De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De stad trouw gebleven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De stad trouw gebleven

Ds. C.A. Korevaar

18 minuten leestijd

Ds. Cornelis Arie Korevaar werd op 26 maart 1916 in Brandwijk (Z.H.) geboren en studeerde theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht (ingeschreven oktober 1936). Hij werd in 1940 candidaat tot de Heilige Dienst in de provincie Noord-Brabant. Zijn eerste gemeente was Puttershoek, waar hij op 5 januari 1941 bevestigd werd door ds. J. Lekkerkerker. Zijn tweede gemeente was Gouda, waar hij op 1 juli 1945 werd bevestigd door dr. G. Huls (toen predikant te Gouda). Zijn derde en laatste gemeente was Rotterdam, waar hij op 15 mei 1949 werd bevestigd door ds. J.D. Kleijne (toen predikant te Rotterdam). Op 25 april 1981 werd hij Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Op 1 mei 1981 ging hij met emeritaat. Op 26 april 1981 nam hij in de Grote- of St. Laurenskerk afscheid van Rotterdam. In Gouda was hij scriba van de classis Gouda; in Rotterdam was hij voorzitter van de Vereniging voor Chr. Buitengewoon Lager Onderwijs (36 jaar). Nu is hij nog ere-voorzitter van deze vereniging. Ds. Korevaar was ook voorzitter van de Hervormd-Gereformeerde Knapenbond en voorzitter van het overkoepelend orgaan van de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbonden. Verder was hij voorzitter van de redaktie van 'Echo', lid van de 'Raad voor de eredienst', lid van de 'Raad voor de verhouding van Kerk en Israël', voorzitter van de classicale commissie voor 'Kerk en Israel', voorzitter van de classicale commissie voor geestelijk gehandicapten en voorzitter van de commissie voor Evangelisatie in de Gemeente Ziekenhuizen te Rotterdam. Tijdens zijn emeritaat was hij bijstand in het pastoraat in Bussum, Loosduinen, tweemaal in Krimpen aan den IJssel en nog een halfjaar in Rijsoord.

De liefde tot de stad is hem bijna aangeboren geweest, hoewel hij uit een agrarisch milieu komt, zowel van de zijde van vader als van de zijde van moeder.
Vanaf zijn zevende jaar mocht hij éénmaal per jaar mee naar Rotterdam. Eerst met de tilbury van Molenaarsgraaf naar Alblasserdam. Daarna met de boot van Alblasserdam naar Rotterdam. Hij vond dit als kind al een machtig gebeuren en de stad oefende een grote aantrekkingskracht op hem uit.
Als kind al hield hij meer van de boeken dan van de beesten uit de stal, zodat grootvader dacht: 'Wat moet dat worden?'
Ds. Korevaar zou het grootste deel van zijn leven, namelijk 32 jaar lang, in de stad Rotterdam doorbrengen.

Opleiding
Ds. Korevaar werd in Brandwijk geboren, maar het gezin verhuisde naar het naburige Molenaarsgraaf. Daar stond in zijn jonge jaren ds. J. Lekkerkerker. Een pastoraal ingesteld predikant, bij wie de deuren van de pastorie altijd voor de mensen geopend waren. Hij hield van de mensen. In de crisisjaren voor de Tweede Wereldoorlog nam hij werklozen mee in de auto (hij was één van de weinigen, die toen een auto had) om werk voor hen te zoeken.
De jonge Comelis Korevaar had twee jaar U.L.O.-opleiding gehad, maar de begeerte naar het predikantschap werd bij hem wakker. Ds. Lekkerkerker heeft hem toen meegenomen, toen hij namelijk een beroep had aangenomen van Molenaarsgraaf naar Oldenbroek. Daar heeft hij vijf jaar in de pastorie bij hem doorgebracht. Lekkerkerker 'spijkerde hem bij', zodat hij toegelaten werd tot de vierde klas van het Christelijk Lyceum te Zwolle. Met dankbaarheid denkt Korevaar terug aan de leraren klassieke talen. Die brachten liefde voor de klassieken bij, maar beschermden hun pupillen tegelijkertijd tegen de zuigkracht van het humanisme.


