Heilig Avondmaal en voorbereiding (2)
Het formulier
Bij alles wat wij zeggen over het Heilig Avondmaal en de toegang daartoe, dienen we te bedenken, dat geen mensenschriften gelijk mogen worden gesteld met de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten... (Art. 7 van de N.G.B.). Dat betekent heel concreet, dat niet de oude kerk, noch de mannen van de reformatie en nadere reformatie, noch allerlei geschriften, noch synodale uitspraken enz. het laatste woord hebben. Alles dient getoetst te worden aan de Heilige Schrift. Dat is de gereformeerde opvatting.
Veel wat uit de traditie tot ons gekomen is, kan naar mijn overtuiging die toets doorstaan. Maar soms wordt over het geloof (mede met het oog op de toegang tot het Heilig Avondmaal) gesproken op een wijze, die zich niet verdraagt met het getuigenis van Gods Woord.
Het klassieke Avondmaalsformulier — door de vele lange zinnen wellicht voor sommigen wat moeilijk leesbaar — ademt een Schriftuurlijke geest. Toch heb ik weleens de indruk, dat men er meer in leest dan er staat. Of moet ik zeggen, dat men er minder in leest dan er staat?
Dat is vooral het geval wanneer het in het formulier gaat over 'ten andere, onderzoeke een ieglijk zijn hart, of hij ook de gewisse belofte van God gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus, vergeven zijn...'
Er staat niet, dat hem al zijn zonden vergeven zullen worden, maar vergeven zijn.
Dit geloof in de gewisse belofte van God is geen ander geloof dan waarover het formulier in het vervolg spreekt. Daar lezen we namelijk over ons geloof en betrouwen op Zijn volkomen Offerande (die eenmaal aan het kruis geschied is) als op de enige grond en fondament onzer zaligheid. En even verder: en heeft ons de levend makende Geest verworven, opdat wij door die Geest met Hem waarachtige gemeenschap zouden hebben en al zijn goederen, het eeuwige leven, de gerechtigheid en heerlijkheid deelachtig worden.
Het is daarom onjuist om te stellen, dat in het formulier niet gevraagd wordt om te geloven dat onze zonden vergeven zijn, maar om te geloven het Evangelie d.w.z. de beloften Gods, waarin die vergeving besloten ligt. Dat behoort in Gods Woord bij elkaar en mogen wij niet uit elkaar trekken.
Het is goed om nog eens te luisteren naar Zondag 7 van de Heidelberger — die in overeenstemming met de Schrift belijdt: 'Een waar geloof is niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade, alleen om der verdienste van Christus' wil.'
Naast het Avondmaalsformulier, waarin nog talloze andere facetten van grote betekenis zijn, wil ik nog enkele opmerkingen maken over de catechese. Daarna moet de voorbereidingsprediking ons bezighouden.
Catechese
Er wordt in onze tijd veel aandacht besteed aan de catechese. Ik bedoel dan vooral, dat nogal wat boeken over en methoden voor de catechese geschreven worden. En het is een goede zaak om daarvan kennis te nemen. De bedoeling is echter ook, dat wij er onze winst mee doen. De catechese kan niet goed genoeg worden voorbereid.
Ik wil in ons blad nog eens heel nadrukkelijk pleiten voor het gebruik van de Heidelberger. Als wij dat op een bevattelijke en praktische wijze doen en wij laten vooral uit Gods Woord zien wat wordt bedoeld, ligt er een schat van onderwijs in voor onze jeugd.
En dat onderwijs is toch zo broodnodig. De kennis — ook verstandelijk — is vaak minimaal. Men weet de dingen dikwijls niet meer. En soms kom je — zo is mijn voortdurende ervaring — allerlei gedachten tegen, die nu niet bepaald bijbels zijn.
