Globaal bekeken
Dr. J.J.C. Dee, hervormd predikant te Ellecom, mag niet pas sinds zijn promotie op K. Schilder een hervormd deskundige t.a.v. deze vrijgemaakte gereformeerde theoloog worden genoemd. Hij is het al jaren. Bijna tegelijk met zijn proefschrift is bij Vijlbrief (Haarlem) verschenen een bundel proza en poëzie van K. Schilder uit zijn studentenjaren onder de titel 'Eenzaamheid en gemeenschap' (154 pag., ƒ 25,–).
Hier volgt wat hij schrijft over Uitvaart van de poëzie, kennelijk geschreven om de afwezigheid van dichterlijke inspiratie te verwoorden.
'Poëzie, arme Poëzie!
Waar zijt ge, waar toeft ge?
Waarom laat ge u niet meer vinden; waarom verbergt ge u voor hem, die,
moe van menschengewriemel, tot u de handen uitstrekt, u zijn hartenood
wil klagen?
O zeg me, waar zijt ge?
Zijt ge schuil gegaan, schuil gegaan voor het oog van banale menschen,
die u nòg banaler willen maken, dan ze zelf zijn?
Zijt ge verstikt in de benauwde atmosfeer van de enge omgeving, waarin
men u heeft vastgelegd als een hond aan de ketting?
Of heeft het scherpe ontleedmes van doodende analyse u aangetast in de
teerste fijnheden van uw levensbestaan?
Arme Poëzie!
Ge zijt heengegaan — en hebt ons alleen gelaten; of, wat nòg meer zegt:
ge hebt ons Proza gelaten.
En Proza is valsch en oneerlijk.
Proza is egoïsme.
O, toen gij u vertoondet aan menschenzonen, die dorstend naar reinheid,
u de wierook van hun teere hart tegen deden walmen, toen hebt gij reeds
enkel door uw verschijning Proza doen versmelten, gelijk het koude, harde,
trotsche ijs smelten mòet voor de stralen van de warme, zachte, vriendelijke zon.
Maar toen de menschen in dwaze zelfverblinding in Proza's tempel hun wijgeschenken brachten, toen hebt ge voor een wijle in eenzaamheid geschreid; want zacht zijt ge en goed en ge kunt het niet aanzien, en ge wilt het niet aanzien, hoe dwaze menschen zich verliezen in het dorre, doode Proza, inplaats van aan uw borst de energie tot waarachtig leven in te zwelgen.
Proza is valsch en oneerlijk.
Proza is egoïsme.
Want het heeft toen tegen de domme menschen, die het aangaapten gelachen, verleidelijk gelachen. En het heeft ze gewezen dáárheen, waar gij vroeger in kleurige schitterpracht u placht te vertoonen, evenarende in schoonheid de opstijgende zon.
En tot de dwazen heeft het gezegd: Dáár vindt ge vrede, rust, geluk. Daar is het rijk der kleuren, der geuren; daar dartelt het licht, daar sprankelt het vonken...
En de menschen, de onnadenkenden, hebben in wilde onstuimigheid daarheen zich gewend: want gewoonte, gewoonte en nog eens gewoonte is het, wat hen drijft.
Maar Proza wist, dat het met den rug naar u gekeerd was, dat gij achterwaarts geweken waart om uit te weenen uw liefdevolle smart en dat ge nooit meer zoudt schitteren, dáár, waarheen het de blinde menschen had gewezen.
En toen heeft Proza gelachen, smakelijk gelachen, smadelijk gelachen.
Want het kán niet anders dan lachen.
En nu? En nu?
Nu knielen de menschen in den tempel van Proza, en zij zeggen: wij aanbidden de Poëzie.
Want nog steeds is Poëzie "in de mode".
Nu zingen ze hymnen in het prozaïsch koor, en ze zeggen: Wij verheerlijken de Poëzie.
Want nog steeds is Poëzie in "de mode".
En ze joelen en kroelen, en ze dollen en sollen en ze springen en zingen
en ze zwieren en gieren: Leve Poëzie! Wij zweren bij Poëzie!