Na Zwolle volgde de studie theologie in Utrecht. Ook hij – zoals velen vóór hem, die in een vraaggesprek in deze kolommen aan het woord waren – was onder de indruk van prof. dr. Maarten van Rijn. Zijn colleges waren doortrokken met een bewogen geloofsgetuigenis. Hij herinnert zich ook een jaar lang colleges over Franciscus van Assisi.
Anderzijds spreekt Korevaar ook met waardering over de Oudtestamenticus prof. dr. J.H. de Groot. 'Als je leerlingen van De Groot uit Jesaja hoorde preken, dan hoorde je De Groot zelf.'
Verder noemt hij ook de 'zeer voorzichtig exegetiserende' prof. dr. Brouwer. Ook herinnert hij zich, wat prof. Obbink sr. zei over christendom en hellenisme: 'Wèl dezelfde woorden, nièt dezelfde waarden'.
Van prof. dr. J. Severijn memoreert hij 'zijn vaderlijke zorg over de gereformeerde studenten'. Toen Korevaar praeses van de G.T.S.V. Voetius was en als zodanig prof. Severijn een keer moest ontvangen bij een bezoek, vroeg hij hem of gemeenten, die altijd een jonge dominee – zeg een kandidaat – hadden, niet tekort kwamen. 'Je moet niet zulke vreemde dingen vragen', was het bitse antwoord. 'Het gezag ligt niet in de dominee, maar in de verkondiging.'

Alblasserwaard
Heeft de Alblasserwaard, waar ds. Korevaar geboren werd, een stempel op hem gezet?
Korevaar spreekt met liefde over de Alblasserwaard, anderzijds is hij er al zoveel jaren weg, dat de herkenningspunten ook minder geworden zijn. Prof. dr. H. Jonker heeft ooit verwoord, hoe hij tegen een onbijbelse opvatting aangaande de verkiezing opliep in zijn eerste gemeente Molenaarsgraaf. Dat element is aan ds. Korevaar voorbijgegaan. Het verkiezingsfatalisme heeft hij van huis uit niet meegekregen. Wel was er grote avondmaalsschroom. Ds. Korevaar had in zijn jonge jaren niet de idee, dat hij ooit nog eens met het avondmaal te maken zou kunnen hebben. Slechts enkelen gingen ten avondmaal. De grootouders van moederszijde waren beiden op latere leeftijd krachtdadig bekeerd. Dat was toch de meest normaal geachte weg. Zijn grootvader van vaders-zijde was een stille, bescheiden, maar vrome man, 'maar je hoorde niets'.
Hoe kon je nu zèlf predikant worden, als je zó ver van het avondmaal afleefde? Ds. Lekkerkerker zei: 'Als de Heere je de begeerte geeft om predikant te worden, kan hij je ook méér geven'. Dat meerdere heeft hij later ontdekt in de geschriften van dr. Woelderink. Korevaars moeder was een catechisante van ds. Woelderink in zijn Ottolandse tijd. Met het latere geschrift van Woelderink over de uitverkiezing kon hij overigens niet uit de voeten.


Nee, ds. Korevaar heeft geen trauma overgehouden aan bepaalde opvattingen in zijn omgeving. In de streek, waar hij geboren werd, leefde bij velen een diep verlangen om de Heere te dienen. Als mensen zich enigszins uitspraken in de richting van hoop werd soms wel toegevoegd: 'Het gaat niet zo gemakkelijk'. Maar het lag ook wat in de volksaard. Als het goed ging zei men in de Alblasserwaard niet: 'Het gaat goed', maar 'we mogen niet klagen'.
Het werd overigens de vurige begeerte van ds. Korevaar om met bewogenheid te preken de uitgebreide liefdesarmen van Christus.

De gemeenten
Op 5 januari 1941, in de oorlogsjaren dus, werd ds. Korevaar bevestigd in zijn eerste gemeente Puttershoek door de oud-predikant van Molenaarsgraaf, ds. Lekkerkerker, die toen in Oud-Beijerland stond. De bevestigingstekst was Gen. 24 : 4: 'Maar dat gij naar mijn land en naar mijn maagschap trekken en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult', 's Middags deed hij zijn intrede met Joh. 3 : 16: 'Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe'.
Puttershoek was een gemeente met veel hartelijkheid en spontaniteit, maar ook met een grote marge van onkerkelijkheid. Puttershoek was goeddeels confessioneel. Eén van de ouderlingen was confessioneel. Die zou wel graag hebben gezien, dat ds. Korevaar gezangen liet zingen, maar met zijn preken was hij het eens.
Korevaar denkt met waardering terug aan de kleine kerkeraad, bestaande uit twee ouderlingen en twee diakenen. Er was sprake van goede collegialiteit in de ring, die ook goeddeels confessioneel bepaald was. Van tijd tot tijd kwam men samen. De zondag, voorafgaande aan de samenkomst, preekten allen over dezelfde tekst. Tijdens de ontmoeting las één de preek voor en daar werd dan over gesproken. In de Puttershoekse jaren reageerde dr. A.A. Koolhaas – samen met ds. A.J. de Jong één van de studievrienden van ds. Korevaar - eens op een preek (want ze stuurden elkaar de preken toe) door te zeggen: 'Je moet wèl de liefde preken, maar vergeet óók de genade niet'. Dat heeft ds. Korevaar later veel dieper geleerd.


