De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

10 minuten leestijd

Recent namen we in deze rubriek op een stuk, geciteerd uit het dagblad Trouw, over ontmoetingen van wijlen H.M. Koningin Wilhelmina met een schaapherder te Elspeet. Een lezer(es) was zo vriendelijk een geschrift van de hand van H.M. toe te zenden, dat de titel draagt 'De Heer is Mijn Herder', gedrukt bij De IJssel in Deventer. Het is een vrije vertelling van wat ze aantrof in 'Het Beste uit Readers Digest'. Hier volgt het:

In het nummer van september 1960 van 'Het Beste uit Reader's Digest' trof ik een verslag aan van een onderhoud van James K. Wallace met een herder uit het Baskenland over de drieëntwintigste psalm, dat ik met toestemming vrij vertel.
Tot beter verstaan van wat volgen zal, moge ik even uit eigen ervaring vertellen.
Wij waren op vakantie in Noord-Engeland en ik schilderde aan de voet van een hoge steile berggroep.
Ik zat daar in een golvend landschap, dat bekleed was met een schamel soort berggras. Iets hogerop dan waar ik schilderde stonden twee reusachtig oude ceders onder welker hoge kruinen een groot gebouw schuilging. Het bleek mij de schaapskooi voor de schapen van het gehele district te zijn, want tegen de avond trokken verscheidene herders langs mij heen, iedere herder gevolgd door zijn eigen kudde. Zij waren op zoek naar betere weiden, op weg naar hun avondmaaltijd. De lezer ziet hieruit hoe verschillend hetgeen wij thuis gewoon zijn is van hetgeen ik daar waarnam.
Het is mij gebleken, dat er grote overeenkomst bestaat tussen het herdersleven en de plichten der herders van Palestina tot Spanje toe. De drieëntwintigste psalm is hun toevlucht bij afmattende omstandigheden zoals grote hitte of storm en in de donkere nachten, waarin verscheurende dieren ongemerkt hun schapen belagen en bij andere gevaren die dreigen.
De geheimen van het beroep gaan over van vader op zoon, vaak tot in het twintigste geslacht. Een bewijs hiervan is, dat de Baskische herder spontaan de drieëntwintigste psalm begon op te zeggen. Daarbij leverde hij uitleg op de werkelijke, diepe betekenis hiervan.

De Heer is mijn Herder, mij zal niets ontbreken (vers 1)
Om vier uur begint de dag. De herder roept zijn eigen schapen ieder bij naam. Zij herkennen zijn stem en nadat hij ze uitgeleid heeft, volgen zij hem. Vers één drukt het vertrouwen uit, dat het schaap in zijn toekomst heeft: dat de herder het plan van de tocht voor de komende dag gereed heeft.

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel, Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil. (vers 2 en 3)
Tot tien uur grazen de kudden. Eerst op de minst goede gronden om op steeds betere weiden te komen en de maaltijd te eindigen op de beste weide. Deze weide moet tevens beschaduwd zijn, daar de dieren daar gaan liggen herkauwen, hetgeen belangrijk is voor hun welzijn. De schapen hebben dorst en zijn alleen bereid te drinken uit stilstaand water. De herder gaat op zoek naar een moeras of meertje en vindt hij dit niet, dan damt hij een beekje of een waterval die langs de rotsen klettert af, waardoor tijdelijk een meertje ontstaat.
Voor ieder schaap heeft de herder één keer per dag een ogenblik voor het uitwisselen van vriendschapsbetuigingen, waarbij het tussen hen innig toegaat. Daartoe verlaat het dier zijn plaats in de kudde, die het verder de gehele dag inneemt.

Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zoude geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Door het hoge gebergte loopt in de weg van Jeruzalem over Jericho naar de Dode Zee een donkere, gevaarlijke kloof die in diepe schaduw ligt. Tot 450 meter rijzen de rotsen omhoog. Onderin wringt zich daartussen met moeite een smal voetpaadje.
In nachtelijk donker zoekt de eenzame wandelaar zeven kilometer, d.i. anderhalf of twee uur gaans, zijn weg. Buitendien moet hij oppassen voor spleten van soms twee meter diepte, die dwars over het sluippaadje liggen.
Terwijl dit pad eerst langs de linkerzijde van de kloof kronkelt, gaat het opeens verder op de rechterzijde en wel met een hoogteverschil van een halve meter met ook daaronder weer een afgrond; dit vereist een hele sprong! Het is dan ook niet te verwonderen, dat deze bergengte tot ver buiten Palestina bekend is; zelfs onze Baskische herder kende hem bij geruchte.
David kende dit dal uit eigen ervaring en beschrijft dit daarom in zijn psalm.
De gesteldheid van de bodem met name de schamele grasgroei en de gesteldheid van het klimaat dwingen de herders twee maal per jaar de tocht door 'het dal van de schaduw des doods' met hun kudde te ondernemen, waarbij zij de regel in acht nemen, dat heenwaarts trekkenden 's morgens gaan en de terugkerenden 's namiddags. Overal waar het moeilijk is, staan ze klaar hun schapen één voor één te hulp te komen en over de hindernissen heen te helpen: daartoe dient de krul bovenaan hun lange staf. Ook spreken ze hun moed in, de noodzakelijke sprongen te wagen. Met hun stok verdrijven zij de wilde honden, die mochten pogen uit het gebergte tot hun kudde door te dringen.

Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders. (vers 5a)
In dit vers gaan Davids gedachten uit naar de lente, naar de weiden in zijn land waar dan in het welige gras giftige planten voorkomen. De herder moet dus vooruitlopen en zorgvuldig met hun houweel plant voor plant, die gevaar oplevert voor zijn schapen, met wortel en blad uit de bodem rukken. Hij doet dit onkruid op stapels die hij later in brand steekt. Na deze zuivering van het terrein brengt hij zijn schapen naar de alsdan veilige weide. Daarbij blijft hij steeds waakzaam voor verscheurende dieren.

Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. (vers 5b)
Tegen de avond keert de kudde terug in haar kooi. De herder gaat aan de deur staan en laat de schapen één voor één langs zijn waakzaam oog gaan, opdat hem geen doorn, geen tranend oog of bult ontgaan zou. Hij giet verzachtende, helende olie, die daartoe steeds aanwezig is, op de pijnlijke plekken. Is dit onderzoek afgelopen, zo vult hij de grote beker uit de voorraad water, die in een hoge kan op de dorstige kudde staat te wachten. Alle drinken tot zij ten volle gelaafd zijn en leggen zich neer voor de nachtslaap. De herder wikkelt zich in zijn mantel en gaat voor de poort liggen met zijn gezicht gekeerd naar de kudde.

Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle dagen mijns levens en ik zal in het Huis des Heeren blijven in lengte van dagen. (vers 6)
Het slotvers neemt het vertrouwen over, dat vers één uitdrukt, maar nu in een nooit eindigende toekomst. Zijn verhaal over de drieëntwintigste psalm besloot de Baskische herder ongeveer met de opmerking, dat na al de bescherming en goede zorg, die het schaap geniet van zijn herder, het zeer wel denkbaar is, dat het in de schemer van zijn kooi de gevoelens heeft, die David bezongen heeft. Ziedaar de betekenis van de prachtige drieëntwintigste psalm.
Nu vraag ik de lezer zich naar duizend jaar later te verplaatsen, in de dagen van Christus tijdens Zijn tochten onder het oude volk Israël. Dat volk, dat van geslacht op geslacht van kindsbeen af de drieëntwintigste psalm gezongen had.
Tot hen zegt Christus:

Die door de deur ingaat is een herder der schapen. Dezen doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.
En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen henen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijn stem kennen;
Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden, overmits zij de stem des vreemden niet kennen.
Voorwaar, voorwaar zeg ik U, Ik ben de deur der schapen.
Ik ben de deur: indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.
Ik ben de goede Herder. De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen.
Ik ben de goede Herder, en Ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend.
(Johannes 10 : 2-6, 7, 9, 11, 14)

Wat mens onder U hebbende honderd schapen en één van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt?
En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.
(Lucas 15 : 4, 5)

Plotseling stond Hij voor hen, de Herder die zij zo lang reeds bezongen hadden. Was God dan helemaal zoals deze psalm Hem tekent? Waren de woorden van hun lied dan alle helemaal waar? Zich geborgen te weten in Christus' liefdevolle, veilige handen werd opeens werkelijkheid voor hen.
Christus zegt deze woorden niet alleen tot Israël. Hij spreekt ze tot alle mensen, zonder onderscheid van gelaatskleur, ras of taal.
Op die verhouding tot Christus, daar alleen komt het op aan.
Deze betekent niet meer of minder dan onze werkelijke kennismaking met God door Christus. Deze rust ons toe en sterkt ons voor onze strijd van iedere dag, te midden van de verwarring en de angst waarin wij leven. Denk U dat in, neen, beleef het met Hem, diep in Uw hart. Denk, handel, spreek zoals Hij het U ingeeft.
Geen ideologieën of mooie gedachten lopen wij na: wij scharen ons om Zijne, steeds bij ons zijnde en met ons meelevende, Heilige Persoon. Mensen, kerken, beluistert Zijn stem, Zijn gebed: 'dat zij allen één zijn'. (Johannes 17 : 21). Hoort in onze tijd die stem weerklinken uit de harten der mensen.
Weest niet horende doof.
Weest U ervan bewust, dat daar groeit de verbroedering en de eenheid tussen allen die in Christus geloven, ja zelfs ook met velen die Hem zoeken en nog niet vonden.
Hij, Die ons meer liefheeft dan wij ons ooit vermogen voor te stellen, kent de blijdschap, die Zijn gebod ons schenkt: 'onze naaste lief te hebben'. De naleving van dit gebod ondervinden wij als een blijde verlossing van de gebondenheid aan allerlei onvriendschappelijke gedachten en gevoelens.
De drieëntwintigste psalm is bij uitstek de psalm der beweging, die oproept tot verkennen en tot het overwinnen van de moeilijkheden op onze weg, in de verzekerdheid, dat de helpende hand van de Grote Herder nimmer zal te kort schieten.

David heeft gelijk: het ware geloof staat nooit stil als een klok, die wij verzuimden op te winden. Dit stilstaan zou betekenen het afsterven van onze band met God in Christus en daarmee het verkommeren, tot onherkennens toe, van het waardevolste en van het heiligste, dat de mens bezit.
Het ware geloof spoedt voorwaarts, de onbekende toekomst in; het spoedt de wereld in met de blijde boodschap van Gods Liefde voor ons, door Christus' offer aan het kruis geopenbaard.
Het ware geloof kan niet zwijgen; iets in de mens, sterker dan hij zelf, dringt hem te spreken door zijn leven en woord.
Moge ieder met vernieuwde kracht en overtuiging in eigen kring, dorp of stad, of waar ook ter wereld een levend beeld brengen van de Grote Herder. Zich daarbij voortdurend aanpassend aan de wisselende noden en behoeften van de naaste.
Moge dit beeld steeds duidelijker en helderder worden.
Het zal zeker velen van U gaan zoals mij, toen ik op rijpere leeftijd gekomen was en Christus mij te verstaan gaf, dat Hij en God Eén en Dezelfde is.
'Wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien' (Johannes 14 : 9).
'Ik en de Vader zijn Eén'. (Johannes 10 : 30).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's