Omhoog en omlaag!
'hij moet wassen, maar ik minder worden' Joh. 3 : 30
Veel mensen vinden een goede gezondheid de gróótste schat. Dat is nogal kortzichtig. Verlies je je goede gezondheid, dan is tegelijk ook je schat weg. Je gehele bestaan valt in duigen. Arm de mens die niet meer heeft dan dat. Bovendien: in geestelijke zin zijn alle mensen zeer ongezond. Sinds de zondeval lijden alle mensen, wie of wat ze ook zijn, aan de zeer besmettelijke, diepingrijpende en voor mensen ongeneeslijke ik-ziekte. Wij hebben slechts oog en hart voor onszelf. Genezing van deze vreselijke kwaal is pas mogelijk, wanneer er van Hogerhand wordt ingegrepen. Indien de Heere ons een ander hart geeft. Dan gaat er een streep door dat eigen-ik heen. Dan sterft een mens voordat hij sterft. Aan zichzelf. Dat is zeer heilzaam! Dat is onmisbaar!
Gedurig blijven wij ook een injectie nodig hebben om onze hoogmoed en eigendunk weg te nemen, ons strijden voor eigen eer, naam en zaak. Laten we er maar bij zeggen: voor eigen kerk, gemeente, groep. Een herhalingsrecept is zeker voor een ieder noodzakelijk. Dan blijven de gevolgen niet uit. Wij zien in Joh. 3 bij Johannes de Doper, wat de gevolgen daarvan zijn.
In hem hebben wij een voorbeeld van zelfverloochening en zelfverlaging, van jezelf wegcijferen, van er tussen uit vallen. Wij zien wat Gods genade vermag. Hoe ver het komen kan en moet in het leven van een zondig mens, van een prediker van het Evangelie. Wat Gods Geest tot stand brengt.
Jezus had Jeruzalem verlaten en werkte nu op het platteland van Judea, dat overigens niet zo plat is. Hij werkte gelijktijdig met Johannes de Doper. Beiden preekten en doopten. Dit riep vragen op bij de leerlingen van Johannes. Vooral toen zij merkten dat de hoorders in groten getale naar die rabbi van Nazareth overliepen. Zij zagen dat als concurrentie. Het wekte bij hen jaloezie, afgunst, eerzucht. Dat blijkt wel, wanneer zij zeggen: 'Zij komen allen tot Hem'. Zelf zaten ze meer en meer met lege banken en bij die Jezus moesten er stoelen bij. Zij dachten dat hun Johannes de eerste en de beste was en nu dit. Bij deze leerlingen speelde het eigen-ik nog danig op. Hoe groter hun meester was, hoe groter zij ook zelf waren.
Wat een verzoeking voor Johannes om met hen mee te doen. Mee te praten. Je moet maar terrein verliezen! Wat kunnen wij het daar zelf ook moeilijk mee hebben, wanneer het gaat om de vraag: hij of ik.
Hij de eer, de macht, die baan, dat werk, het geld, de naam, de massa, die volle kerk, of ik? Vult u zelf maar iets in, wat u past. Johannes mocht zelf wegvallen en hij mocht de eer zoeken van de Heere. Is dat niet groot?
Twee beelden gebruikt hij om daar iets van te zeggen. Ook voor ons tot lering en vermaning. Het eerste beeld is dat van bruidegom en bruid. Voor die discipelen van hem een bekend beeld. Uit het O.T. al. Ook wij weten vast wel hoe de verhouding God en Zijn volk wordt voorgesteld als die tussen bruidegom en bruid. De Heilige Geest is dan de bruidswerver. Hij brengt Christus en Zijn volk bij elkaar, tot elkaar. In de middellijke weg is dat nu ook de taak van Johannes de Doper.
Hij staat op een hoge post, heeft een dure roeping, een schone taak, hij mag de vriend zijn van de bruidegom, van Christus!
Een vriend van de bruidegom stond heel dichtbij de bruidegom, was zijn gunsteling, maar hij was zelf de bruidegom niet. Er bleef wel afstand. Op zeker moment moest hij terugtreden.
