Boekbespreking
Zin en religie. Wijsgerige en theologische reflecties rond de zinvraag. Redactie F. Sars en P. van Tongeren; Ambo, Baarn, 1990 162 blz.; ƒ 27,50.
In de serie Annalen van het Thijmgenootschap is dit de derde aflevering van jaargang 78. Het bevat een zevental essays die alle cirkelen om de vraag naar de zin van het leven, en dus naar die van de tijd. De auteurs zijn: F. van Tongeren, H. Blommestijn en J. Huls. Allen, komend uit rooms-katholieke hoek, hebben zij de overtuiging gemeen dat wij met de aristotelische tijdsbeleving niet uitkomen: de tijd is niet een vloeiende beweging binnen de bedding van de ontplooiing.
Zo legt F. Sars vooral nadruk op het botsende binnen onze tijdsbeleving, op het conflict tussen het beheersbare en het veranderende. Peperzak wijst vooral op het fragmentarische in onze tijdsbeleving. Zin meldt zich ieder ogenblik waarop wij op de zin van onze tijd anticiperen. Bremmers gaat, o.i. sterk anthropologisch, uit van de aanspraak op zin die ieder leven kenmerkt en door anderen moet worden bevestigd. Struycker Boudier, ook sterk anthropologisch te werk gaand, ziet de zinvraag vooral opgevouwen in de relatie tot anderen en tot de wereld en ziet de zinvraag er dan vooral uitkomen in ons nee tegen de eigen begeerte en tegen het kwaad. Van Tongeren neigt o.i. iets meer naar Plato: de zin ontvangen wij als een projectie van onze eigen ontvankelijkheid. Blommestijn is in dit gezelschap de meest mystieke: zin meldt zich daar waar de mens afziet van zelfbevestiging en waar de liefde als zelfvergetelheid gestalte aanneemt.
Dit zoeken in deze kring naar een antwoord op de zinvraag legt niet een probleem open dat in de reformatie niet aanwezig zou zijn. Ook wij hebben stukje reflexie nodig over wat tijd is. Wie zich geheel aan het aristotelische denken uitlevert zal de heilsfeiten — van het verleden — niet anders kunnen duiden als verleden tijd, en grote moeite krijgen hun actualiteit aan te tonen. Dan kan men, terecht, wel op de Geest wijzen, maar hoe benut Deze de tijd, en hoe kan het dat het verleden in het heden opengaat en er zin aan geeft? Er is echter o.i. noch een theologische noch een filosofische methodiek voorhanden die de zin-ontsluiting kan onderbouwen. Wat wèl kan is aanwijzen hoezeer wij zitten vastgebakken aan het aristotelisch tijdsbegrip van duur, successie en ontvouwing, van verklaring van het heden uit het verleden, vanwege de forma die zich, volgens Aristoteles, via de materia doorzet. Een gedachte die het werken van de Geest na pinksteren alleen maar kan beknotten en de scholastiek oproept.
In dit boekje ontbreekt niet de anticipatie, het vooruitgrijpen op de toekomst, maar wel de eschatologie, het laatste heilsfeit van Gods gerechtigheidsopenbaring die ook de laatste openbaring van de zinvraag inhoudt, van een zin die reeds nu beleden mag worden. In deze 'zin' is dit boekje niet alleen rooms-katholiek maar ook 'modern'.
S. Meyers, Zeist
J. v. Bruggen, Mattheüs. Het evangelie voor Israël (commentaar op het N.T., derde serie) 510 blz., ƒ 72,— Kok, Kampen 1990.
Opnieuw een deel in de reeks die een voortzetting wil zijn van de Bottenburgserie: Prof. v. Bruggen moet wel beschikken over een formidabele werkkracht. In betrekkelijk korte tijd zijn nu drie delen van zijn hand verschenen. Ook in dit deel wordt de werkwijze gevolgd van het vorige deel. Van Bruggen wijst de gangbare methoden af waarbij de drie eerste evangeliën onderling vergeleken worden met Marcus als uitgangspunt.