Van Puttershoek liep de weg naar Gouda. Daar werd hij bevestigd door dr. G. Huls, die toen predikant in Gouda was en toen nog behoorde tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond. Er was een behoorlijke afstand tussen de rechts-confessionelen en de Gereformeerde Bonders enerzijds en de links-confessionelen en midden-orthodoxen anderzijds. Dat gaf een zekere gespannen verhouding. Met probeerde elkaar te overtroeven.
Dr. Huls kon met zijn machtige stem de Goudse Sint Jan goed bepreken. Maar ds. Korevaar moest altijd naar Salomo – een afbeelding tegenover de kansel – kijken, om op die manier de beide zijvleugels te kunnen bereiken.
In de Goudse jaren promoveerde dr. Huls op een proefschrift inzake de vrouw in het ambt. Huls heeft zijn proefschrift opgedragen aan Hare Majesteit Koningin Juliana, als 'eerste vrouwe' van het land. Toen later de behandeling van de kwestie van de vrouw in het ambt in de hervormde synode plaatsvond, werd 's middags vanuit paleis Soestdijk naar de synode gebeld om te informeren hoe één en ander was afgelopen. Huls was door Hare Majesteit ook in audiëntie ontvangen n.a.v. zijn proefschrift.
Dr. Huls is overigens niet alleen inzake de kwestie van de vrouw in het ambt, maar ook liturgisch en in de prediking in de latere jaren afgegroeid van de Gereformeerde Bond. Een duidelijke controverse is later ontstaan, toen ds. G. Boer, hervormd-gereformeerd predikant in Gouda was.


Maar in Gouda leefde dus een sterke richtingstrijd. Een diaken zei eens: 'Als je hier niet oppast, wordt je over één oor gehakt'. Ds. Korevaar houdt van kunst en literatuur en gedichten en als zodanig heeft ook de fraaie Goudse Sint Jan een warme plek in zijn hart, met name ook de gebrandschilderde ramen. Deze waren in de oorlogsjaren in de Zuidhollandse duinen opgeborgen. Toen de glazen weer in de kerk werden aangebracht, was er één week nodig voor één glas. Dus elke week was er weer aandacht voor één bepaald raam. Het mooiste venster vindt Korevaar het drieluik van Johannes de Doper.


In de Goudse tijd maakte ds. Korevaar mee de worsteling om de nieuwe Kerkorde, de tijd van gemeenteopbouw. Er waren hooggestemde verwachtingen. De Hervormde Kerk zou weer Christusbelijdende volkskerk zijn. In die jaren waarschuwde ds. L. Blok echter voor te hooggestemde verwachtingen. Hij had het wel eens over het smidsknechtje, die zei: 'Dat heb ik niet in m'n magazijn', terwijl hij moest zeggen, dat 'zijn báás' het niet had. Ds. Korevaar heeft zelf ook grote verwachting gehad in die jaren. Hij hoopte, dat de kerk weer een plaats zou krijgen temidden van het volk. Zou hij in de synode gezeten hebben, dan zou hij vóór art. X van de Kerkorde waarschijnlijk hebben gestemd, 'als het maximaal haalbare'.