Het gaat echter bij de catechese niet alleen maar om weten. Ik probeer mijn catechisanten voortdurend erop te wijzen, dat het gaat om persoonlijke betrokkenheid bij de zaken die aan de orde komen. Het gaat om persoonlijk geloof en om persoonlijke geloofsbeleving. Het is mijn ervaring dat zij dan ook met hun eigen vragen tevoorschijn komen. Sommigen schuchter, anderen met wat meer vrijmoedigheid. Zo ontstaat de gelegenheid om dieper op de zaken in te gaan.
Deze catechese is — en niet alleen voor belijdeniscatechisanten — van grote betekenis ook met het oog op het Heilig Avondmaal. Wij kunnen niet vroeg genoeg hen op een bevattelijke wijze de hemelse leer voorstellen. Wij hopen en bidden dat die leer ook hun harten bereikt en door de Heilige Geest de bekering tot God en het geloof in Jezus Christus werkt, opdat zij ook zicht ontvangen op de betekenis van het Heilig Avondmaal.
Voorbereidingsprediking
Vanouds wordt in de christelijke kerk gedaan aan voorbereiding op het Heilig Avondmaal. Naast de catechese en in sommige perioden ook korte huisbezoeken gaat het daarbij vooral om de voorbereidingsprediking. Vaak op de zondag voorafgaande aan de bediening van het Avondmaal, soms ook in door-de-weekse diensten. In Schotland gebeurde het wel dat meerdere preken werden gehouden.
Wanneer wij spreken over voorbereidingspreken, bedoelen wij daarmee preken met het oog op het te vieren Heilig Avondmaal des Heeren. Het doet daarom wat merkwaardig aan, dat in sommige voorbereidingspreken — ook in de voorbije eeuwen — zo weinig aandacht wordt besteed aan het Heilig Avondmaal.
Dat betekent overigens niet, dat de hele leer betreffende het Avondmaal in deze prediking zou moeten worden behandeld. Dat gebeurt in zekere zin reeds in het formulier en komt vooral uitgebreid aan de orde bij de catechismusprediking. Het betekent wel, dat in de voorbereidingsprediking het Heilig Avondmaal in het vizier komt. Het moet immers een prediking zijn, die toegespitst is op dat sacrament.
Wat mag nu de gemeente in zo'n prediking verwachten? Of beter: wat behoort nu tot een rechte voorbereidingsprediking? Waaraan moet altijd of in ieder geval regelmatig aandacht besteed worden? Ik zeg dit laatste erbij, omdat in één preek niet alles gezegd kan worden. Wie alles meent te zeggen, zegt uiteindelijk niets.
In de mij toegemeten ruimte wil ik enige facetten noemen en zo kort mogelijk verduidelijken.
Onderscheid
Elke prediking — ook de voorbereidingsprediking — dient een duidelijk en schriftuurlijk onderscheid te maken tussen geloof en ongeloof. Het Heilig Avondmaal is ingesteld voor de gelovigen om in hun geloof te worden versterkt. Welnu, dan zal niet onduidelijk over het waarachtige geloof gesproken moeten worden.
Het mag toch niet zo zijn, dat een gemeentelid tot de vraag komt: 'Ik weet niet meer wat waar geloof is. De één zegt dit en de ander dat. En ze beroepen zich allemaal op Gods Woord en/of de oude schrijvers...' We hebben het geloof zo ingewikkeld gemaakt, dat vele mensen in verwarring raken in plaats van dat zij met jaloersheid op het geloof worden vervuld. Of wij maken van het geloof een systeem, waarin niets zit van het wonder Gods. Het is meer een optelsom van hoedanigheden in de mens dan pure genade.
Het Bijbelse geloof is toch zo eenvoudig. Het is een instrument, dat ons met Christus in de gemeenschap van al Zijn goederen houdt; die, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden. Het is het geloof, dat Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst en niets anders meer buiten Hem zoekt. Het veronderstelt, dat wij alles buiten Christus schade en drek hebben leren achten. Het betekent dat we ons eigen leventje verloren hebben en het waarachtige leven hebben gevonden, d.i. Christus die het Leven is. Buiten deze door de Heilige Geest gewerkte gemeenschap met Christus en al Zijn goederen kan geen sprake zijn van geloof. Alleen in Christus ken ik het vertrouwen dat ook mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid door God geschonken is.
