Boekbespreking
T.J.F. ten Veen, Christelijk onderwijs: een kostbaar recht, een dure verplichting, Kampen, 1990, 120 pag.
De auteur, die door haar werk bij een schoolbegeleidingsdienst op veel verschillende scholen komt: roomskatholieke en protestants-christelijke, wordt daar veelvuldig geconfronteerd met de opmerking: wat zie je nu in de dagelijkse schoolpraktijk van het christelijk-zijn van christelijke scholen?
Zij constateert dat het antwoord veelal moet zijn: niet veel. Kunnen die christelijke scholen dan maar niet beter opgeheven worden? Is de verzuiling achterhaald? Hebben christelijke scholen nog wel bestaansrecht?
Over deze vragen gaat deze studie. De auteur is niet de eerste die deze vragen stelt. Maar toch heeft haar studie iets eigens te bieden omdat ze inzet bij de dagelijkse praktijk van (vooral) het basisonderwijs en van daaruit komt tot een theoretische doordenking.
De hoofdstukken over de geschiedenis van het onderwijs en over de schoolstrijd bieden niet zoveel nieuws, maar ook hier is het verrassende dat een stem uit de praktijk aan het woord is. Ik kan mij vinden in de benadering van de auteur; deze is overtuigend en verdient instemming.
Zo benadert Ten Veen de school als opvoedingsinstituut en stelt ze dat door de constatering dat de school niet alleen onderwijst maar ook opvoedt, het bestaansrecht van de christelijke school in feite bewezen is. Geloofsopvoeding is mede een aspect van opvoeding en daarom is het alleszins gerechtvaardigd dat ouders de (geloofs )opvoedkundige lijn doorgezet willen zien op de school waar hun kind naar toe gaat.
De openbare school kan in, deze tijd niet meer als gevaarlijk worden afgedaan, want de algemeen christelijke grondslag van het openbaar onderwijs is verdwenen; de multi-culturele en multi-levensbeschouwelijke samenleving wordt erkend. Maar alleen de christelijke school rekent geloofsopvoeding expliciet tot haar taak. Pluriformiteit is kenmerkend voor het huidige christelijk onderwijs. De schrijfster stelt dat duidelijkheid een vereiste is: 'de christelijke school die ik mij droom is de school die er royaal voor uitkomt: het geloof staat bij ons hoog aangeschreven. Het is een school die vanuit de positieve keuze voor het christelijk geloof kinderen daarin mee wil opvoeden'.
En verder: 'christelijke school, laat je gezicht zien, en anders... kan beter het bord "christelijk" van de gevel gehaald worden'.
Tot zover geluiden die beaamd kunnen worden. Moeilijker wordt het als de schrijfster wat meer kleur bekent. Dan blijkt dat ze een geloofsopvoeding nastreeft die zeker niet bijbels te noemen is: 'geloven is elkaar Gods beloften aandoen', 'christelijk geloof is opstandingsgeloof, het staat op tegen alles wat dood maakt'. Een levensbeschouwing die doortrokken is van de moderne theologie.
Voorzover het boek een legitimatie geeft van de christelijke school en deze verantwoording historisch onderbouwt kunnen we er onze winst mee doen. Voor de inhoudelijke vulling van geloofsopvoeding en het inhoudelijk karakter van de christelijke school zijn betere bronnen beschikbaar dan dit boek.
M. Burggraaf, Krimpen a/d IJssel
G.P. Luttikhuizen, Op zoek naar de samenhang van Paulus' gedachten, 28 blz., ƒ 12,90, Kok, Kampen, 1990.
In deze rede, uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Nieuwe Testament aan de RU te Groningen, schetst de schrijver een aantal recente ontwikkelingen in het onderzoek van de brieven van Paulus. Opvallend kenmerk is dat men vooral de context en daarmee het situatiegebondene van Paulus' woorden beklemtoont.
Daarnaast blijft men zoeken naar de samenhang in de uitspraken van Paulus. De schrijver zelf kiest voor een enigszins andere benadering, nl. een lezersgericht historisch onderzoek. Hoe kregen Paulus' gedachten voor hen samenhang en waar lagen voor hen de zwaartepunten?
Een en ander wordt toegelicht aan de hand van de brief aan de Galaten. Het is een belangrijke rede die in kort bestek veel informatie verschaft. Enerzijds heeft de auteur me wel overtuigd hoe belangrijk het is het briefkarakter van Paulus' uiteenzettingen te honoreren. De apostel schreef geen dogmatiek!
Tegelijk is me niet duidelijk wat de door Luttikhuizen bepleite aanpak nu inhoudelijk oplevert? Is het bovendien juist de uitleg van Paulus' brieven te laten beheersen door de vraag hoe de eerste lezers zo'n tekst interpreteerden? Is dat nog te achterhalen? Wat zijn de consequenties voor het gezagskarakter van de brieven (de notie van de apostoliciteit)? En ook is er de vraag: Betekent dit dat in vertolking naar nu ònze vragen voor de interpretatie het zwaarwegendst zijn? In dat geval past dit betoog wondergoed in de huidige hermeneutische theologie die uitgaat van de hoorder en zo naar de tekst gaat. Maar een rede is te fragmentarisch om uit te kunnen maken of dat werkelijk de bedoeling van de schrijver is.
Vooralsnog zie ik niet in dat Luther in zijn uitleg van de Galaten niet het wezenlijke van deze brief geraakt zou hebben. Waarom zou – gelet op Galaten 2 : 16vv – in deze briefde centrale overtuiging, zoals Paulus die in Rom. 3-5 verwoordt heeft niet evenzeer – zij het ook in een andere context – ter sprake komen?
A. Noordegraaf, Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's