Mattheüs is z.i. een zelfstandige bron voor de geschiedenis van Jezus' aardse werk. De redactiehistorische methode van Bornkamm c.s. verwerpt hij. Als opvallende trek ziet Van Bruggen de aandacht voor Israël. Het evangelie is prolsraël en contra het ongeloof in de Messias Jezus Christus (blz. 23). De verklaring biedt veel waar elke bijbeluitlegger zijn winst mee kan doen. Wel vind ik het jammer dat het door de schrijver gekozen uitgangspunt impliceert, dat hij voor de eigen 'theologie' van Mattheüs weinig aandacht heeft. Zo mis ik b.v. bij Mattheüs 2 : 1-12 een verwijzing naar de term 'koning der Joden' in Mattheüs 27.
Heeft de uitleg die het verhaal van de storm op zee betrekt op de gemeente en de navolging toch niet meer recht van spreken dan de auteur waar wil hebben? Ik deel zijn bezwaar tegen de a-historische uitleg, maar meen dat dit niet behoeft te betekenen dat men geen oog kan hebben voor de verbinding tussen 'navolging' en de gang in het schip.
Ook inzake Mattheüs 11 : 3 meen ik met Van Bruggen van mening te moeten verschillen. M.i. gaat het wel terdege over de twijfel die Johannes in de buurt brengt van de ergernis. De uitdrukking 'de werken van de Christus' weerspiegelt de visie van Mattheüs.
Mattheüs 22 : 14 wordt door Van Bruggen uit gelegd in het kader van de gelijkenis: 'Velen behoren tot de geïnviteerden, maar weinigen tot de gelukkigen'.
De nadruk ligt op het beslissende moment van de laatste invitatie. Bij Mattheüs 25 : 31-46 krijgen we een uitvoerige excurs over de vraag wie de broeders van Jezus zijn. De auteur betrekt het op de apostelen. Eerder zou ik willen denken aan de gemeente, waarbij het niet aan ons staat de grenzen daarvan te bepalen (vgl. Mattheüs 12 46vv). Met laos in 27 : 25 is niet het gehele volk van God bedoeld maar de menigte voor Pilatus. Daarmee ontneemt Van Bruggen terecht de anti-joodse spits die veler uitleg van deze tekst gekregen heeft.
Ik volsta met deze enkele voorbeelden. Zoals bij elke commentaar moet de gebruiker er zelfstandig mee omgaan in gesprek a.h.w. met de schrijver. Door de vele details en verwijzingen biedt de auteur daartoe zijn lezer de volle gelegenheid.
Een uitvoerige literatuurlijst laat zien hoe grondig de schrijver te werk is gegaan.
A. Noordegraaf, Ede
Ds. F.H. van der Laan, 'Belijdenissen', De Vuurbaak, Barneveld, 88 blz., ƒ 14,75.
In dit boekje wordt geprobeerd een brug te slaan tussen de belijdenisgeschriften (de oecumenische en de reformatorische) en de jongeren van de kerk. Voor een gezond geloofsleven is kennis van de belijdenissen nodig, daar zij waarschuwen tegen geloofsziekten en remedie bieden.
Het gaat er om dat een christen mondig, vrij, open en volwassen wordt in de bijbelse zin van het woord.
Elk hoofdstuk begint met een bijbelstudie en stelt dan of een belijdenis of een vanuit de belijdenis voortvloeiend punt aan de orde. Dan wordt de lijn doorgetrokken naar het leven van vandaag. In dit boekje blijkt liefde voor de belijdenis en voor de jeugd. Dat is waardevol. Het boekje is vooral gericht op de jongeren van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt), maar kan evengoed door anderen gebruikt worden. Achterin staat literatuur over de belijdenisgeschriften.
W. Verboom, Hierden/Harderwijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's