Rotterdam
Na vier jaar de hervormde gemeente van Gouda te hebben gediend, werd ds. Korevaar op 15 mei 1949 predikant te Rotterdam, na daar bevestigd te zijn geweest door ds. J.D. Kleijne, zijn hervormd-gereformeerde collega. Hij werd predikant in een tijd, dat er in Rotterdam-centrum nog zeventien predikanten waren. Overal volle kerken! 1500 mensen in de Koninginnekerk! Grote stoeten catechisanten! Veel huwelijksinzegeningen! Het predikantencorps was zodanig samengesteld, dat negen behoorden tot de ethische richting – later de Barthianen – zes tot de confessionele richting, terwijl er twee Gereformeerde Bonders waren. Als beroepingscommissies op pad gingen, was er altijd één van een andere modaliteit bij aanwezig. In die jaren leefde echter bij alle predikanten sterk het besef, dat men sámen stond voor de héle gemeente. Men liet elkaar vrij en met liet elkaar 'met rust'. Sámen vormde men één ministerie voor de hele gemeente.
Later is dat minder geworden. Toen stond ieder veel meer voor eigen parochie en trad een stuk onderlinge vervreemding op. Het kerkelijk gesprek kwam overigens als zodanig niet zo van de grond.
Wèl waren er markante ontmoetingen. Later zijn bijvoorbeeld ook de vrijzinnigen, met prof. dr. J. Sperna Weiland, geïntegreerd in de gemeente. Toen de vrijzinnige collega echter eens wat laatdunkend zich uitliet over het beeld van 'de nieren' in de Heilige Schrift (God, die de nieren proeft), kreeg hij direct dr. F. de Graaff tegen, die het héél diep ophaalde bij G.C. Jung. 'Dan kwam er uit het arsenaal van zijn kennis één en ander naar boven.'
Toen bijvoorbeeld oogstdiensten werden gehouden, waarbij de gaven van de oogst in de kerk werden gebracht, fulmineerde F. de Graaff, want 'je bracht toch geen gespóten vruchten in de kerk!'
Ds. Korevaar herinnert zich ds. W.A. Zeydner. Als onze kerk het bisschopsambt zou hebben gekend, zou Zeydner ervoor in aanmerking zijn gekomen. Toen de vrouw in het ambt werd aangenomen, bad ds. Zeydner op het ministerie van predikanten speciáál voor ds. Korevaar, die het met deze beslissing uiterst moeilijk had.


Verder was er ds. G. van Veldhuizen, die zijn befaamde boek over De Trap geschreven heeft. Ds. Veldhuizen had de naam zéér dicht bij het volk te staan. Over ervaringen met het volk heeft ds. Veldhuizen in zijn boek sappig verteld. En inderdáád, de mond van de Rotterdammer is groot, maar die mond is gróter dan zijn hart. Eerst zegt de Rotterdammer, dat dominees huichelaars zijn en dat ouderlingen stelen en dat het met diakenen ook niet veel zaaks is, maar op een bepaald moment zeggen ze: 'Wil je koffie?'
Ds. Van Veldhuizen begaf zich in Crooswijk wel heel diep onder het volk, tòt en mèt de boksclub van Bert van Klaveren toe. Maar Korevaar vroeg zich dan wel af: 'Wáár eindigt de kerk en wáár begint het maatschappelijk werk?' Veldhuizen zei dan: 'We wachten tot mensen vragen: waaròm doen jullie het?' Maar ds. Korevaar zegt, dat er het gevaar is, dat er zoveel water geschonken kan worden, dat men aan de wijn niet toekomt.


Verder was er de tijd met ds. W.L. Tukker, altijd 'Tukker' en 'Korevaar'. Maar intussen jaren van goede samenwerking en collegialiteit, evenals gedurende meer dan 20 jaar met ds. N. Kleermaker.

De prediking
Is ds. Korevaar in de loop van de jaren anders gaan preken? De stad vraagt toch een bepaalde aanpak?
Hij is dieper gaan begrijpen wat genade is. De diepste kernen van het gereformeerd belijden zijn in de loop van de jaren verdiept. Ds. Korevaar kan niet zeggen, dat bepaalde predikanten voor hem exemplarisch zijn geweest, al noemt hij wèl met name Charles H. Spurgeon.
Ds. Korevaar heeft altijd beeldrijk gepreekt. In zijn preken kon men merken, dat hij ook thuis was in eigentijdse literatuur, in de gedichten van deze tijd. Ds. Korevaar vindt ook, dat een predikant eigentijdse literatuur moet lezen. Hij moet in rapport met de tijd blijven. Het is juist de kracht van de gereformeerde belijdenis, dat het de confrontatie met de moderne tijd áán kan.


Het liefst heeft ds. Korevaar altijd gepreekt over de rijkdom van de verlossing. God schenkt aan zondaren Zijn Heil. Als zodanig heeft hij nooit 'preekmoeheid' gekend. Soms was er, wanneer hij op de toppen geweest was, tijdens de prediking, wel eens de ervaring bij het verlaten van de preekstoel: wat kan ik volgende week nu nog vertellen? Een predikant ontvangt echter vaak zegen in de prediking, die hij zelf mag brengen.