Gaarne laten wij ons voorstaan op Schrift en belijdenis, maar laten wij dan ook de Schrift en de belijdenis laten spreken! In de Oostfriese belijdenis uit de 16e eeuw lezen we: 'Zij (de christenen) moeten gelovig d.i. getroost en verzekerd zijn van hun rechtvaardigmaking en zaligheid in Christus. Zijn zij dat niet, zo is alles wat zij doen verdoemelijk voor hen. hoe kunnen zij dan daardoor (door hun werken) verzekerd en vertroost worden? ... Veel minder verzekert het Avondmaal des Heeren een christen, dat hij een christenmens is, en het geloof heeft. Maar hij moet daarvan eer hij aan het Avondmaal gaat, verzekerd zijn, anders was hij een huichelaar of een spotter. Wilt gij arme mens daar eerst nog verzekering en vertroosting halen, zo hebt ge geen geloof, welk geloofde verzekering zelf is.'
De gedachte dat een mens onbewust geloof en genade kan kennen, wordt met alle kracht weersproken door de Schrift en door de belijdenis. Op een conferentie tussen remonstranten en contra-remonstranten in 1613 werd gezegd: 'Wij belijden dat in onze Confessie en Catechismus Schriftmatig geleerd wordt: 1. dat het zaligmakende geloof niet kan wezen zonder kennis van de persoon en verdiensten van Jezus Christus en dat niemand kan zalig worden dan die de weldaden van Christus met een oprecht geloof aanneemt, 2. dat tot een waar geloof vereist wordt een vast vertrouwen des harten, waardoor een iegelijk mens zichzelf verzekerd houdt, dat niet alleen anderen, maar ook hem vergeving der zonden, eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken zij, alleen om de verdiensten van Jezus Christus.' Dit waarachtige geloof onderhoudt de Heere. Hij versterkt het door de prediking en Hij komt bovendien (vanwege onze grovigheid) ons tegemoet in de tekenen van het sacrament.
Troost
De in het formulier genoemde ergerlijke zonden worden ons niet voorgehouden, zo zegt het formulier, om de verslagen harten der gelovigen kleinmoedig te maken, alsof niemand tot het Heilig Avondmaal des Heeren mocht gaan dan die zonder, enige zonde ware.
Hier wordt niet bedoeld de verslagenheid van ongeredde zondaren (Hand. 2 : 37) tot wie de prediking van bekering en geloof komt en die daarna het Woord gaarne aannemen en worden gedoopt en worden toegevoegd tot de gemeente. Maar hier wordt bedoeld de verslagenheid van de harten der gelovigen, die nog zoveel gebreken en ellendigheid in zichzelf bevinden, die tobben met de zwakte van hun geloof en met de boze lusten van hun vlees. Het zijn de gelovigen die in de strijd staan. Zij worden bemoedigd en getroost in die strijd met het evangelie der zaligheid en van harte genodigd tot de Dis van het Verbond, om te smaken dat de Heere goed is.
Mijding en schroom
In de voorbereidingsprediking mag zeker op zijn tijd aandacht worden besteed aan de Avondmaalsmijding. Alleen moeten wij ons hoeden om er ongenuanceerd over te spreken.
Er is sprake van mijding, wanneer wij als belijdende leden wegblijven uit de dienst waarin het Heilig Avondmaal wordt bediend. We blijven thuis of we gaan elders ter kerke. We onttrekken ons in feite aan de klem die uitgaat van de voorafgaande prediking en de bediening van het sacrament. We vluchten om te ontkomen aan de confrontatie met het sacrament en wat in dat sacrament ons wordt verkondigd.
