De religie der belijdenis
Op een ambtsdragersconferentie van de Christelijke Gereformeerde Kerken kwam 'de religie van de belijdenis' aan de orde. Daarvan heeft ondergetekende enige tijd geleden in deze kolommen verslag gedaan i.v.m. de vraag of verschillen inzake de religie van de belijdenis kerkscheidend mogen zijn. Op een door het hoofdbestuur van de Gereformeerde Bond belegde ontmoetingsdag voor studenten in de theologie is het thema 'De religie van de belijdenis' expliciet aan de orde geweest. Bijgaand plaatsen we een samenvatting van wat toen daarover door ondergetekende is gezegd.
Wanneer het waar is, dat geestelijk leven gewekt wordt door de prediking — en het is waar — en wanneer gereformeerde prediking gekenmerkt is door gebondenheid aan de Heilige Schrift en de gereformeerde belijdenis, rijst de vraag hoe het geestelijk leven en de belijdenis der kerk zich tot elkaar verhouden. We komen dan te staan voor de vraag van de religie van de belijdenis. Het is goed om ons de vraag te stellen, wat we daar precies mee bedoelen.
Geschiedenis
Binnen de Nederlandse Hervormde Kerk is de eeuwen door, maar zeker ook de laatste anderhalve eeuw, strijd gevoerd met betrekking tot het belijdende karakter van de kerk. In de vorige eeuw met name was, door het zich breed makende modernisme, de kerk ontzonken aan haar belijdenis. Door diegenen, die vast wilden houden aan de belijdenisgeschriften van de kerk der Reformatie hier te lande als akkoord van kerkelijke gemeenschap, is de strijd gevoerd om kerkherstel in de zin van die belijdenis. Daarbij stond ook voorop de kerk te bevrijden van het juk van de Reglementenbundel, haar in 1816 opgelegd vanwege koning Willem I, waardoor de kerk niet bij machte was belijdende kerk te zijn naar binnen en naar buiten.
Pas in de Tweede Wereldoorlog is het tot een doorbraak gekomen. Toen werd in brede lagen van de kerk, opeen gedreven als men werd vanwege de nood der tijden, de laatste fase in het proces van kerkherstel voorbereid. De richtingen in de kerk zouden verdwijnen: modaliteiten (verschillende wijzen van hetzelfde belijden) zouden nog slechts voorkomen in een kerk, die Christusbelijdende volkskerk zou zijn. De bezegeling van één en ander was de nieuwe kerkorde van 1951, tot stand gekomen na intensieve theologische discussies, met name inzake het belijden en het apostolaat der kerk.
Religie der belijdenis
In de jaren voorafgaande aan de nieuwe kerkorde viel herhaaldelijk de uitdrukking 'religie van de belijdenis'. Prof. dr. J. Severijn, voorzitter van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk, had een werkzaam aandeel gehad in de werkorde, die een opstap betekende voor de nieuwe kerkorde.
In de gevoerde discussie placht prof. Severijn de religie van de belijdenis te benadrukken. Desgevraagd zei hij, tijdens een grote bijeenkomst van kerkelijke vertegenwoordigers in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, inzake het wezenlijke van de religie van de belijdenis: 'Dat zit hier'. En hij sloeg zich toen krachtig op de borst. Eén en ander was overtuigend.
In het geding om de formulering in art. X van de Kerkorde, namelijk dat de kerk zou leren 'in gemeenschap met de belijdenis der vaderen', is die uitdrukking 'religie van de belijdenis' nogal eens gehanteerd. Het woord gemeenschap komt uit Hand. 2. De apostelen waren bijeen in de gemeenschap en in de breking des broods en in de gebeden. Met dit woord gemeenschap wilde de bevindelijke dimensie van de belijdenis worden gehonoreerd. En dat vond aansluiting bij de nadruk, die prof. Severijn legde op de religie van de belijdenis. De belijdenis is niet zonder meer een formeel statuut, maar het is getuigende, belijdende en ook bevindelijke geloofstaal.