Of er respons was op de prediking? Heel vaak! Vaak ook achteraf! Er was geestelijk leven in Rotterdam. Maar of bij alle Rotterdammers de diepte van de bijbelse prediking overkwam, is de vraag. Het hart van de prediking zal zijn, dat de zondaar op het diepst vernederd en Christus op het hoogst verheerlijkt wordt. Maar als Rotterdammers soms spraken over mensen, die nu in de hemel zijn, dan werd toch vaak gezegd, dat 'hij of zij goed had geleefd'.
De humanist Hugo de Groot staat, wat zijn standbeeld betreft, in Delft met de rug naar de kerk. De humanist Erasmus staat bij de Laurenskerk dwars, half half.
Toch weet ds. Korevaar ook van krachtdadige bekeringen. Het befaamde verhaal van de man, die klokslag twaalf uur over de Coolsingel reed en, bij het horen van het klokgelui, tot inkeer kwam: 'Wat heb ik van mijn leven gemaakt?' Hij kon de plek aanwijzen waar God hem greep.
Ds. Korevaar heeft tot zijn vreugde óók meegemaakt, dat mensen hun avondmaalsschroom overwonnen en aan het avondmaal werden gebracht. Anderzijds was de praktijk van het avondmaal in de hervormde gemeente van Rotterdam zó, dat, wanneer het avondmaal bediend werd, ongeveer eenderde à eenvierde van de gemeente aanwezig was. Later werd het zó, dat nog slechts diegenen aanwezig waren, die zèlf aan het avondmaal kwamen. Herhaaldelijk heeft ds. Korevaar er in de prediking op gehamerd, dat men juist ook tijdens de avondmaalsdienst in de kerk behoorde te zijn, omdat de Heere dan de 'vrijmoedigheid' zou kunnen schenken.

Kaalslag
De grote kaalslag, die zich in het kerkelijk leven in de grote stad heeft voltrokken, heeft ds. Korevaar uiteraard met verdriet vervuld. Toen de Rotterdamse Koninginnekerk gesloten werd en werd afgebroken, hield hij in de Noorderkerk een felle preek over Psalm 74 : 9a: 'Wij zien onze tekenen niet'. De sluiting van de Noorderkerk heeft hem zelfs zo diep aangegrepen, dat hij toen gehuild heeft. Hij heeft zich afgevraagd: 'Hoe kan het allemaal, hoe kon het allemaal zover komen?' In de Koninginnekerk, waar ooit 1500 mensen kerkten, waren tenslotte bij bepaalde predikanten nog slechts veertig mensen aanwezig. Bij Gereformeerde Bondspredikanten waren het er wel meer, maar ook lang niet meer de grote aantallen.


Inzake de ontkerkelijking heeft hij zich wel afgevraagd: 'Hebben wij, heb ik het Woord wel zó gebracht, dat de mensen begrepen hebben, waarom het gaat: eeuwig wel en wee?' Maar er is ook dankbaarheid voor degenen, die gebleven zijn en er ook in de tijd van de ontkerkelijking bij zijn gekomen. Dat heeft ook hem als predikant op de been gehouden. Ze wàren er en ze zìjn er en ze zijn er volgende week weer.


Wat heeft ds. Korevaar dan aan de stad gebonden? Hij heeft er goede jaren meegemaakt. Mocht hij dan de stad in de steek laten, toen het minder werd? Hij mocht de stad trouw blijven. Heel menselijk al, hield hij van de stad. 'Rotterdam is een gekkenhuis, waar ik van geniet'. Maar feit is, dat van de zeventien predikanten, die ooit in Rotterdam-Centrum stonden, er nu nog ongeveer vijf over zijn, van wie een aantal part-timers. Terwijl ooit dr. H. Schroten van Charlois zei — maar dat gold voor Rotterdam als geheel: — 'Ik heb veel volks in deze stad'.


Het kerkelijk grensverkeer met andere gereformeerde-gezinde kerken in Rotterdam is niet groot geweest. Wel is er 'een benauwende zuigkracht' geweest van de kant van de evangelischen. Velen misten toch vaak kennelijk iets van het spontane, van het blijde. Maar anderzijds is ds. Korevaar er van overtuigd, dat dáár, in evangelische kringen vaak een gebrek aan inzicht is in de diepte van de verlorenheid, 'Men wil vermaakt worden'. Maar de diepe vraag ontbreekt ontbreekt vaak: 'Is er een middel om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?'