Er is nog een vorm van Avondmaalsmijding, nl. wanneer wij als belijdende leden wel in de dienst aanwezig zijn, maar niet deelnemen aan de viering van het Heilig Avondmaal. Sommige gelovigen zien zo hoog op tegen anderen, dat zij de Avondmaalsgang nalaten. Anderen blijven af uit geheel andere motieven. Zij storen zich aan de grote toeloop tot het sacrament of andere daarmee samenhangende zaken. Nu denk ik dat de eerstgenoemden — degenen die opzien tegen andere gelovigen — eerder beschroomd zijn dan dat zij bewust het Avondmaal mijden. Daarnaast zijn in elke gemeente ook mensen, die vroeger belijdenis hebben gedaan, maar tot de overtuiging gekomen zijn dat zij het oprechte geloof missen. Zij deden belijdenis, omdat zij nu eenmaal een bepaalde leeftijd hadden bereikt.
Van een duidelijke schroom is naar mijn opvatting vooral sprake bij diegenen, die niet los zijn van de prediking van Gods Woord, de zoekers en tobbers die geen rust hebben voor het hol van hun voet, soms een zekere begeerte hebben naar het sacrament, maar Christus (nog) niet kennen als hun persoonlijke Verlosser. Zij worstelen met hun zondige leven, weten dat zij de vergeving van zonden nodig hebben, maar zij kunnen noch durven zich dit toe te eigenen.
Daar ligt een schone taak voor het pastoraat en de pastorale prediking. Wij moeten zulke mensen niet de handen opleggen — wat zij ook niet zouden willen — maar hen voortleiden om te geloven, opdat zij uit het geloof gerechtvaardigd zijnde, vrede met God verkrijgen, hetwelk is de eigenlijke vertroosting (J. Owen). In het algemeen kan met de ouden gezegd worden, dat een ieder 'naar staat en toestand' vanuit Gods Woord moet worden behandeld.
Automatisme
Er dient in de voorbereidingsprediking vastgehouden te worden aan het verband tussen belijdenis doen en Avondmaalsviering. De kerk, die geen oordeel heeft over de harten, kan niet anders.
Dat betekent echter niet, dat in de prediking niet gewaarschuwd zou moeten worden voor automatisme. Zodra in ons spreken en redeneren het woordje 'dus' opduikt, moet de rode lamp gaan branden! Als we jaren op catechisatie hebben gegaan en dus naar de belijdeniscatechisatie gaan en dus belijdenis doen en dus naar het H. Avondmaal gaan, klopt er iets niet. Gods Woord kent dat automatisme niet. Conclusie-geloof is geen geloof.
Het gaat eigenlijk altijd weer opnieuw om de geweldige spanning tussen de oproep tot geloof en het getuigen van het geloof als gave Gods. Dat is de doodsteek voor valse lijdelijkheid èn voor een ijdel aktivisme.
Zijn er ook weinigen...?
Toen de Heere Jezus van stad tot stad reisde, lerende, kwam één tot Hem en zei: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden?
Wij hebben de neiging om diezelfde vraag ook te stellen. Zijn er veel of weinig die behouden zullen worden? Gaan er te veel of te weinig aan de Dis van het Verbond?
En Christus antwoordt: Strijdt gij om in te gaan door de enge poort, want velen (zeg Ik u) zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.
Het gaat om de vraag of wij persoonlijk door het geloof ingegaan zijn in Christus. Wie in Christus is, is een nieuw schepsel, het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw geworden.
Door dit geloof — aangevochten en bestreden — mogen we toegaan tot het Heilig Avondmaal des Heeren en de beker der dankzegging opnemen en de Naam des Heeren loven en prijzen.
Zonder dit geloof kunnen wij Gode niet behagen. Zonder dit geloof kunnen wij de dood des Heeren niet gedenken. Zonder dit geloof kunnen we Hem niet tegemoetzien, als Hij komt om te oordelen de levenden en de doden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's