En ze weten niet, dat het afgodje, waaromheen ze dansen. Proza is, Proza, anders niet.
En wanneer ze dan te midden van leegheid en donkerheid zeggen: Ha, dát is immers de volle lichtglans van Poëzie; en ik schuchter vraag: maar tóón mij de Poëzie; —
En wanneer ze dan van de lusteloosheid en dorheid van hun hart zeggen:
Ziedaar de vrucht van levenwekkende Poëzie; en ik angstig stamel: Maar wijs mij de plaats, waar ze haar milden voet heeft gezet; —
En wanneer ze dan in hun tempels van ongevoeligheid en onverschilligheid pochen; Hier dienen we Poëzie; en ik verwonderd zeg: Maar hier kàn Poëzie niet wonen; —
Dan is smalend hun antwoord:
Poëzie schuilt overal.
Overal, mijn vrinden!
't Is de vraag maar, wie haar al,
Wie ze niet kan vinden!
Poëzie, indien gij overal schuilt... welnu dan heb ik u nooit gekend, nooit iets van uw tegenwoordigheid gevoeld.
Poëzie, indien gij niet gevonden wordt door ieder, die is, waar gij zijt;
indien men u zelfs moet zoeken, om u te vinden... welnu, dan bestaat ge niet.
Arme Poëzie! Ziet gij daar die menschen komen?
Ze komen me verwijten, dat ik hunner niet waardig ben: wijl ik niet meer wil zingen in het schelklinkende koor van brute menschen, die zich straks een roes zullen drinken — in naam der Poëzie!
Claes'
In dit nummer van ons blad staat een artikeltje van ds. J.D. van Roest, getiteld 'Kan ook een dominee zendeling worden?' Bijgevoegd werd een Engelstalig gedicht van George MacDonald. We plaatsen het hieronder, met de vertaling ernaast.
'I said, "Let me walk in the field."
God said, "Nay, walk in the town."
I said, "There are no flowers there."
He said, "No flowers, but a crown."
I said, "But the sky is black,
There is nothing but noise and din."
But He wept as He sent me back,
"There is more," He said, "there is sin."
I said, "But the air is thick,
And fogs are veiling the sun."
He answered, "Yet souls are sick,
And souls in the dark undone."
I said, "I shall miss the light,
And friends will miss me, they say."
He answered me, "Choose tonight
If I am to miss you, or they."
I pleaded for time to be given.
He said, "Is it hard to decide?
It will not seem hard in Heaven
To have followed the steps of your Guide."
I cast one look at the fields,
Then set my face to the town.
He said, "My child, do you yield?
Will you leave the flowers for the crown?"
Then into His hand went mine,
And into my heart came He;
And I walk in a light Divine,
The path I had feared to see.'
'Ik zei, "Laat me wandelen in het veld."
God zei, "Nee, wandel in de stad."
Ik zei, "Er zijn hier geen bloemen."
Hij zei, "Geen bloemen, maar een kroon."
Ik zei, "Maar de lucht is zwart,
Er is alleen maar lawaai en vuil."
Maar Hij weende toen Hij me terugstuurde,
"Er is meer," zei Hij, "er is zonde."
Ik zei, "Maar de lucht is dik,
En nevels versluieren de zon."
Hij antwoordde, "Toch zijn de zielen ziek
En zielen in de duisternis zijn verloren."
Ik zei, "Ik zal het licht missen,
En vrienden zeggen, dat ze me zullen missen."
Hij antwoordde mij, "Kies vanavond:
Ik mis u, of zij missen u."
Ik vroeg bedenktijd.
Hij zei, "Is het moeilijk te beslissen?
Het zal niet moeilijk lijken in de Hemel
Om de voetstappen van uw Gids te hebben gevolgd."
Ik wierp een blik op de velden,
Toen keerde ik mijn gezicht naar de stad.
Hij zei, "Mijn kind, geef je het op?
Zul je de bloemen verlaten voor de kroon?"
Toen ging mijn hand in de Zijne,
En kwam Hij in mijn hart;
En ik wandelde in een Goddelijk licht
De weg die ik vreesde te zien.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's