Aanvankelijk werd art. X van de Kerkorde in de hervormde synode met algemene stemmen aanvaard. Maar daarna werd, onder anderen door de vrijzinnigen betoogd, dat gemeenschap met de belijdenis niet mocht betekenen: binding aan de belijdenis, instemming met datgene, wat de belijdenis als zodanig verwoordde. Gemeenschap met de belijdenis werd tegen de belijdenis zelve uitgespeeld. Eén en ander had tot gevolg, dat bij de uiteindelijke vaststelling van art. X er géén unanimiteit was. Met dertien stemmen tegen werd de Kerkorde m.b.t. art. X aanvaard. Met name bij de hervormd-gereformeerden leefde de overtuiging, dat de religie van de belijdenis niet met de belijdenis zelf in tegenspraak mocht zijn. Er diende een twee-eenheid te zijn tussen gemeenschap met de belijdenis en overeenstemming met de belijdenis.
Wat het niet is
Zien we de vraag onder ogen, wat we hebben te verstaan onder de religie van de belijdenis, dan zouden we eerst kunnen stellen wat het niet is. Nadruk op de religie van de belijdenis wil zeggen, dat het louter hèbben van een belijdenis niet voldoende is. Religie van de belijdenis gaat uit boven pure leerstelligheid, boven dode leer.
Religie van de belijdenis heeft ook een dimensie méér dan louter dogmatiek. De historisch bepaalde gereformeerde orthodoxie in optima forma heeft altijd het gevaar gelopen van rationalisering. Het geloof, liever nog het gereformeerd belijden, is dan een optelsom van waarheden.
Religie van de belijdenis is ook niet zonder meer gelijk te stellen met toeëigening des heils. Er staat geen is-gelijkteken tussen religie van de belijdenis en toeëigening des heils. Het gevaar bestaat, dat de vraag van de heilstoeëigening een leven lang Vorstufe voor het geloof blijft. Maar uiteindelijk is de doorgaande teneur in de gereformeerde belijdenisgeschriften, dat het altijd weer gaat om het geloof. Het geloof is het enige wat zich in de mens voltrekt. Als in antwoord 21 van de Heidelbergse Catechismus over het geloof gesproken wordt, wordt weliswaar allereerst gesproken over een stellig weten en een voor waar houden, wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard, maar — onlosmakelijk daarmee verbonden — wordt gesproken over het vast vertrouwen. In het weten, het voor wáár houden, vinden we om zo te zeggen, nadruk op de overeenstemming met de belijdenis. In het woord 'vertrouwen' zit de gemeenschap.
Een poging tot omschrijving
Met dit laatste zijn we reeds gekomen tot een enigszins inhoudelijke vulling van de religie van de belijdenis. In geloofsvertrouwen zit het vertrouwelijke. Het vertrouwelijke ook van de verborgen omgang met God. Zó heeft geloof alles met ervaring, met bevinding te maken. En dan zijn we bij wat we bedoelen met religie van de belijdenis. Bevinding is overigens geen locus in de dogmatiek. In feite is bevinding niet te omschrijven. We kunnen slechts aanduiden. Het gaat om geloof als vertrouwen. Het gaat om het lied van het dogma. Of, om het met de woorden, de telkens herháálde woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis te zeggen.: 'Wij geloven met het hart en belijden met de mond'. Het waarachtige belijden volgt op het met het hart geloven. De Schrift zegt: 'Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, met de mond belijdt men ter zaligheid'. Mond en hart, geloof en belijden horen bijeen. Welnu, in de religie van de belijdenis gaat het om de harte-klop van het geloof. Belijdenistrouw betekent dan ook nooit koude leerstelligheid, maar heeft de warme vertrouwelijkheid van de verborgen omgang met God in zich.