Ook de evangelisatiearbeid is in de stad moeizamer geworden. Ouderlingen kwamen steeds minder binnen in de huizen van degenen, die niet meer kerkelijk meeleefden. We hebben vandaag te maken met de zonen van de verloren zoon. 'Ze zijn niet vijandig, maar ze doen er niet meer aan.' Toch zijn er ook incidentele tekenen van opleving. 'Hier en daar in een straat. God heeft toch de eeuw in het hart gelegd.'
En intussen staat elke predikant veel meer dan vroeger voor de eigen groep te preken. Vroeger waren er in Rotterdam-centrum zes confessionele predikanten, terwijl er hoogstens honderd confessionelen in Rotterdam woonden. Maar de vroegere ethischen zijn wèg. Daarvoor is de midden-orthodoxie in de plaats gekomen met alle vaagheid vandien.


Heeft ds. Korevaar zo ook wel eens gewetensconflicten gehad?
Ja, die waren er: bij doopsbedieningen, bij huwelijksbevestigingen of wanneer een vrijzinnig collega zei: 'Ik geloof het engelenverhaal niet.'

Ter afsluiting
Ter afsluiting noemen we een aantal trefwoorden, waar ds. Korevaar op reageert.
Samen op weg. Daarmee heeft hij weinig mee te maken gehad in de stad.
Het diakonaat. Er waren vele goede diakenen. Je kon ze om een boodschap sturen. Het diakonaat heeft een eigen invalspoort met betrekking tot de evangelieverkondiging. Als dan ook maar op de voorgrond blijft staan, dat er sprake moet zijn van de troostelijke redenen, zodat het diakonaat niet een soort sociale hulpdienst wordt, daar waar de overheid het laat afweten.
Liturgie. In Puttershoek heeft hij de voorlezer nog meegemaakt. In Rotterdam werd de nieuwe Psalmberijming ingevoerd. In de hervormd-gereformeerde wijkgemeenten is dat doodgelopen. 'Men zat er niet op te wachten'.
Rome. In enkele gevallen, van gemengde huwelijken, heeft hij er mee te maken gehad.
Bevinding. Dat is voor ds. Korevaar heel kernachtig: 'God is krachtig bevonden een hulp in benauwdheid'. Zo komt bevinding op in het spoor van het geloof.
De Wederkomst. Soms leeft het verlangen naar de wederkomst heel sterk, ziende op wat er in de wereld gebeurt. 'Hoe machtig zal het zijn, als je geen zondaar meer bent, als alles weer zijn zal, zoals de Schepper het bedoelde'.
Israël. In zijn aanvankelijke bediening was het bij ds. Korevaar zó, dat de kerk in de plaats van Israël was gekomen. In de loop der jaren is hij duidelijker de aparte plaats van Israël gaan zien, zònder dat Israël een en al is in de heilsleer.
De Hervormde Kerk. Hij heeft deze kerk van harte lief. Een zieke moeder is toch je moeder. En hij heeft in de loop van de jaren diep ervaren, dat de Hervormde Kerk er mocht zijn, óók ten dienste van anderen. Hij heeft zich altijd hervormd lidmaat en hervormd dominee gevoeld. En zo heeft hij ook 'anderen' mogen dienen vanuit de gereformeerde belijdenis.
Ouder worden. Dat is een zaak van vreugde en van dankbaarheid. Deze periode is rijk, vooral als er ook nog een en ander te doen mag zijn.


We sluiten af. Vroeger was de stad de kroon op het werk van een predikant. Ds. Korevaar spreekt over een vroegere collega, die het een eer achtte, dat hij ooit op een drietal stond in Rotterdam-Charlois. Predikanten kwamen soms al in de kracht van hun leven in de stad. Zelf was ds. Korevaar 33 jaar, toen hij stadspredikant werd en hij heeft er 32 jaar mogen arbeiden. Met grote dankbaarheid ziet hij op zijn werk in Rotterdam terug. Het is de stad, waar in de machtige Laurenskerk ooit predikanten preekten als Abraham Hellenbroek en Wilhelmus à Brakel.


Ds. Korevaar had de stad lief, om het volk in de stad, dat onder de beademing moest zijn van de Evangelieprediking. Daarom hebben we boven dit verhaal gezet: 'Hij is de stad trouw gebleven'.
Ds. Korevaar heeft wel grijze haren gekregen, maar hij oogt nog jong, groen en fris.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De stad trouw gebleven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1991

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's