Johannes was Gods instrument als heraut van Koning Jezus. Hij was als een uitgestoken vinger. Hij wees dus van zichzelf af en hij wees heen naar de Heere. Hij wees en prees Hem aan als Redder van in zichzelf reddeloos verloren mensen.
Toen er dan ook mensen bij hem weggingen om tot de Heere Jezus te gaan, was dat geen verlies, maar winst. Blijdschap vervulde zijn hart. Hij was dus niet bezig om te werven voor zichzelf. Wat kon hij zelf jood en heiden bieden voor tijd en eeuwigheid? Kon hij zelf één zondaar de zonde vergeven, kon hij één mens met God verzoenen, kon hij iemand een nieuw hart en leven schenken, kon hij een oudere of jongere genezen van ikzucht, hebzucht en eerzucht?
Zijn wij gebaat met mensen? Kan de beste dominee van het land ons redden? Zal dat bekeerde vrouwtje in de gemeente ons zaligen? Wij moeten Jezus Zelf hebben! Tot rots, deel en eeuwig goed.
Het tweede beeld is ontleend aan de plantenwereld. Jezus moet omhoog, als een plant. Hij moet wassen, groeien, toenemen. Daarentegen moet Johannes omlaag, zakken, kwijnen, minder worden. Zowel het één is nodig als het ander. Bij Johannes en bij ons allemaal.
Kan Jezus dan groter worden dan Hij al is? Hij is toch de Almachtige? Niemand is toch aan Hem gelijk? Nee, in Zichzelf niet. Hij kan wel meer eer ontvangen, meer gediend, gehoorzaamd worden, meer wederliefde ontvangen. Er kan meer gebruik worden gemaakt van Zijn bloed, dat reinigt van alle zonde. Er kunnen meer onderdanen komen. Dat kàn niet alleen. Dat moet. Hij moet wassen! Van Godswege moet dat. Dat is Gods wil en plan. Hij moet alle eer ontvangen!
Hoe is dat in ons leven? Hebben wij de Heere meer lief dan tien jaar geleden? Is het wellicht tot stilstand gekomen? Heimwee naar de tijd van de eerste liefde? Of is Hij ons nog helemaal niet alles waard geworden? Kunnen wij Hem nog missen?
Als dat laatste het geval is, wordt het dan geen tijd daar verandering in te laten komen? Nu kan het nog. Hoe zal het morgen zijn? Vandaag kan Hij nog wassen.
Wat daarvoor nodig is, vraagt u? Dat uzelf omlaag gaat. Wie hoog wil gaan denken over de Heere Jezus, moet alle hoge gedachten over zichzelf laten schieten. Dan moeten wij er zelf aan. Zeker, dat gaat tegen vlees en bloed in. Ons hart komt in opstand. Gods Heilige Geest is in staat ons harde hart te breken, ons stenen hart week te maken, ons van de toren af te halen en in de kelder neer te zetten.
Ja, van huis uit is het andersom. Wij omhoog en God omlaag. Of wij méé omhoog, net als de discipelen van de Doper. Johannes zelf echter zag het anders. Hij leerde de betekenis van dat woordje 'maar'. Dat was zijn behoud. Het is ook ons behoud. Wij omlaag. De Heere nederig te voet vallen.
Het begint bij ons allemaal met dat eigen ik. Alles eigen-ik wat de klok slaat. Dan begint de Heere te werken in ons hart en leven. Het wordt: ik en Jezus. Nog te veel eer voor onszelf en te weinig voor de Heere. Het moet worden: Jezus en ik. Ja, het moet nog verder: Jezus alleen!
Dan zijn wij op onze plaats gebracht, hebben onze levensles geleerd. Het zal niet zonder strijd en aanvechting zijn geweest. Bij ons ook niet. Er is wel een begin aan die les, maar geen einde.
Johannes schreef zichzelf af. Teken dat hij was opgeschreven in het boek des levens. Onbegrijpelijk! Heere, dat u dat wilde doen, bij een mens als ik, Jezus omhoog en ik omlaag. Hoe bestaat het? Alleen om de verdienste van dat Lam!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's