Zó is er een directe verbinding tussen belijdenis en geestelijk leven. En zo worden de contouren zichtbaar van een prediking, die, gebonden aan Schrift en belijdenis, ook voluit bevindelijk is. Dan is — het zij nogmaals gezegd — religie van de belijdenis niet hetzelfde als toeëigening des heils. Wie 'aus einem Gusz' de Heidelbergse Catechismus leest, zal tot de constatering moeten komen, dat de vragen met betrekking tot de heilstoeëigening eigenlijk nauwelijks een plaats hebben in de Heidelberger. In de Heidelberger is een gelovig mens aan het woord, die spreekt over de leiding en de doorleiding van de Heilige Geest in zijn leven, als ook de (geloofs)worsteling, die dat met zich meebrengt: 'wat baat u'?, 'wat troost u'?
Enkele voorbeelden
Enkele voorbeelden uit de belijdenis zelf mogen dienen ter adstructie van het hierboven gestelde.
Allereerst wil ik noemen het belijden inzake het gezag van de Heilige Schrift. In art. 7 van de N.G.B. wordt allereerst gezegd, dat we geloven alles wat in de Heilige Schrift begrepen is, niet alleen (maar dus óók), omdat de kerk dit aanneemt, maar — en dan zijn we bij de religie van de belijdenis — inzonderheid omdat ons de Heilige Geest getuigenis geeft in onze harten, dat ze van God zijn. De belijdenis belijdt het formele Schriftgezag: we geloven alles, wat in de Heilige Schrift staat. Maar het gaat ook om de religie, het getuigenis van de Heilige Geest in de harten. In Rom. 15 : 4 lezen we: 'Want al wat tevoren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij door de lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop zouden hebben'.
De Heilige Schrift is geen notariële akte. Nee, de Heilige Schrift biedt vertroosting, Geest en leven. Ds. C. den Boer heeft in zijn boek 'Fundamenteel belijden' gesteld, dat de vertroosting de Schriften alle gelovigen uit alle tijden bekend is geweest. Hij zegt: 'Het Woord van God is het merg van het ware geloofsleven. Het is het onvoorwaardelijke uitgangspunt van elke ware theologie. Het is het hechte cement, dat de gemeente Gods ook in onze verwarrende tijd als een huis van God bijeen houdt. Voor het ware geloof, dat uit de Schriften geboren is, is het geen vraag, hoe de Bijbel aan dat onvernietigbare gezag en aan deze onstuitbare kracht komt. Het is God Zelf, die er dat aan heeft verleend. De Heilige Schrift brengt haar eigen gezag mee. Dit wordt er niet van buitenaf aan verleend. De Heilige Schrift is autopist. Dat wil zeggen, dat haar geloofwaardigheid rust in het Geest-doorademd zijn van de Schriften. Daar ligt het draagvlak van het Schriftgeloof.'
Concluderend zou men mogen zeggen, dat wie de vertroosting der Schriften niet kent, slechts een formeel Schriftgezag overhoudt en een formalistisch belijdenisbegrip. Dat is altijd weer het gevaar van de gereformeerde orthodoxie. Hoe belijdenisgetrouw ook, de verstarring tot leerstelligheid ligt altijd op de loer. Als zodanig meen ik, dat er de laatste decennia in het geheel van de gereformeerde gezindte een verschuiving te constateren is in de richting van zulk een leerstelligheid, ten koste van de religie van de belijdenis. De Heilige Schrift wil als boek der vertroosting, ook vanuit het werk van de Heilige Geest, een plaats hebben in de harten van mensen. Opdat gelóóf wordt tot vertroúwen.
Vervolgens kunnen we noemen het bekende artikel in de Dordtse Leerregels, dat handelt over de wedergeboorte (D.L. III, 12). Ik volsta met de aanduiding: 'De wedergeboorte is een gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige en tegelijk zeer zoete, wonderbare verborgen en onuitsprekelijke werking, dewelke naar het getuigenis der Schrift, (...) in haar kracht niet minder noch geringer is dan de schepping of de opwekking der doden'.
Hier is geen sprake van beredeneerd geloof. Hier is een mens aan het woord, die van de wonderlijke werking van de Geest in de wedergeboorte wéét heeft en uiteindelijk het niet eens ten volle verwoorden kan en daarom tot de slotconclusie komt, dat, ook al begrijpen we het niet volkomen, de wedergeboorte hierin tot uitdrukking komt, dat de gelovigen hun Zaligmaker liefhebben (D.L. III, 13).
