van de synode — voor waarschuwen, dat men geen overhaaste stappen neemt. Wanneer commissies, zoals de Commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden (KOA), er al zo lang over hebben gedaan voor men 'eruit' was, dan mag men zeker wel de tijd geven aan kerkeraden en kerkvoogdijen om in alle rust, zonder dreiging van dwang, de zaken waarom het gaat te overwegen. Iedere keer treedt een nieuwe generatie ambtsdragers en kerkvoogden aan, die zich de zaken, waarom het gaat eigen moeten maken. Geef derhalve — synode! — de tijd voor een rustige, diepgaande bezinning, zou ons advies zijn.
De Hervormde commissie voor Kerkordelijke Aangelegenheden is pas na jaren van wikken en wegen tot de nu voorliggende regeling gekomen, na principiële onenigheid met de gereformeerden. Me dunkt dat er pas enige versoepeling is ingetreden toen duidelijk werd dat Samen op Weg in de richting van de hervormde Kerkorde ging koersen.
Want natuurlijk speelt 'Samen op Weg' een rol. Het gaat niet aan — zoals op de vergadering van de Vereniging van Kerkvoogdijen op 20 October l.l. gebeurde — dit element te verdringen. Bij zijn afscheid heeft de heer C.D. Hamelink, oud-directeur van de Generale Financiële Raad, in een interview (met het ANP), gezegd, optimistisch te zijn over 'Samen op Weg', gezien ook de nieuwe beheersregeling.
Hier liggen voetangels en klemmen. Wanneer we de geschiedenis van de Doleantie op ons laten inwerken, dan constateren we dat ook in die tijd de kwestie van de kerkelijke goederen een heet hangijzer was. Kuyper had goede hoop, dat hij met zijn Doleantiestreven ook de hand zou kunnen leggen op de kerkelijke goederen. Dat bleek, na veel juridisch geharrewar, niet het geval te zijn.
Uiteindelijk is het dan ook zó, dat de naam van de dolerenden alles te maken heeft gehad met die kerkelijke goederen. Men doléérde, trèùrde om de derving van de kerkelijke goederen.
We leven nu honderd jaar verder. De rollen zijn nu omgekeerd. Nu gaat het niet om een afscheiding, met een claim op de kerkelijke goederen. Nu gaat het om een hereniging, voorlopig nog federatie, met onzékerheid — althans zo wordt het gevoeld — ten aanzien van de kerkelijke goederen. Vandaar dat in brede lagen van de kerk toch de wens leeft om de (onder)scheiding tussen bestuur en beheer te handhaven.
In dit verband wil ik ook klare wijn schenken. Het manifest van de ambtsdragers, die aanwezig waren op de ambtsdragersvergadering van 20 October 1988 alhier, heeft — zoals ik al zei — zijn uitwerking niet gemist. De synode gaf er ruim aandacht aan. Een synodale commissie inventariseerde de knelpunten. Op een volgende synodevergadering wordt de nota 'Over knelpunten gesproken' op de synode behandeld.
Eén der knelpunten betreft de classis. Hoe zal het gaan met gemeenten, die niet met 'Samen op Weg' mee willen, in een classicaal ressort, waar de hervormde classis en de classis van de Gereformeerde Kerken gefedereerd samen gaan? Komen die in een dwangpositie? Daarover zal duidelijkheid moeten komen. Federatie is geen fusie. Hervormde gemeenten moeten onder de hervormde kerkorde verder kunnen gaan. Tot heden is er met name van gereformeerde zijde verzet om te komen tot regelingen, waarin ruimte wordt geboden aan minderheden. We missen bijvoorbeeld tot heden in de Tussenorde voor gefedereerde gemeenten énige regeling met betrekking tot minderheden, zeg ook hervormd gereformeerde minderheden, die bijvoorbeeld — zoals onder de hervormde kerkorde mogelijk is — willen komen tot vorming van een buitengewone wijkgemeente (onder verantwoordelijkheid van de centrale gefedereerde kerkeraad dus).
Wij willen de synode vragen: schenk in deze klare wijn. Maar dat zal dan ook moeten gebeuren ten aanzien van de materie, waarvoor we vandaag bijeen zijn. Ook het beheer wordt in de knelpuntennota genoemd. Komt hervòrmd beheer van de hervòrmde gemeenten in een voortgaand 'Samen op Weg' niet onder spanning te staan?
Dit gezegd hebbende stel ik voorop, dat we ook in het Samen op Weg-proces het geding aangaan op gééstelijke wijze, en niet met het oneigenlijke middel van geld en goed. Maar als we stellen, dat ook het beheer een geestelijke aangelegenheid is, dan willen we niet vergeten hoe voorgeslachten hun offers hebben gebracht voor de kerkelijke goederen, die ons vandaag zijn toevertrouwd en die door Afscheiding en Doleantie, heen worden bewaard. Historisch besef binnen de kerk is ook geestelijk bepaald.
Daarom willen we toch vanuit deze vergadering een signaal geven in de richting van de ambtelijke vergaderingen, om duidelijkheid te scheppen hoe het in de toekomst gaan zal met betrekking tot die gemeenten, die zònder dwang — zoals is toegezegd — onder de hervormde kerkorde verder willen gaan. We zouden dit signaal zelfs vanuit deze vergadering officieel naar de synode en in afschrift naar de classicale vergaderingen kunnen sturen.
Wij beseffen, dat het hele kerkelijke leven binnen een gereformeerde kerkstructuur mede hangt aan de ambtelijke vergaderingen. En in een presbyteriaal synodale kerkinrichting — die wij ten principale voorstaan — moeten dingen ook centraal kerkordelijk geregeld worden. Maar het gáát in de kerk om de geméénte. En daarom moeten de synodale voorstellen, zoals die nu voorliggen, geëvalueerd worden naar de toekomst toe. De synode bezinne zich derhalve op de classis en op de kerkelijke goederen als wezenlijke (knel)punten in 'Samen op Weg', in een samenhangende benadering.
Conclusie
Onze conclusie is, dat we alle aandacht momenteel moeten richten op de kwestie van de (onder)scheiding van bestuur en beheer. En dat we, bij het bepalen van ons standpunt, uitdrukkelijk te kennen moeten geven, dat de kerkelijke goederen in de gemeenten niet door dwang van bovenaf mogen worden bedreigd, zeker niet gezien de ontwikkelingen binnen 'Samen op Weg'.
Maare overigens: wie het werk van een opziener begeert, en dat geldt ook voor de huisbezorgers Gods, begeert een voortreffelijk werk. Teneinde de Kerk van Christus in de gemeente te dienen.
Referaat voor vergadering van kerkeraden en kerkvoogdijen op zaterdag 15 december 1990 te Barneveld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's