In de derde plaats kan gewezen worden op vraag en antwoord 89 en 90 van de Heidelbergse Catechismus, waar over de bekering wordt gesproken. Bekering wordt omschreven als 'afsterving van de oude mens en opstanding van de nieuwe mens'. Maar treffend is, hoe bij de beantwoording van de vraag, wat onder afsterving en wat onder opstanding moet worden verstaan, tot tweemaal toe het woord hartelijk valt. Afsterving van de oude mens is 'een hartelijk leedwezen over het feit, dat we God door onze zonden vertoornd hebben.' En opstanding van de nieuwe mens is 'een hartelijke vreugde in God, door Christus'. Bekering is een zaak des harten. Daarom stoot de belijdenis van de kerk dieper door dan tot het verstand van de mens. Het breekt door de wanden van het hart van mensen heen.
En tenslotte kan nog gewezen worden op de belijdenis aangaande de Heilige Doop, in vraag en antwoord 73 van de Heidelbergse Catechismus. In de doop 'wil Jezus Christus ons betekenen en verzekeren, dat wij zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn als we uitwendig met het water gewassen worden.' Ook hier stoot de belijdenis door tot de diepten van het geestelijk leven. Het gaat niet om een verstandelijk, laat staan automatisch aanvaarden van wat de doop beduidt. Nee, het gaat om het geestelijk gewassen zijn.
We zouden kunnen zeggen, dat het werk van de Heilige Geest door heel de gereformeerde belijdenis heenstraalt. En wat dit betekent leert ons het antwoord op de vraag wat we van de Heilige Geest geloven: 'De Heilige Geest is samen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God'. Zo brengt de Heidelberger ons de majesteit Gods te binnen. Maar tegelijkertijd wordt in verwondering beleden, 'dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwig blijve.' Op deze wijze brengt de Heidelberger ons het werk des Geestes in bijzondere zin te binnen, in de letterlijke zin van het woord. De Heilige Geest troost en daarin ligt ten diepste ook de religie van de belijdenis verwoord.
Houdt daaraan vast
Kohlbrugge heeft op zijn sterfbed gezegd: 'De Heidelberger, de eenvoudige Heidelberger, houdt daaraan vast kinderen'.
Dat kon Kohlbrugge zeggen, omdat hij wist van de religie van de belijdenis.
Op het sterfbed biedt belijdenistrouw geen houvast, maar de religie van de belijdenis. Op het sterfbed komt een mens er niet met zijn weten, maar dan gaat het ook om kennen – kennen in de liefde – en vertrouwen.
Op het sterfbed baat geen toeleidende weg, maar een doorleidende weg. Het gaat om het doorleefde geloof. Het gaat om een tweevoudige verlichting door de Heilige Geest. De Heilige Geest doet het Evangelie als het Woord Gods oplichten, maar het gaat ook om een inwendige verlichting in het hart, waardoor wij het licht van de zon gaan zien; aldus Calvijn.
Ds. C. den Boer voegt daaraan toe, dat God het hart van Lydia opende, terwijl ze stond te luisteren naar Paulus, zodat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd. Het gaat om het werk van de Heilige Geest, in het hart, dóór het Woord, maar ook gepaard áán het Woord.
Het is de Heilige Geest, die het niet alleen in de Schrift voor God en Zijn Christus opneemt, maar ook in de harten der gegevenen des Vaders voor de God der Schriften en voor de Schriften zelf.'
De Heilige Geest getuigt met onze geest, dat we kinderen van God zijn. Met minder kan een mens niet toe, wil hij rechtvaardig zijn voor God. En daarom zal prediking, die gebonden wil zijn aan de Schrift en aan de belijdenis, uitkomen boven het poneren van waarheden, maar doorstoten tot de religie, die in de belijdenis is verwoord. Die religie ligt als een 'mana' door en over de belijdenis heen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1991
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's